Tabari

Zoeken

Zoek door alle 6.236 ayat + Tabari's tafseer. Natuurlijke taal werkt voor de tafseer — bv. "hoe ging de Profeet om met vijandschap".

Tafseer van at-Tabari

100 relevante passages

Semantische match (cosine similarity ≥ 25%) per segment-samenvatting. Aantal varieert per query — het toont alle passages boven die drempel, geen vaste top-N.

  1. ermee bedoeld wordt dat Hij de opstandigen onder de mensen en de djinn tot vijand van elke profeet heeft gemaakt, die elkaar van het woord influisteren waarmee zij hen kwellen. * * * En in overeenstemming … bidden was, en de Profeet ﷺ zei tot hem: "Zoek je toevlucht, o Abu Dharr, tegen de satans van de mensen en van de djinn." Hij zei: "O profeet van Allah, zijn er dan onder

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn, de Verhevene, uitspraak: { وَكَذَلِكَ جَعَلْنَا لِكُلِّ نَبِيٍّ عَدُوًّا شَيَاطِينَ الإِنْسِ وَالْجِنِّ يُوحِي بَعْضُهُمْ إِلَى بَعْضٍ زُخْرُفَ الْقَوْلِ غُرُورًا } ("En zo hebben Wij voor elke profeet een vijand gemaakt: de satans van de mensen en van de djinn, die elkaar verfraaide woorden influisteren als misleiding") Abū Jaʿfar zei: De Verhevene zegt — geprezen zij Zijn vermelding — tot Zijn profeet Muḥammad ﷺ, om hem daarmee te troosten over wat hij van de ongelovigen van zijn volk omwille van Allah heeft moeten verduren, en om hem aan te sporen tot geduld bij hetgeen hem daarin trof: "En zo hebben Wij voor elke profeet een vijand gemaakt." Hij zegt: En zoals Wij jou hebben beproefd, o Muḥammad, door voor jou uit de polytheïsten van jouw volk vijanden te maken — satans die elkaar verfraaide woorden influisteren om hen door hun twisten met jou daarover af te houden van het volgen van jou, en van het geloof in jou en in hetgeen jij hun van jouw Heer hebt gebracht — zo hebben Wij vóór jou de profeten en boodschappers beproefd, door voor hen uit hun volk vijanden te maken die hen kwelden met disputen en geschillen. Hij zegt: Datgene waarmee Ik jou heb beproefd, heb Ik niet als enige aan jou voorbehouden, maar Ik heb het hen allen met jou gemeen doen ondergaan, opdat Ik hen zou beproeven en op de proef stellen — ondanks Mijn vermogen om wie hen kwelde van hun kwelling te weerhouden — en Ik deed dat slechts opdat Ik onder hen de standvastigen van geest (ūlū al-ʿazm) van de overigen zou kennen. Hij zegt: Wees jij dus geduldig zoals de standvastigen van geest onder de boodschappers geduldig waren. * * * En wat "de satans van de mensen en van de djinn" betreft: dat zijn hun opstandigen (maradatuhum), en wij hebben reeds uiteengezet aan welk werkwoord deze benaming is ontleend, zodat herhaling ervan overbodig is. * * * En "de vijand" (al-ʿaduww) en "de satans" (al-shayāṭīn) staan in de accusatief vanwege Zijn woord "Wij hebben gemaakt (jaʿalnā)". * * * En wat Zijn woord betreft "die elkaar verfraaide woorden influisteren als misleiding": Hij bedoelt daarmee dat degene onder hen die het uit, het woord uitspreekt dat hij met valsheid heeft opgesmukt en verfraaid, tot zijn metgezel, opdat wie het hoort erdoor misleid raakt en zo van het pad van Allah afdwaalt. * * * Vervolgens verschilden de uitleggers van mening over de betekenis van Zijn woord "de satans van de mensen en van de djinn". Sommigen van hen zeiden: De betekenis ervan is: de satans van de mensen, die bij de mensen zijn, en de satans van de djinn, die bij de djinn zijn, en de mensen hebben geen satans. * Vermelding van wie dat zei: 13765 — Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft mij verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: "En zo hebben Wij voor elke profeet een vijand gemaakt: de satans van de mensen en van de djinn, die elkaar verfraaide woorden influisteren als misleiding; en als

  2. twee neerwerpingen van haar rakʿa die zij met de Profeet ﷺ gebeden had, maar zij ging naar de standplaats van haar metgezellen tegenover de vijand terwijl de rest van haar gebed nog op haar rustte … rest van haar gebed dat haar met de Profeet ﷺ ontgaan was, ging zij naar de gelederen van haar metgezellen tegenover de vijand, en de eerste groep, die met de Boodschapper van Allah

    Toon meer ↓

    { وإذا كنت فيهم فأقمت لهم الصلاة فلتقم طائفة منهم معك وليأخذوا أسلحتهم فإذا سجدوا فليكونوا من ورائكم ولتأت طائفة أخرى لم يصلوا فليصلوا معك وليأخذوا حذرهم وأسلحتهم } (En wanneer u zich onder hen bevindt en het gebed voor hen leidt, laat dan een groep van hen met u opstaan, en laten zij hun wapens nemen. En wanneer zij zich neerwerpen, laten zij dan achter jullie staan, en laat een andere groep komen die nog niet gebeden heeft, en laten zij met u bidden en op hun hoede zijn en hun wapens nemen.) De uitspraak over de uitleg van het woord van de Verhevene: { وإذا كنت فيهم فأقمت لهم الصلاة فلتقم طائفة منهم معك وليأخذوا أسلحتهم فإذا سجدوا فليكونوا من ورائكم ولتأت طائفة أخرى لم يصلوا فليصلوا معك وليأخذوا حذرهم وأسلحتهم }. Hiermee bedoelt Hij, verheven is Zijn lof: en wanneer u, o Mohammed, zich bevindt onder degenen van uw metgezellen die door het land trekken en die vrezen dat hun vijand hen in beproeving zal brengen, { فأقمت لهم الصلاة } (en u het gebed voor hen verricht), zegt: en u voor hen het gebed verricht met zijn voorgeschreven grenzen, zijn buigingen (rukūʿ) en zijn neerwerpingen (sujūd), en u het niet inkort op de wijze van inkorting die Ik hun heb toegestaan toe te passen in de toestand waarin zij hun vijand ontmoeten en de een tegen de ander oprukt, namelijk het achterwege laten van het in acht nemen van zijn grenzen, zijn buigingen, zijn neerwerpingen en de overige van zijn verplichtingen. { فلتقم طائفة منهم معك } (laat dan een groep van hen met u opstaan), dat wil zeggen: laat een afdeling van uw metgezellen, te midden van wie u zich bevindt, met u opstaan in uw gebed, en laten de overigen tegenover de vijand gericht staan. En het is achterwege gelaten te vermelden wat de overige groepen, die niet met de Profeet ﷺ bidden, behoren te doen, omdat de genoemde bewoording wijst op wat ermee bedoeld is, en het vermelde voldoende maakt het weggelatene te vermelden. { وليأخذوا أسلحتهم } (en laten zij hun wapens nemen). De geleerden van de uitleg verschilden van mening over de groep die bevolen wordt de wapens te nemen. Sommigen van hen zeiden: het is de groep die met de Boodschapper van Allah ﷺ bad. Hij zei: en de betekenis van de bewoording is: { وليأخذوا } (en laten zij nemen), dat wil zeggen: en laat de groep die met u bidt uit hun gelederen { أسلحتهم } (hun wapens) nemen. En het wapen dat hun bevolen werd te nemen, droegen zij bij zich tijdens hun gebed, zoals het zwaard dat een van hen omgordt, en het mes en de dolk die hij aan zijn maliënkolder en de kleding die hij aan heeft bindt, en dergelijke van zijn wapentuig. En anderen zeiden: nee, de groep die bevolen werd onder hen de wapens te nemen, is de groep die tegenover de vijand stond en niet met de Boodschapper van Allah ﷺ bad. En dat is de uitspraak van Ibn ʿAbbās. 8179 - Dit heeft al-Muthannā mij verteld, hij zei: Abū Ṣāliḥ heeft ons verteld, Muʿāwiya heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī ibn Abī Ṭalḥa, op gezag van Ibn ʿAbbās: { فإذا سجدوا } (en wanneer zij zich neerwerpen), zegt: e

  3. doden van hun profeet. "En zij gaven zich niet over", dat wil zeggen: en zij vernederden zich niet zodat zij zich onderdanig zouden buigen voor hun vijand door diens religie binnen te treden … vrees voor hem; maar zij gingen voorwaarts op hun helder inzicht en de weg van hun profeet, geduldig volhardend in het gebod van Allah en het gebod van hun profeet, en in gehoorzaamheid aan Allah

    Toon meer ↓

    De uitleg van Zijn uitspraak, verheven is Hij: { وَكَأَيِّنْ مِنْ نَبِيٍّ } ("En hoeveel profeten…"). Abū Jaʿfar zei: De recitatoren verschillen over de lezing hiervan: Sommigen lazen het: (وَكَأَيِّنْ), met een hamza op de "alif" en een verdubbeling (tashdīd) van de "yāʾ". * * * Anderen lazen het met verlenging (madd) van de "alif" en verlichting (takhfīf) van de "yāʾ". * * * Het zijn twee bekende lezingen onder de recitaties van de moslims, en twee welbekende taalvarianten, waartussen geen verschil in betekenis bestaat. Met welke van de twee lezingen een recitator dit dan ook reciteert, hij heeft het juiste getroffen, vanwege de overeenstemming in de betekenis ervan en hun beider bekendheid in de taal van de Arabieren. De betekenis ervan is: "en hoeveel profeten". * * * De uitleg van Zijn uitspraak: { قَاتَلَ مَعَهُ رِبِّيُّونَ كَثِيرٌ } ("met wie talrijke godvruchtige scharen streden"). Abū Jaʿfar zei: De recitatoren verschillen over de lezing van Zijn uitspraak: "qutila maʿahu ribbiyyūn" (58). Een groep van de recitatoren van de Hijāz en Basra las het: (قُتِلَ), met een ḍamma op de "qāf" [d.w.z. passief: "werd gedood"]. * * * Een andere groep las het met een fatḥa op de "qāf" en "met de alif" (59) [d.w.z. qātala: "streed"]. Dat is de lezing van een groep recitatoren van de Hijāz en Kūfa. * * * Abū Jaʿfar zei: Wat betreft degene die (قَاتَلَ — "streed") las, hij koos dit omdat hij zei: als zij gedood waren (qutilū), zou er voor Zijn uitspraak { فَمَا وَهَنُوا } ("zo verzwakten zij niet") geen bekende, begrijpelijke strekking zijn, want het is onmogelijk dat men hen beschrijft als niet versaagd en niet verzwakt nádat zij gedood zijn. En degenen die dit lazen als (قُتِلَ — "werd gedood"), zij zeiden: met het doden werd uitsluitend de profeet bedoeld en een deel van de godvruchtigen (ribbiyyūn) die met hem waren, niet zij allen; en het versagen en de zwakte werden enkel ontkend van wie van de ribbiyyūn overbleven, van hen die niet gedood werden. * * * Abū Jaʿfar zei: En de meest juiste van de twee lezingen hierin is naar ons oordeel de lezing van wie het las met een ḍamma op de "qāf": ("qutila maʿahu ribbiyyūna kathīr" — "met wie talrijke godvruchtige scharen waren, werd gedood"), omdat Allah, machtig en verheven is Hij, met dit vers en de verzen ervóór juist degenen berispte — vanaf Zijn uitspraak: { أَمْ حَسِبْتُمْ أَنْ تَدْخُلُوا الْجَنَّةَ وَلَمَّا يَعْلَمِ اللَّهُ الَّذِينَ جَاهَدُوا مِنْكُمْ } ("Of dachten jullie dat jullie het paradijs zouden binnengaan terwijl Allah nog niet kent wie van jullie zich hebben ingespannen") (60) — die op de dag van Uḥud op de vlucht sloegen en de strijd staakten, of de schreeuwer hoorden roepen: "Voorwaar, Mohammed is gedood." Allah, machtig en verheven is Hij, verweet hun dus hun vlucht en hun staken van de strijd en zei: "Als Mohammed dan sterft of gedood wordt, o gelovigen, keren jullie je dan af van jullie religie en wenden jullie je op je hielen om?" Vervolgens deelde Hij hun mee over wa

  4. niet naartoe gingen. * * * Anderen zeiden: Allah, verheven is Zijn lof, bedoelde daarmee de genade waarmee Hij de gelovigen begunstigde door Zijn Profeet ﷺ in kennis te stellen van datgene wat zijn vijand en de hunne … Profeet ﷺ en zei: "Wie zal u tegen mij beschermen?" En de Profeet ﷺ zei: "Allah." Toen stak de bedoeien het zwaard weer in de schede. Daarop riep de Profeet ﷺ zijn metgezellen en deelde

    Toon meer ↓

    De uitleg van Zijn woord, machtig is Zijn vermelding: {يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا اذْكُرُوا نِعْمَةَ اللَّهِ عَلَيْكُمْ إِذْ هَمَّ قَوْمٌ أَنْ يَبْسُطُوا إِلَيْكُمْ أَيْدِيَهُمْ فَكَفَّ أَيْدِيَهُمْ عَنْكُمْ} ("O gij die gelooft, gedenkt de genade van Allah jegens u, toen een volk overwoog zijn handen naar u uit te strekken, maar Hij hun handen van u afhield.") Abū Jaʿfar zei: Met Zijn woord, verheven is Zijn lof, "O gij die gelooft" bedoelt Hij: o gij die de erkenning van de eenheid van Allah (tawḥīd) en de boodschap van Zijn boodschapper ﷺ en datgene wat hij van bij hun Heer tot hen heeft gebracht, hebt beleden. "Gedenkt de genade van Allah jegens u", gedenkt de genade waarmee Allah u heeft begunstigd, en weest Hem daarvoor dankbaar door Hem te vervullen wat gij Hem aan verbond hebt toegezegd, en de verdragen die gij met uw Profeet ﷺ daaromtrent hebt gesloten. Vervolgens beschreef Hij Zijn genade, waarvoor Hij — verheven is Zijn lof — hun dankbaarheid gebood, naast Zijn overige genaden, en zei: zij is Zijn afhouden van u van de handen van het volk dat overwoog u te overweldigen, zodat Hij hen van u afwendde en zich plaatste tussen hen en datgene wat zij met u voorhadden. * * * Vervolgens verschilden de uitleggers van mening over de aard van deze genade waaraan Allah, verheven is Zijn lof, de metgezellen van Zijn Profeet ﷺ herinnerde en waarvoor Hij hun dankbaarheid jegens Hem gebood. Sommigen van hen zeiden: Het is Allahs redding van Zijn Profeet Muḥammad ﷺ en diens metgezellen van datgene wat de Joden van de Banū l-Naḍīr met hem hadden voorgehad op de dag dat zij tot hen kwamen om hen te verzoeken het bloedgeld (diya) te dragen voor de twee mannen van de ʿĀmiriyyīn die ʿAmr ibn Umayya al-Ḍamrī had gedood. Vermelding van wie dat zei: 11557 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Muḥammad ibn Isḥāq, op gezag van ʿĀṣim ibn ʿUmar ibn Qatāda en ʿAbd Allāh ibn Abī Bakr, die beiden zeiden: De Boodschapper van Allah ﷺ ging uit naar de Banū l-Naḍīr om hun hulp te vragen bij het bloedgeld van de twee ʿĀmiriyyīn die ʿAmr ibn Umayya al-Ḍamrī had gedood. Toen hij bij hen kwam, trokken sommigen van hen zich met elkaar terug en zeiden: "Gij zult Muḥammad nooit dichterbij vinden dan nu. Wie is de man die naar de top van dit huis klimt en een rotsblok op hem werpt en ons zo van hem verlost?" Toen zei ʿAmr ibn Jaḥḥāsh ibn Kaʿb: "Ik." Het bericht bereikte de Boodschapper van Allah ﷺ, en hij wendde zich van hen af, waarop Allah, machtig is Zijn vermelding, over hen en over datgene wat hij en zijn volk hadden voorgehad neerzond: "O gij die gelooft, gedenkt de genade van Allah jegens u, toen een volk overwoog zijn handen naar u uit te strekken..." — de gehele ayah. 11558 — Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, omtrent het woord van Allah: "toen een volk overwoog zijn handen naar u uit te strekken"

  5. jaar in zijn handen, gemarteld door de Magiers en hun zonen - terwijl er onder hen profeten en zonen van profeten waren. Daarna erbarmde Allah Zich over hen en openbaarde aan Kurash, een gelovige koning … zijn koninkrijk als opvolger aanstelle wie hij wil van zijn familie, want hij gaat sterven." De profeet Shaʿyaʾ ging naar de koning Siddiqa en zei hem dat. Hierop wendde de koning zijn gezicht naar

    Toon meer ↓

    Hij, verheven zij Zijn herinnering, zegt: "Wij hebben aan de Kinderen van Israël in het Boek medegedeeld" — dat wil zeggen: Wij hebben hun dit bekendgemaakt en in kennis gesteld — {لَتُفْسِدُنَّ فِي الأَرْضِ مَرَّتَيْنِ وَلَتَعْلُنَّ عُلُوًّا كَبِيرًا} ("gij zult zeker tweemaal verderf zaaien op aarde, en gij zult zeker een hoge overmoed tonen"). Hij zegt: Jullie zullen Allah ongehoorzaam zijn en Zijn bevel in Zijn landen overtreden, tweemaal; en jullie zullen je tegenover Allah verheffen door jullie brutaliteit jegens Hem op een geweldige en grote wijze. Overeenkomstig wat wij daarover gezegd hebben, spraken ook de geleerden van de uitleg. Ibn Zayd zei, zoals Yūnus ons berichtte — hij zei: Ibn Wahb berichtte ons, hij zei: Ibn Zayd zei over het woord van Allah {وَقَضَيْنَا إِلَى بَنِي إِسْرَائِيلَ}: "Wij deelden het de Kinderen van Israël mede." ʿAlī ibn Dāwūd heeft mij verteld, hij zei: Abū Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī, op gezag van Ibn ʿAbbās, over het woord {وَقَضَيْنَا إِلَى بَنِي إِسْرَائِيلَ}: hij zei: "Wij deelden het hun mede." En anderen zeiden: de betekenis hiervan is "Wij beschikten over de Kinderen van Israël in de Moeder van het Boek en in Zijn voorafgaande kennis." Degenen die dat zeiden worden hier vermeld: Muḥammad ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: mijn oom heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās: {وَقَضَيْنَا إِلَى بَنِي إِسْرَائِيلَ} — hij zei: "Dat is een beschikking die over hen was uitgevaardigd." Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over het woord {وَقَضَيْنَا إِلَى بَنِي إِسْرَائِيلَ}: "Een beschikking die Allah over dat volk uitvaardigde, zoals jullie het horen." En anderen zeiden: de betekenis is "Wij berichtten." Degenen die dat zeiden worden hier vermeld: Muḥammad ibn ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld; en al-Ḥārith heeft mij verteld, hij zei: al-Ḥasan heeft ons verteld, hij zei: Warqāʾ heeft ons verteld — beiden op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, over het woord {وَقَضَيْنَا إِلَى بَنِي إِسْرَائِيلَ فِي الْكِتَابِ}: hij zei: "Wij berichtten de Kinderen van Israël." Al deze uitspraken komen in hun betekenis overeen met wat ik heb gezegd over de betekenis van {وَقَضَيْنَا}, ook al is de uitleg die wij verkozen de meest correcte, gezien het feit dat de Koranrecitators het woord {لَتُفْسِدُنَّ} eenstemmig lezen met de tāʾ (tweede persoon) in plaats van de yāʾ (derde persoon). Want als de betekenis "Wij beschikten over hen in het Boek" zou zijn, dan zou de yāʾ-lezing de voorkeur verdienen boven de tāʾ-lezing; maar omdat de betekenis "Wij deelden hun mede en zeiden hun" is, is de tāʾ meer passend en heeft de voorkeur wegens de aanspreekvorm. Het verderf van de Kinderen van Israël op aarde in de eerste maal wa

  6. moslim werd nooit getwijfeld, behalve op die dag. Ik ging naar de Profeet ﷺ en zei: Zijn wij niet in het recht en is onze vijand niet in het ongelijk? Hij zei: Jawel … Toen ging ik naar Abu Bakr en zei: Is dit niet werkelijk de Profeet van Allah? Hij zei: Jawel. Ik zei: Zijn wij niet in het recht en is onze vijand niet in het ongelijk

    Toon meer ↓

    De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: {Zij zijn het die ongelovig waren en jullie afhielden van de Heilige Moskee, en het offerdier (hady) tegenhielden, vastgehouden, zodat het zijn bestemming niet kon bereiken. En als er geen gelovige mannen en gelovige vrouwen waren geweest die jullie niet kenden — die jullie hadden kunnen vertrappen, zodat jullie zonder het te weten van hun kant schuld op je geladen zouden hebben — [dan zou het anders gegaan zijn]; opdat Allah in Zijn barmhartigheid zou doen binnentreden wie Hij wil. Als zij zich van elkaar gescheiden hadden, dan zouden Wij degenen onder hen die ongelovig waren met een pijnlijke bestraffing gestraft hebben} (48:25). De Verhevene, wiens lof verheven is, zegt: deze polytheïsten van Quraysh zijn het die de eenheid van Allah (tawḥīd) loochenden en jullie, o gelovigen in Allah, afhielden van het binnentreden in de Heilige Moskee (al-masjid al-ḥarām), en het offerdier (hady) tegenhielden, vastgehouden — Hij zegt: belet om zijn bestemming te bereiken. De plaats van het woord "an" (dat) staat in de accusatief, hetzij door verbinding — als je dat wilt — met "maʿkūf" (tegengehouden), hetzij met "ṣaddū" (zij hielden af). En een van de grammatici van Basra placht hierover te zeggen: en zij hielden het offerdier tegen, vastgehouden, uit afkeer ervan dat het zijn bestemming zou bereiken. En met Zijn uitspraak, de Verhevene, wiens lof verheven is: {zodat het zijn bestemming bereikt} bedoelde Hij dat het de plaats van zijn slachting zou bereiken, en dat is het binnentreden van het Heiligdom (al-ḥaram) en de plaats waar, wanneer het daar is aangekomen, het toegestaan is om het te slachten. En de Boodschapper van Allah ﷺ had bij die tocht naar Mekka zeventig offerkamelen (budn) met zich meegevoerd. Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, hij zei: Muḥammad ibn Isḥāq heeft mij verteld, op gezag van Muḥammad ibn Muslim al-Zuhrī, op gezag van ʿUrwa ibn al-Zubayr, op gezag van al-Miswar ibn Makhrama en Marwān ibn al-Ḥakam, dat zij beiden hem verteld hebben, zij zeiden: De Boodschapper van Allah ﷺ trok uit in het jaar van al-Ḥudaybiya, met de bedoeling het Huis te bezoeken, zonder de bedoeling te strijden. Hij voerde het offerdier met zich mee, zeventig offerkamelen, en het volk telde zevenhonderd man, zodat elke offerkameel voor tien [man] stond. En in overeenstemming met wat wij gezegd hebben over de betekenis van Zijn uitspraak {Zij zijn het die ongelovig waren en jullie afhielden van de Heilige Moskee, en het offerdier tegenhielden, vastgehouden, zodat het zijn bestemming niet kon bereiken}, spraken de mensen van de uitleg (ahl al-taʾwīl). * Vermelding van wie dat gezegd heeft: Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over Zijn uitspraak {Zij zijn het die ongelovig waren en jullie afhielden van de Heilige Moskee, en het offerdier tegenhielden, vastgehouden}: dat wil zeggen tegengehouden {zodat het zijn b

  7. profeet in zijn gebedsplaats verbleef, toen de vijand van Allah op hem afkwam en tussen hem en de richting van het gebed (qibla) ging zitten. De profeet bracht Allah de lofde

    Toon meer ↓

    Zijn woord { إِنَّ عِبَادِي لَيْسَ لَكَ عَلَيْهِمْ سُلْطَانٌ إِلا مَنِ اتَّبَعَكَ مِنَ الْغَاوِينَ } ("Voorwaar, over Mijn dienaren heb jij geen macht, behalve over degenen van de dwalenden die jou volgen"): De Verhevene — gezegend zij Zijn gedachtenis — zegt: Over Mijn dienaren heb jij geen bewijs (ḥujja), behalve over degene die jou volgt in datgene waartoe jij hem hebt geroepen aan dwaling — uit degenen die zijn afgedwaald en verloren zijn gegaan. Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Suwayd heeft ons verteld, hij zei: Ibn al-Mubārak heeft ons bericht, op gezag van Ubaydullāh ibn Mūhib, hij zei: Yazīd ibn Qusayṭ heeft ons verteld, hij zei: De profeten hadden buiten hun dorpen gebedsplaatsen; wanneer een profeet zijn Heer over iets wilde raadplegen, vertrok hij naar zijn gebedsplaats, bad zoveel als Allah hem had voorgeschreven, en vroeg vervolgens wat hem goed dacht. Zo was het op een dag dat een profeet in zijn gebedsplaats verbleef, toen de vijand van Allah op hem afkwam en tussen hem en de richting van het gebed (qibla) ging zitten. De profeet bracht Allah de lofde toe en zei: "Ik zoek mijn toevlucht bij Allah voor de verdreven Shaytān." De vijand van Allah zei: "Degene bij wie jij bescherming zoekt, dat is hij." De profeet herhaalde dit drie maal. Toen zei de vijand van Allah: "Vertel mij waarmee jij je voor mij behoedt." De profeet zei: "Vertel mij liever waarmee jij de zoon van Adam overwint" — dit twee maal. Beiden hielden elkaar aan dit vast. De profeet zei: "Voorwaar, Allah — de Verhevene — gezegend zij Zijn gedachtenis — zegt: { إِنَّ عِبَادِي لَيْسَ لَكَ عَلَيْهِمْ سُلْطَانٌ إِلا مَنِ اتَّبَعَكَ مِنَ الْغَاوِينَ }." De vijand van Allah zei: "Dit heb ik al gehoord voordat jij geboren werd." De profeet zei: "En Allah de Verhevene zegt: { وَإِمَّا يَنزَغَنَّكَ مِنَ الشَّيْطَانِ نَزْغٌ فَاسْتَعِذْ بِاللَّهِ إِنَّهُ سَمِيعٌ عَلِيمٌ } ('En wanneer een aansporing van de Shaytān jou zou aansporen, zoek dan uw toevlucht bij Allah; voorwaar, Hij is de Alhorende, de Alwetende'). En bij Allah, telkens wanneer ik jou bespeurde, zocht ik mijn toevlucht bij Allah voor jou." De vijand van Allah zei: "Daarin spreek jij de waarheid; daarmee behoed jij je voor mij." De profeet zei: "Vertel mij nu waarmee jij de zoon van Adam overwint." Hij zei: "Ik grijp hem bij het moment van zijn woede en bij het moment van zijn begeerte."

  8. vijand voor wie hen vijandig is, en een vredespartner voor wie met hen vrede sluit; het betaamt Jibril niet vrede te sluiten met de vijand van Mikaʾil, noch Mikaʾil vrede te sluiten met de vijandvijand is van hem die aan Zijn rechterzijde is, een vijand is van hem die aan Zijn linkerzijde is; en hij die een vijand is van hem die aan Zijn linkerzijde is, een vijand

    Toon meer ↓

    De uitleg van de woorden van Hem, verheven is Zijn lof: {قُلْ مَنْ كَانَ عَدُوًّا لِجِبْرِيلَ فَإِنَّهُ نَزَّلَهُ عَلَى قَلْبِكَ بِإِذْنِ اللَّهِ} (Zeg: Wie een vijand is van Jibrīl — voorwaar, hij heeft het op uw hart neergezonden met toestemming van Allah) Abū Jaʿfar zei: De geleerden van de uitleg (taʾwīl) zijn het er allemaal over eens dat dit vers werd geopenbaard als antwoord op de joden van de Banū Isrāʾīl, toen zij beweerden dat Jibrīl hun vijand was, en dat Mīkāʾīl hun beschermheer (walī) was. Vervolgens verschilden zij van mening over de aanleiding waarom zij dat zeiden. Sommigen van hen zeiden: De aanleiding dat zij dit zeiden, was vanwege een dispuut dat plaatsvond tussen hen en de Boodschapper van Allah ﷺ over de zaak van zijn profeetschap. * Vermelding van wie dat heeft gezegd: 1605 — Abū Kurayb heeft ons verteld, hij zei: Yūnus ibn Bukayr heeft ons verteld, op gezag van ʿAbd al-Ḥamīd ibn Bahrām, op gezag van Shahr ibn Ḥawshab, op gezag van Ibn ʿAbbās, dat hij zei: Een groep joden kwam bij de Boodschapper van Allah ﷺ en zei: "O Abū al-Qāsim, vertel ons over zaken die wij u zullen vragen, die niemand kent behalve een profeet." Toen zei de Boodschapper van Allah ﷺ: "Vraag waar u maar wilt, maar geef mij de verbintenis van Allah, en wat Yaʿqūb van zijn zonen heeft afgenomen: dat als ik u iets vertel dat u dan herkent, u mij dan zult volgen in de islam." Zij zeiden: "Dat zij u toegezegd." Toen zei de Boodschapper van Allah ﷺ: "Vraag mij waar u maar wilt." Zij zeiden: "Bericht ons over vier zaken die wij u vragen: bericht ons, welk voedsel verklaarde Isrāʾīl voor zichzelf verboden voordat de Torah werd neergezonden? En bericht ons, hoe is het vocht van de vrouw en het vocht van de man? En hoe wordt daaruit het mannelijke en het vrouwelijke? En bericht ons over deze ongeletterde profeet (al-nabī al-ummī) in de slaap, en wie van de engelen zijn beschermheer is?" Toen zei de Boodschapper van Allah ﷺ: "Op u rust het verbond van Allah dat, als ik u dit bericht, u mij dan zult volgen!" Toen gaven zij hem wat hij wenste aan verbond en overeenkomst. Toen zei hij: "Ik bezweer u bij Hem die de Torah aan Mūsā neerzond, weet u dat Isrāʾīl een zware ziekte kreeg en zijn kwaal lang aanhield, en hij toen een gelofte aflegde dat, als Allah hem van zijn kwaal zou genezen, hij stellig het hem meest geliefde voedsel en de meest geliefde drank verboden zou maken — en het hem meest geliefde voedsel was kamelenvlees" — Abū Jaʿfar zei: zoals ik overlever: "en de hem meest geliefde drank was hun melk?" Zij zeiden: "O Allah, ja." Toen zei de Boodschapper van Allah ﷺ: "Ik roep Allah als getuige tegen u op, en ik bezweer u bij Allah, naast wie er geen god is, die de Torah aan Mūsā neerzond: weet u dat het vocht van de man wit en dik is, en dat het vocht van de vrouw geel en dun is, en dat wie van beide overheerst, voor zich het kind en de gelijkenis krijgt, met toestemming van Allah? Zo, wanneer het vocht van de man het vocht van de vrouw overheerst, het kind

  9. betekenis: wij gingen daaruit op reis daarheen, en wij begonnen vandaar de tocht erheen. Zij zeiden: De uitleg van de meeste uitleggers luidt dat het volk bij hun vlucht voor hun vijand de bodem … jullie broeders werd gedood, en de overhand van jullie vijand over jullie, en wat in jullie zelf opkwam door de uitspraak van wie zei: "jullie profeet is gedood" - dat was van wat zich opeenvolgend over

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: {إِذْ تُصْعِدُونَ وَلا تَلْوُونَ عَلَى أَحَدٍ وَالرَّسُولُ يَدْعُوكُمْ فِي أُخْرَاكُمْ} (Toen jullie heuvelopwaarts vluchtten zonder naar iemand om te zien, terwijl de Boodschapper jullie van achteren toeriep.) Abū Jaʿfar zei: Hiermee bedoelt Hij, machtig is Zijn lof: En Hij heeft jullie zeker vergeven, o gelovigen, toen Hij jullie niet uitroeide door als straf voor jullie zonden en jullie vlucht jullie gezelschap te vernietigen. "Toen jullie heuvelopwaarts vluchtten zonder naar iemand om te zien." De recitatoren verschilden van mening over de lezing daarvan. De meerderheid van de recitatoren van de Hijāz, Irak en Syrië, met uitzondering van al-Ḥasan al-Baṣrī, las het als (إِذْ تُصْعِدُونَ) met een ḍamma op de "tāʾ" en een kasra op de "ʿayn". En dat is de lezing volgens ons, vanwege de eensgezindheid van de gezaghebbende recitatoren over die lezing en hun afkeuring van wat daarvan afwijkt. Van al-Ḥasan al-Baṣrī is overgeleverd dat hij het las als (إِذْ تَصْعَدُونَ) met een fatḥa op de "tāʾ" en de "ʿayn". 8047 — Aḥmad ibn Yūsuf heeft mij dat verteld, hij zei: al-Qāsim ibn Sallām heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft ons verteld, op gezag van Hārūn, op gezag van Yūnus ibn ʿUbayd, op gezag van al-Ḥasan. Wat betreft degenen die lazen (تُصْعِدُون) met een ḍamma op de "tāʾ" en een kasra op de "ʿayn": zij richtten de betekenis daarvan op het feit dat het volk, toen zij voor hun vijand vluchtten, vluchtend de vallei in trokken. En zij vermeldden dat dit in de lezing van Ubayy is: ("إِذْ تُصْعِدُونَ فِي الْوَادِي") (Toen jullie de vallei in vluchtten). 8048 — Aḥmad ibn Yūsuf heeft ons [dat] verteld, hij zei: Abū ʿUbayd heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft ons verteld, op gezag van Hārūn. Zij zeiden: Het vluchten over vlak terrein en in de bodems van de valleien en de bergpassen is "iṣʿād", niet "ṣuʿūd". Zij zeiden: "Ṣuʿūd" (het beklimmen) vindt slechts plaats op bergen, ladders en trappen, omdat de betekenis van "ṣuʿūd" het opklimmen en omhooggaan op iets is, naar boven toe. Zij zeiden: Wat betreft het zich begeven over vlak terrein en het afdalen, dat is "iṣʿād", zoals men zegt: "Wij vertrokken (aṣʿadnā) vanuit Mekka", wanneer men de reis daaruit begint en eruit vertrekt. "En wij vertrokken (aṣʿadnā) vanuit Kūfa naar Khurāsān", met de betekenis: wij gingen daaruit op reis daarheen, en wij begonnen vandaar de tocht erheen. Zij zeiden: De uitleg van de meeste uitleggers luidt dat het volk bij hun vlucht voor hun vijand de bodem van de vallei in trok. Vermelding van wie dat zei: 8049 — Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: "zonder naar iemand om te zien", dat was op de dag van Uḥud, zij trokken vluchtend de vallei in, terwijl de profeet van Allah, Allah zegene hem en geve hem vrede, hen van achteren toeriep: "Naar mij, dienaren van Allah! Naar mij, dienaren van Allah!" Abū Jaʿfar zei: Wat betreft al-Ḥasan, ik ben van me

  10. Medina die, wanneer een van hen iets van zijn vijand vreesde, de ihram aannam en dan veilig was. En wanneer hij de ihram had aangenomen, ging hij niet via de deur van zijn huis binnen … Medina noemden de tuin "al-hushsh". De Boodschapper van Allah ﷺ ging een tuin binnen, en wel via haar poort, en met hem ging die muhrim binnen. Toen riep een man achter

    Toon meer ↓

    De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: {يَسْأَلُونَكَ عَنِ الأَهِلَّةِ قُلْ هِيَ مَوَاقِيتُ لِلنَّاسِ وَالْحَجِّ} (Zij vragen u over de nieuwe manen. Zeg: Zij zijn tijdsbepalingen voor de mensen en voor de bedevaart (ḥajj).) Abū Jaʿfar zei: Er is overgeleverd dat de Boodschapper van Allah ﷺ werd gevraagd over het wassen en afnemen van de nieuwe manen en het verschil in hun toestanden, waarop Allah — verheven is Zijn vermelding — dit vers neerzond als antwoord op datgene waar zij naar vroegen. Het vermelden van de berichten daaromtrent: 3067 — Bishr ibn Muʿādh heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over Zijn uitspraak: "Zij vragen u over de nieuwe manen. Zeg: Zij zijn tijdsbepalingen voor de mensen." Qatāda zei: Zij vroegen de Profeet van Allah ﷺ daarover: waarom zijn deze nieuwe manen ingesteld? Toen zond Allah daarover neer wat jullie horen: "Zij zijn tijdsbepalingen voor de mensen." Hij maakte ze dus voor het vasten van de moslims en voor het verbreken van hun vasten, voor hun rituelen en hun bedevaart (ḥajj), voor de wachttijd (ʿiddah) van hun vrouwen en het vervallen van hun schulden in verschillende zaken — en Allah weet het beste wat heilzaam is voor Zijn schepping. 3068 — Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: Ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van al-Rabīʿ, die zei: Aan ons is overgeleverd dat zij tot de Profeet ﷺ zeiden: waarom zijn de nieuwe manen geschapen? Toen zond Allah de Verhevene neer: "Zij vragen u over de nieuwe manen. Zeg: Zij zijn tijdsbepalingen voor de mensen en voor de bedevaart." Allah maakte ze tot tijdsbepalingen voor het vasten van de moslims en het verbreken van hun vasten, voor hun bedevaart (ḥajj) en hun rituelen, en voor de wachttijd (ʿiddah) van hun vrouwen en het vervallen van hun schulden. 3069 — Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Maʿmar heeft ons bericht, op gezag van Qatāda, over Zijn uitspraak: "tijdsbepalingen voor de mensen en voor de bedevaart." Hij zei: Het zijn tijdsbepalingen voor de mensen in hun bedevaart, hun vasten, het verbreken van hun vasten en hun rituelen. 3070 — Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: Al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, die zei: De mensen zeiden: waarom zijn de nieuwe manen geschapen? Toen werd neergezonden: "Zij vragen u over de nieuwe manen. Zeg: Zij zijn tijdsbepalingen voor de mensen" — voor hun vasten, het verbreken van hun vasten, hun bedevaart en hun rituelen. Hij zei: Ibn ʿAbbās zei: en de tijd van hun bedevaart, de wachttijd (ʿiddah) van hun vrouwen en het vervallen van hun schulden. 3071 — Mūsā ibn Hārūn heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr ibn Ḥammād heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: "Zij vragen u over de nieuwe manen. Zeg: Zij zijn tijdsbepalingen voor de mensen" — dat zijn de

  11. bent de Barmhartigste der barmhartigen."} De Verhevene, wiens lof verheven is, zegt tot Zijn profeet Muhammad, de Profeet ﷺ: En gedenk Ayyub, o Muhammad, toen hij zijn Heer aanriep terwijl de tegenspoed en de beproeving … voor hem een bron, waarin hij naar binnen ging en zich waste, en Allah nam van hem weg alles wat hem aan beproeving trof. Daarna ging hij naar buiten en zette zich neer; en zijn

    Toon meer ↓

    En Ayyūb, toen hij zijn Heer aanriep: "Voorwaar, de tegenspoed heeft mij getroffen, en U bent de Barmhartigste der barmhartigen." De uitleg van Zijn woord, de Verhevene: {En Ayyūb, toen hij zijn Heer aanriep: "Voorwaar, de tegenspoed heeft mij getroffen, en U bent de Barmhartigste der barmhartigen."} De Verhevene, wiens lof verheven is, zegt tot Zijn profeet Muḥammad, de Profeet ﷺ: En gedenk Ayyūb, o Muḥammad, toen hij zijn Heer aanriep terwijl de tegenspoed en de beproeving hem hadden getroffen. De tegenspoed die hem trof en de beproeving die op hem neerdaalde, waren een toetsing van Allah voor hem en een beproeving. En de oorzaak daarvan was zoals: 18673 - Muḥammad ibn Sahl ibn ʿAskar al-Bukhārī heeft mij verteld, hij zei: Ismāʿīl ibn ʿAbd al-Karīm ibn Hishām heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Ṣamad ibn Maʿqil heeft mij verteld, hij zei: ik hoorde Wahb ibn Munabbih zeggen: Het begin van de zaak van Ayyūb de waarachtige, de zegeningen van Allah over hem, was dat hij geduldig was, een voortreffelijke dienaar. Wahb zei: Jibrīl heeft voor Allah een rang die geen van de engelen heeft wat betreft de nabijheid tot Allah en de gunst bij Hem; en Jibrīl is degene die het woord ontvangt. Wanneer Allah een dienaar met goeds gedenkt, ontvangt Jibrīl het van Hem, daarna ontvangt Mīkāʾīl het, en om hem heen zijn de nabije engelen, geschaard rondom de Troon. En wanneer dit zich verspreidde onder de nabije engelen, werd de zegenbede over die dienaar [verricht] door de bewoners van de hemelen; en wanneer de engelen van de hemelen over hem de zegenbede verrichtten, daalden zij ermee neer naar de engelen van de aarde. En Iblīs werd door niets van de hemelen geweerd; hij stond daarin waar hij maar wilde zoals zij verlangden, en vanaf daar bereikte hij Ādam toen Hij hem uit het Paradijs verdreef. Hij bleef voortdurend zo opstijgen in de hemelen, totdat Allah ʿĪsā ibn Maryam ophief, waarna hij van vier [hemelen] werd geweerd en in drie opsteeg. Toen Allah Muḥammad ﷺ zond, werd hij van de drie overgebleven geweerd; zo is hij geweerd, hij en al zijn legers, van alle hemelen tot aan de Dag der Opstanding, {behalve wie steelsgewijs luistert, hem volgt dan een heldere vlam} (15:18). En daarom ontkenden de djinn wat zij placht te weten, toen zij zeiden: {En wij raakten de hemel aan en bevonden dat die vervuld was met sterke bewaking} (72:8) tot aan Zijn woord: {een wachtende vlam} (72:9). Wahb zei: Iblīs werd door niets verontrust dan door het over en weer roepen van haar engelen met de zegenbede over Ayyūb, en dat was toen Allah hem gedacht en geprezen had. Toen Iblīs de zegenbede van de engelen hoorde, overviel hem de opstandigheid en de afgunst, en hij steeg snel op totdat hij van Allah stond op een plaats waar hij placht te staan, en hij zei: "O mijn God, ik heb gekeken naar de zaak van Uw dienaar Ayyūb, en ik bevond hem een dienaar over wie U gunsten hebt uitgestort, waarop hij U dankte, en die U gezondheid hebt geschonken, waarop hij U prees; maar U hebt hem niet

  12. jouw gemeenschap afgedwaald zijn. Daarna werden voor hem Adam en de profeten beneden hem opgewekt, en de Boodschapper van Allah ﷺ ging hen die nacht in het gebed voor. Daarna zei Jibril tegen … Gewijde Moskee naar de Verste Moskee} - hij zei: De Profeet ﷺ vertelde ons over de nacht waarin hij bij nacht werd doen reizen, en de Profeet van Allah ﷺ zei: "Mij werd een rijdier gebracht

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn verheven uitspraak: ﴿Verheven is Hij die Zijn dienaar bij nacht deed reizen, van de Gewijde Moskee naar de Verste Moskee, waarvan Wij de omgeving hebben gezegend, opdat Wij hem enkele van Onze tekenen zouden tonen. Voorwaar, Hij is de Alhorende, de Alziende (1)﴾ Abū Jaʿfar Muḥammad ibn Jarīr al-Ṭabarī zei: De Verhevene, wiens vermelding verheven is, bedoelt met Zijn verheven uitspraak {Verheven is Hij die Zijn dienaar bij nacht deed reizen} een verheerlijking van Hem die Zijn dienaar bij nacht deed reizen, en een vrijspraak van Hem van wat de polytheïsten (mushrikīn) over Hem zeggen: dat Hij uit Zijn schepping een deelgenoot zou hebben, dat Hij een gezellin en een kind zou hebben — en een verhoging en verheerlijking van Hem boven datgene wat zij Hem toeschreven en wat zij Hem toedichtten uit hun onwetendheid en uit de dwaling van hun uitspraken. Ik heb reeds eerder uiteengezet dat Zijn uitspraak "subḥāna" een zelfstandig naamwoord is dat in de plaats van de oneindige werkwoordsvorm (maṣdar) is gesteld, en dus in de accusatief staat omdat het in diens plaats valt, op een wijze die het overbodig maakt het op deze plaats te herhalen. En sommigen plachten te zeggen: het staat in de accusatief omdat het niet gekwalificeerd wordt. De Arabieren gebruiken het woord "tasbīḥ" (verheerlijking) op verschillende plaatsen. Daartoe behoort het gebed (ṣalāh): veel exegeten plachten de uitspraak van Allah {Ware het niet dat hij tot hen behoorde die [Allah] verheerlijken} zo uit te leggen: ware het niet dat hij tot hen behoorde die het rituele gebed verrichten. En daartoe behoort het maken van een voorbehoud (istithnāʾ): sommigen plachten de verheven uitspraak van Allah {Heb ik jullie niet gezegd: hadden jullie maar [Allah] verheerlijkt?} zo uit te leggen: hadden jullie maar een voorbehoud gemaakt. Men beweerde dat dit de taal is van sommige inwoners van Jemen, en men voert ter staving van de juistheid van die uitleg Zijn uitspraak aan: {Toen zij zwoeren dat zij die [tuin] zeker in de ochtend zouden oogsten, en geen voorbehoud maakten} {De gematigdste onder hen zei: heb ik jullie niet gezegd: hadden jullie maar [Allah] verheerlijkt?} — waarmee hij hen herinnerde aan hun nalaten van het voorbehoud. En daartoe behoort het licht: sommigen plachten in de overlevering die over de Profeet ﷺ wordt overgeleverd — "Ware dat niet, dan zou de luister van Zijn gelaat alles verbranden wat Zijn blik bereikt" — uit te leggen dat hij met zijn uitspraak "de luister van Zijn gelaat" het licht van Zijn gelaat bedoelde. En in overeenstemming met wat wij gezegd hebben over de uitleg van Zijn uitspraak {Verheven is Hij die Zijn dienaar bij nacht deed reizen}, spraken de exegeten. Vermelding van wie dat zei: 16613 — Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: al-Thawrī heeft ons bericht, op gezag van ʿUthmān ibn Mawhab, op gezag van Mūsā ibn Ṭalḥa, op gezag van de Profeet ﷺ, dat hem werd gevraagd over h

  13. Laat hem en zijn woning." Toen gingen zij naar hem toe, en hij zei: "Welnu, nu het bevel van de Profeet ﷺ is gekomen, dan goed." Ibn Humayd heeft ons verteld, hij zei: Salama … Harith ibn Abi Dirar, de vader van Juwayriya bint al-Harith, de echtgenote van de Profeet ﷺ. Toen de boodschapper van Allah ﷺ van hen hoorde, trok hij tegen hen uit, totdat hij hen aantrof

    Toon meer ↓

    De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: deze hypocrieten (munāfiqūn), wier eigenschap Hij eerder heeft beschreven, zeggen: {لَئِنْ رَجَعْنَا إِلَى الْمَدِينَةِ لَيُخْرِجَنَّ الأعَزُّ مِنْهَا الأذَلَّ} ("Indien wij naar Medina terugkeren, zal voorzeker de machtigste de geringste daaruit verdrijven"). En met "de machtigste" bedoelt hij: de sterkste en de krachtigste. Allah, machtig is Zijn lof, zegt: {وَلِلَّهِ الْعِزَّةُ} ("En aan Allah behoort de macht"), dat wil zeggen: de kracht en de sterkte, {وَلِرَسُولِهِ وَلِلْمُؤْمِنِينَ} ("en aan Zijn boodschapper en aan de gelovigen") in Allah, {وَلَكِنَّ الْمُنَافِقِينَ لا يَعْلَمُونَ} ("maar de hypocrieten weten het niet"). En er is vermeld dat de aanleiding waarom dit door ʿAbd Allāh ibn Ubayy werd gezegd, hierin lag dat een man van de Uitgewekenen (muhājirūn) een man van de Helpers (anṣār) met de voet een trap gaf. * Vermelding van wie dat zei: Muḥammad ibn Maʿmar heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀmir heeft ons verteld, hij zei: Zamʿa heeft ons verteld, op gezag van ʿAmr, hij zei: ik hoorde Jābir ibn ʿAbd Allāh zeggen: de Helpers waren talrijker dan de Uitgewekenen, daarna namen de Uitgewekenen in aantal toe, en zij trokken uit voor een veldtocht (ghazwah) van hen; toen gaf een man van de Uitgewekenen een man van de Helpers een trap met de voet. Hij zei: en er ontstond tussen hen tweeën een gevecht, totdat hij riep: "O gezelschap van de Helpers!" en de Uitgewekene riep: "O gezelschap van de Uitgewekenen!" Hij zei: en dat bereikte de Profeet ﷺ, en hij zei: "Wat is er met jullie en de roep van de tijd van onwetendheid (jāhiliyyah)?" Zij zeiden: een man van de Uitgewekenen heeft een man van de Helpers een trap gegeven. Hij zei: toen zei de boodschapper van Allah ﷺ: "Laat het, want het is een stinkende zaak." Hij zei: toen zei ʿAbd Allāh ibn Ubayy ibn Salūl: "Indien wij naar Medina terugkeren, zal voorzeker de machtigste de geringste daaruit verdrijven." Toen zei ʿUmar: "O boodschapper van Allah, laat mij hem doden." Hij zei: toen zei de boodschapper van Allah ﷺ: "De mensen zullen niet vertellen dat de boodschapper van Allah zijn metgezellen doodt." Muḥammad ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: mijn oom heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās, over Zijn woord: {يَقُولُونَ لَئِنْ رَجَعْنَا إِلَى الْمَدِينَةِ} ("Zij zeggen: Indien wij naar Medina terugkeren …") tot aan {وَلِلَّهِ الْعِزَّةُ وَلِرَسُولِهِ} ("En aan Allah behoort de macht en aan Zijn boodschapper"). Hij zei: dat zei ʿAbd Allāh ibn Ubayy ibn Salūl al-Anṣārī, het hoofd van de hypocrieten, en een aantal mensen met hem van de hypocrieten. Aḥmad ibn Manṣūr al-Ramādī heeft mij verteld, hij zei: Ibrāhīm ibn al-Ḥakam heeft ons verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, op gezag van ʿIkrima, dat ʿAbd Allāh ibn ʿAbd Allāh ibn Ubayy ibn Salūl Ḥubāb genoemd werd, en de boodschapper van Allah ﷺ noemde hem ʿAbd Allāh. Hij zei: "O b

  14. dood van de profeet van Allah ﷺ aankondigden. Sommige mensen zeiden: "Als hij een profeet was, zou hij niet gedood zijn!" En sommige van de vooraanstaande metgezellen van de profeet van Allah ﷺ zeiden: "Strijdt … versloegen hen, en de profeet ﷺ en zijn metgezellen vielen aan en versloegen Abu Sufyan. Toen Khalid ibn al-Walid, die over de cavalerie van de polytheisten ging, dit zag, keerde hij om en viel

    Toon meer ↓

    De uitleg van Zijn woord: {وَمَا مُحَمَّدٌ إِلا رَسُولٌ قَدْ خَلَتْ مِنْ قَبْلِهِ الرُّسُلُ أَفَإِنْ مَاتَ أَوْ قُتِلَ انْقَلَبْتُمْ عَلَى أَعْقَابِكُمْ وَمَنْ يَنْقَلِبْ عَلَى عَقِبَيْهِ فَلَنْ يَضُرَّ اللَّهَ شَيْئًا وَسَيَجْزِي اللَّهُ الشَّاكِرِينَ} (144) ("En Mohammed ﷺ is niets anders dan een gezant; vóór hem zijn de gezanten reeds heengegaan. Indien hij dan sterft of gedood wordt, zoudt gij dan op uw hielen omkeren? En wie op zijn hielen omkeert, die berokkent Allah in het geheel geen schade. En Allah zal de dankbaren belonen.") (144) Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens lof verheven is, bedoelt daarmee: Mohammed ﷺ is niets anders dan een gezant, zoals een aantal van de gezanten van Allah die Hij naar Zijn schepselen heeft gezonden, oproepend tot Allah en tot gehoorzaamheid aan Hem — diegenen die, toen hun levenstermijnen ten einde liepen, stierven en die Allah tot Zich nam. De Verhevene, wiens lof verheven is, zegt: Mohammed ﷺ verkeert dus, wat betreft wat Allah met hem zal doen door hem tot Zich te nemen wanneer de termijn van zijn leven ten einde loopt, in dezelfde positie als de overige gezanten naar Zijn schepselen die vóór hem zijn heengegaan en die stierven toen de termijn van hun levenstermijnen ten einde liep. Vervolgens zei Hij tot de metgezellen van Mohammed, hen berispend om de angst en de wanhoop die zij toonden toen hun bij Uhud werd gezegd: "Mohammed is gedood", en de vlucht van degenen onder hen die zich van hun vijand afkeerden en wegvluchtten afkeurend: "Indien Mohammed dan sterft, o lieden, doordat de termijn van zijn leven ten einde loopt, of indien een vijand hem doodt — {انقلبتم على أعقابكم} ('zoudt gij dan op uw hielen omkeren') — dit betekent: zoudt gij dan afvallig worden van uw godsdienst waartoe Allah Mohammed heeft gezonden om ertoe op te roepen, en daarvan terugkeren als ongelovigen in Allah (kāfir) na erin geloofd te hebben, en nadat de juistheid van datgene waartoe Mohammed u opriep voor u duidelijk is geworden en de waarheid van datgene wat hij u van zijn Heer heeft gebracht? {ومن ينقلب على عقبيه} ('en wie op zijn hielen omkeert') — Hij bedoelt daarmee: en wie van u afvallig wordt van zijn godsdienst en als ongelovige terugkeert na zijn geloof, {فلن يضر الله شيئا} ('die berokkent Allah in het geheel geen schade') — Hij zegt: dat zal de macht van Allah noch Zijn heerschappij verzwakken, en het zal geen vermindering in Zijn koninkrijk teweegbrengen; integendeel, hij berokkent slechts zichzelf schade door zijn afvalligheid (ridda), en hij vermindert slechts zijn eigen aandeel door zijn ongeloof. {وسيجزي الله الشاكرين} ('en Allah zal de dankbaren belonen') — Hij zegt: en Allah zal degene belonen die Hem dankt voor het succes en de leiding die Hij hem schonk tot Zijn godsdienst, door zijn standvastigheid op datgene wat Mohammed ﷺ heeft gebracht, indien deze sterft of gedood wordt, en door zijn vasthouden aan diens pad en zijn vastklampen aan diens godsdienst en geloofsgemeenschap na hem. Zoals: 7938 — Al-Muthan

  15. tegen de Profeet ﷺ en zijn metgezellen in zijn dichtkunst, en hij smaadde de Profeet ﷺ. Toen gingen vijf mannen van de Ansar naar hem toe, onder wie Muhammad ibn Maslama … zeiden: "Daal dan tot ons af, opdat wij van jou kunnen aannemen en jij van ons." Toen ging hij naar beneden, maar zijn vrouw klampte zich aan hem vast en zei: "Stuur naar lieden zoals

    Toon meer ↓

    De uitleg van Zijn woord: {لَتُبْلَوُنَّ فِي أَمْوَالِكُمْ وَأَنْفُسِكُمْ وَلَتَسْمَعُنَّ مِنَ الَّذِينَ أُوتُوا الْكِتَابَ مِنْ قَبْلِكُمْ وَمِنَ الَّذِينَ أَشْرَكُوا أَذًى كَثِيرًا وَإِنْ تَصْبِرُوا وَتَتَّقُوا فَإِنَّ ذَلِكَ مِنْ عَزْمِ الأُمُورِ} (186) (Jullie zullen zeker beproefd worden in jullie bezittingen en jullie zelf, en jullie zullen zeker van degenen aan wie het Boek vóór jullie gegeven werd en van degenen die deelgenoten toekenden veel kwetsend leed horen; maar als jullie geduld betrachten en godvrezend zijn, dan behoort dat tot de vastberaden aangelegenheden.) (3:186) Abū Jaʿfar zei: De Verhevene bedoelt met Zijn woord "Jullie zullen zeker beproefd worden in jullie bezittingen": jullie zullen zeker met rampspoed beproefd worden in jullie bezittingen. "En jullie zelf", dat wil zeggen: en door het omkomen van de naaste verwanten en de stamgenoten onder degenen die jullie bijstaan en die tot jullie geloofsgemeenschap behoren. "En jullie zullen zeker van degenen aan wie het Boek vóór jullie gegeven werd horen", dat wil zeggen: van de joden, en hun uitspraak: {إِنَّ اللَّهَ فَقِيرٌ وَنَحْنُ أَغْنِيَاءُ} (Voorwaar, Allah is arm en wij zijn rijk), en hun uitspraak: {يَدُ اللَّهِ مَغْلُولَةٌ} (De hand van Allah is geketend), en wat daarop lijkt aan hun verzinsels over Allah. "En van degenen die deelgenoten toekenden", daarmee worden de christenen bedoeld. "Veel kwetsend leed" — en het kwetsend leed van de joden is wat wij vermeld hebben, en van de christenen hun uitspraak: {الْمَسِيحُ ابْنُ اللَّهِ} (De Messias is de zoon van Allah), en wat daarop lijkt aan hun ongeloof (kufr) jegens Allah. "Maar als jullie geduld betrachten en godvrezend zijn", Hij zegt: en als jullie geduld betrachten omwille van het gebod van Allah dat Hij jullie ten aanzien van hen en van anderen heeft opgelegd, namelijk gehoorzaamheid aan Hem. "En godvrezend zijn", Hij zegt: en als jullie Allah vrezen in datgene wat Hij jullie heeft geboden en verboden, zodat jullie daarin handelen naar Zijn gehoorzaamheid. "Dan behoort dat tot de vastberaden aangelegenheden", Hij zegt: dat geduld en die godvrees behoren tot datgene waartoe Allah vastberaden besloten heeft en wat Hij jullie geboden heeft. * * * En er werd gezegd: dat dit alles werd geopenbaard met betrekking tot Finḥāṣ de jood, de leider van de Banū Qaynuqāʿ, zoals het volgende: 8316 - Al-Qāsim heeft het ons verteld, hij zei: Al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft ons verteld, op gezag van Ibn Jurayj, hij zei: ʿIkrima zei over Zijn woord: "Jullie zullen zeker beproefd worden in jullie bezittingen en jullie zelf, en jullie zullen zeker van degenen aan wie het Boek vóór jullie gegeven werd en van degenen die deelgenoten toekenden veel kwetsend leed horen", hij zei: dit vers werd geopenbaard met betrekking tot de Profeet ﷺ, en met betrekking tot Abū Bakr — het welbehagen van Allah zij met hem — en met betrekking tot Finḥāṣ de jood, de leider van de Banū Qaynuqāʿ. Hij zei: de Profeet ﷺ zond Abū Bakr al-Ṣi

  16. الإِنْسِ وَالْجِنِّ يُوحِي بَعْضُهُمْ إِلَى بَعْضٍ زُخْرُفَ الْقَوْلِ غُرُورًا } (En zo hebben Wij voor elke profeet een vijand gemaakt: de duivels van de mensen en de djinn, die elkaar opgesmukte woorden ingeven ter misleiding … anderen het met valsheid opgesmukte woord in, opdat zij daarmee de gelovigen van de volgelingen der profeten zouden misleiden en hen van hun godsdienst zouden afbrengen - "en opdat de harten van hen die niet

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak, de Verhevene: { وَلِتَصْغَى إِلَيْهِ أَفْئِدَةُ الَّذِينَ لا يُؤْمِنُونَ بِالآخِرَةِ وَلِيَرْضَوْهُ } (En opdat de harten van hen die niet in het Hiernamaals geloven daarnaar zouden neigen, en opdat zij er behagen in zouden scheppen.) Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: { وَكَذَلِكَ جَعَلْنَا لِكُلِّ نَبِيٍّ عَدُوًّا شَيَاطِينَ الإِنْسِ وَالْجِنِّ يُوحِي بَعْضُهُمْ إِلَى بَعْضٍ زُخْرُفَ الْقَوْلِ غُرُورًا } (En zo hebben Wij voor elke profeet een vijand gemaakt: de duivels van de mensen en de djinn, die elkaar opgesmukte woorden ingeven ter misleiding) — "en opdat het daarnaar zou neigen" — Hij, wiens lof verheven is, zegt: sommigen van deze duivels geven aan anderen het met valsheid opgesmukte woord in, opdat zij daarmee de gelovigen van de volgelingen der profeten zouden misleiden en hen van hun godsdienst zouden afbrengen — "en opdat de harten van hen die niet in het Hiernamaals geloven daarnaar zouden neigen" — hij zegt: en opdat de harten van hen die niet in het Hiernamaals geloven zich daarnaar zouden neigen. * * * — En het is afgeleid van "ṣaghawtu, taṣghā en taṣghū". En de openbaring kwam met "taṣghā" — "ṣaghwan en ṣughuwwan". En sommige Arabieren zeggen "ṣaghaytu" met de yāʾ. Er wordt van sommigen van de Banū Asad overgeleverd: "ṣaghaytu naar zijn woorden, dus ik neig (uṣghā) ṣughiyyan" met de yāʾ, en dat is wanneer men neigt. Men zegt: "mijn neiging (ṣaghwī) is met jou", wanneer je genegenheid met hem is en je neiging, zoals hun uitspraak: "mijn ribbe (ḍilaʿī) is met jou". En men zegt: "aṣghaytu de kom" wanneer men haar schuin houdt opdat wat erin is zich verzamelt; en daaruit is de uitspraak van de dichter: Je ziet de dwaas, door hem, van elk vaststaand oordeel afwijking, en in hem is naar het vergelijken een neiging (iṣghāʾ). En men zegt over de maan wanneer zij naar de ondergang neigt: "ṣaghā" en "aṣghā". * * * En overeenkomstig hetgeen wij hierover gezegd hebben, hebben de exegeten gesproken. * Vermelding van wie dat gezegd heeft: 13781 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: ʿAbd Allāh ibn Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī ibn Abī Ṭalḥa, op gezag van Ibn ʿAbbās: (en opdat de harten daarnaar zouden neigen) — hij zegt: opdat de harten daarnaar zouden afwijken. 13782 - Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: Al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, hij zei: Ibn ʿAbbās zei over zijn uitspraak: (en opdat de harten van hen die niet in het Hiernamaals geloven daarnaar zouden neigen) — hij zei: opdat zij zouden neigen. 13783 - Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft mij verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: (en opdat de harten van hen die niet in het Hiernamaals geloven daarnaar zouden neigen) — hij zegt: de harten van de ongelovigen (kāfir) neigen daarnaar, en zij houden ervan, en zij scheppen er

  17. Zijn woord { noch de gewijde maand }: en maakt de gewijde maand niet toegestaan door daarin uw vijanden onder de polytheisten te bestrijden. Het is als Zijn woord: { Zij vragen u over de gewijde maand, over … boom van de bomen van het gewijde gebied te nemen en zich daarmee te halsbanden, en vervolgens ging hij waarheen hij wilde, en daarmee was hij veilig; dat zijn de gehalsbanden. En anderen zeiden: Allah

    Toon meer ↓

    "O u die gelooft, ontheiligt de gewijde tekenen van Allah niet" De uitleg van Zijn woord, de Verhevene: { O u die gelooft, ontheiligt de gewijde tekenen van Allah (shaʿāʾir Allah) niet }. De mensen van de uitleg verschilden van mening over de betekenis van Allahs woord: { ontheiligt de gewijde tekenen van Allah niet }. Sommigen zeiden: de betekenis ervan is: ontheiligt de heiligheden van Allah niet, en overschrijdt Zijn grenzen niet. Het is alsof zij "de tekenen (shaʿāʾir)" opvatten als "de gewijde merktekenen", en zij verklaarden "ontheiligt de gewijde tekenen van Allah niet" als: de merktekenen van Allahs grenzen, Zijn gebod, Zijn verbod en Zijn verplichtingen. Vermelding van wie dat zei: 8594 — Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Wahhāb al-Thaqafī heeft ons verteld, hij zei: Ḥabīb al-Muʿallim heeft ons verteld, op gezag van ʿAṭāʾ, dat hem gevraagd werd over de gewijde tekenen van Allah, en hij zei: De heiligheden van Allah: het mijden van Allahs ongenoegen en het volgen van Zijn gehoorzaamheid — dat zijn de gewijde tekenen van Allah. En anderen zeiden: de betekenis van Zijn woord { ontheiligt niet } is: het gewijde gebied (ḥaram) van Allah. Het is alsof zij de betekenis van Zijn woord { de gewijde tekenen van Allah } opvatten als: de merktekenen van Allahs gewijde gebied onder de landstreken. Vermelding van wie dat zei: 8595 — Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: { O u die gelooft, ontheiligt de gewijde tekenen van Allah niet }, hij zei: Wat betreft de gewijde tekenen van Allah: dat is het gewijde gebied van Allah. En anderen zeiden: de betekenis daarvan is: ontheiligt de riten van de bedevaart (ḥajj) niet, zodat u ze verwaarloost. Het is alsof zij de uitleg daarvan opvatten als: ontheiligt de merktekenen van Allahs grenzen niet die Hij voor u in uw bedevaart heeft afgebakend. Vermelding van wie dat zei: 8596 — al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, hij zei: Ibn Jurayj zei, Ibn ʿAbbās zei: { ontheiligt de gewijde tekenen van Allah niet }, hij zei: de riten van de bedevaart. 8597 — al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya heeft ons verteld, op gezag van ʿAlī ibn Abī Ṭalḥa, op gezag van Ibn ʿAbbās, over zijn woord: { O u die gelooft, ontheiligt de gewijde tekenen van Allah niet }, hij zei: De polytheïsten (mushrikīn) plachten de bedevaart te verrichten naar het Heilige Huis, offerdieren te brengen, de heiligheid van de gewijde plaatsen te eerbiedigen en handel te drijven tijdens hun bedevaart. De moslims wilden hen aanvallen, waarop Allah, machtig en verheven, zei: { ontheiligt de gewijde tekenen van Allah niet }. 8598 — Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, over Allahs woord: { de gewijde teke

  18. Masʿud, en op gezag van een aantal lieden uit de metgezellen van de Profeet ﷺ: dat de vijand van Allah, Iblis, bij de macht van Allah zwoer dat hij Adam en zijn nakomelingen en zijn … gezag van Ibn Masʿud, en op gezag van een aantal lieden uit de metgezellen van de Profeet ﷺ: Iblis werd uit het paradijs verdreven toen hij vervloekt werd, en Adam werd in het paradijs geplaatst

    Toon meer ↓

    De uitleg van de uitspraak van de Verhevene — Wiens lof verheven is —: {وَقُلْنَا يَا آدَمُ اسْكُنْ أَنْتَ وَزَوْجُكَ الْجَنَّةَ} (En Wij zeiden: "O Adam, bewoon jij en je echtgenote het paradijs.") Abū Jaʿfar zei: In dit vers ligt een duidelijke aanwijzing voor de juistheid van de uitspraak van degene die zei: Iblīs werd uit het paradijs verdreven nadat hij zich uit hoogmoed had geweigerd voor Adam neer te buigen, en Adam werd erin geplaatst voordat Iblīs naar de aarde afdaalde. Hoort gij niet hoe Allah — verheven is Zijn lof — zegt: {وَقُلْنَا يَا آدَمُ اسْكُنْ أَنْتَ وَزَوْجُكَ الْجَنَّةَ وَكُلا مِنْهَا رَغَدًا حَيْثُ شِئْتُمَا وَلا تَقْرَبَا هَذِهِ الشَّجَرَةَ فَتَكُونَا مِنَ الظَّالِمِينَ * فَأَزَلَّهُمَا الشَّيْطَانُ عَنْهَا فَأَخْرَجَهُمَا مِمَّا كَانَا فِيهِ} (En Wij zeiden: "O Adam, bewoon jij en je echtgenote het paradijs en eet daarvan in overvloed waar jullie maar willen, maar nadert deze boom niet, anders behoren jullie tot de onrechtplegers." * Toen liet de satan hen daarop uitglijden en verdreef hen uit datgene waarin zij zich bevonden.) Het is dus duidelijk geworden dat Iblīs hen pas van de gehoorzaamheid aan Allah deed afglijden nadat hij vervloekt was en zijn hoogmoed had getoond, want het neerbuigen van de engelen voor Adam vond plaats nadat de geest in hem was geblazen, en het was op dat moment dat Iblīs weigerde voor hem neer te buigen, en bij die weigering trof hem de vervloeking. Zoals:— 708 — Mūsā ibn Hārūn heeft mij dit verteld, hij zei: ʿAmr ibn Ḥammād heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī in een overlevering die hij vermeldde, op gezag van Abū Mālik en op gezag van Abū Ṣāliḥ, op gezag van Ibn ʿAbbās — en op gezag van Murra, op gezag van Ibn Masʿūd, en op gezag van een aantal lieden uit de metgezellen van de Profeet ﷺ: dat de vijand van Allah, Iblīs, bij de macht van Allah zwoer dat hij Adam en zijn nakomelingen en zijn echtgenote zeker zou misleiden, behalve Zijn oprechte dienaren onder hen — nadat Allah hem had vervloekt, en nadat hij uit het paradijs was verdreven, en voordat hij naar de aarde afdaalde. En Allah onderwees Adam alle namen. 709 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Ibn Isḥāq, hij zei: Toen Allah klaar was met Iblīs en met diens berisping, en deze niets dan ongehoorzaamheid wilde, deed Hij de vervloeking op hem neerkomen, en daarna verdreef Hij hem uit het paradijs. Vervolgens wendde Hij zich tot Adam, nadat Hij hem alle namen had onderwezen, en zei: {يَا آدَمُ أَنْبِئْهُمْ بِأَسْمَائِهِمْ} (O Adam, deel hun hun namen mede) tot aan Zijn woord {إِنَّكَ أَنْتَ الْعَلِيمُ الْحَكِيمُ} (Voorwaar, U bent de Alwetende, de Alwijze). Daarna verschilden de uitleggers van mening over de toestand waarin Adams echtgenote werd geschapen en het tijdstip waarop zij hem tot metgezellin werd gemaakt. Ibn ʿAbbās zei wat volgt:— 710 — Mūsā ibn Hārūn heeft mij dit verteld, hij zei: ʿAmr ibn Ḥammād heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft on

  19. Boodschapper van Allah ﷺ hen beval uit te trekken tot het bestrijden van de vijanden van Allah, maar zij gingen tegen zijn bevel in en bleven thuiszitten in hun woningen. * * * En Zijn uitspraak: (khilaf … tegenstelling) is een verbaalnaam (masdar) van de uitspraak van degene die zegt: "die-en-die ging tegen die-en-die in, dus hij gaat tegen hem in, ingaand (khilafan)". Daarom is de verbaalnaam ervan gekomen

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: { فَرِحَ الْمُخَلَّفُونَ بِمَقْعَدِهِمْ خِلافَ رَسُولِ اللَّهِ وَكَرِهُوا أَنْ يُجَاهِدُوا بِأَمْوَالِهِمْ وَأَنْفُسِهِمْ فِي سَبِيلِ اللَّهِ وَقَالُوا لا تَنْفِرُوا فِي الْحَرِّ قُلْ نَارُ جَهَنَّمَ أَشَدُّ حَرًّا لَوْ كَانُوا يَفْقَهُونَ } (9:81) (Degenen die achtergelaten waren verheugden zich over hun thuisblijven, in tegenstelling tot de Boodschapper van Allah, en zij verafschuwden het om te strijden met hun bezittingen en hun levens op de weg van Allah, en zij zeiden: "Trekt niet uit in de hitte." Zeg: "Het vuur van de hel is heter in hitte," als zij maar zouden begrijpen) (9:81). Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens lof wordt vermeld, zegt: Degenen die Allah achterliet van de veldtocht met Zijn Boodschapper en met de gelovigen in hem en het bestrijden van Zijn vijanden, verheugden zich = (over hun thuisblijven, in tegenstelling tot de Boodschapper van Allah), Hij zegt: over hun thuiszitten in hun woningen = (in tegenstelling tot de Boodschapper van Allah), Hij zegt: in tegenstelling tot de Boodschapper van Allah in zijn uittrekken en zijn thuisblijven. Dat is omdat de Boodschapper van Allah ﷺ hen beval uit te trekken tot het bestrijden van de vijanden van Allah, maar zij gingen tegen zijn bevel in en bleven thuiszitten in hun woningen. * * * En Zijn uitspraak: (khilāf, in tegenstelling) is een verbaalnaam (maṣdar) van de uitspraak van degene die zegt: "die-en-die ging tegen die-en-die in, dus hij gaat tegen hem in, ingaand (khilāfan)". Daarom is de verbaalnaam ervan gekomen volgens het patroon "fiʿāl", zoals men zegt: "hij bestreed hem, dus hij bestrijdt hem, bestrijdend (qitālan)". En indien het een verbaalnaam zou zijn van "khalafahu" (hij volgde hem op / kwam na hem), dan zou de lezing luiden: "over hun thuisblijven achter (khalfa) de Boodschapper van Allah", want de verbaalnaam van "khalafahu" is "khalf", niet "khilāf". Maar het is zoals ik heb uiteengezet, namelijk een verbaalnaam van "khālafa", en daarom wordt het gelezen: (khilāfa rasūli-llāh), en dat is de lezing waarop de lezers van de steden zich baseren, en dat is naar onze mening de juiste. * * * Sommigen hebben dat uitgelegd in de betekenis van: "na de Boodschapper van Allah ﷺ", en zij voerden als bewijs daarvoor de uitspraak van de dichter aan: De lente kwam na hen, alsof de palmblad-vlechtsters tussen hen een mat hadden uitgespreid. En dat ligt dicht bij de betekenis die wij hebben genoemd, want zij bleven na hem zitten in tegenstelling tot hem. * * * En Zijn uitspraak: (en zij verafschuwden het om te strijden met hun bezittingen en hun levens op de weg van Allah), de Verhevene, wiens lof wordt vermeld, zegt: en deze achtergelaten lieden verafschuwden het om tegen de ongelovigen ten strijde te trekken met hun bezittingen en hun levens = (op de weg van Allah), dat wil zeggen: in de religie van Allah die Hij voor Zijn dienaren heeft voorgeschreven opdat zij die zouden helpen — uit neiging tot gemak en rust, en uit voorkeur v

  20. Murra, op gezag van Ibn Masʿud, en op gezag van lieden uit de metgezellen van de Profeet ﷺ: dat Allah, verheven is Zijn lof, tot de engelen zei { إني جاعل في الأرض خليفة … zoals het opgeblazen ding dat niet massief is. Hij zei: Daarna ging hij zijn mond in en kwam uit zijn achterste, en ging zijn achterste in en kwam uit zijn mond, en zei vervolgens

    Toon meer ↓

    **Surah Al-Baqarah (2:30) — { وإذ قال ربك } ("En toen jouw Heer zei")** De uitspraak over de uitleg van Zijn woord, de Verhevene: { وإذ قال ربك } ("En toen jouw Heer zei"). Abū Jaʿfar zei: Sommigen die toegeschreven worden aan kennis van de talen der Arabieren, uit de mensen van Basra, beweerden dat de betekenis van Zijn woord { وإذ قال ربك } ("En toen jouw Heer zei") is: "En jouw Heer zei", en dat "إذ" ("toen") tot de overtollige partikels behoort en dat de betekenis ervan weglating is. Hij onderbouwde zijn standpunt dat wij van hem beschreven hebben met het versregel van al-Aswad ibn Yaʿfur: *Fa-idhā wa-dhālika lā mahāha li-dhikrihi — wa-l-dahru yuʿqibu ṣāliḥan bi-fasādi* (En zie, en dat heeft geen smaak meer bij de gedachtenis ervan — en de tijd doet het goede gevolgd worden door bederf.) Vervolgens zei hij: en de betekenis daarvan is: "en dat heeft geen smaak meer bij de gedachtenis ervan." En met het versregel van ʿAbd Manāf ibn Ribʿ al-Hudhalī: *Ḥattā idhā aslakūhum fī Qatāʾidatin — shallan kamā taṭrudu l-jammālatu l-shuradā* (Totdat zij hen in [de bergpas van] Qatāʾida hadden gedreven — verstrooid jagend zoals de kameeldrijvers de op hol geslagen dieren opdrijven.) En hij zei: de betekenis daarvan is: "Totdat zij hen dreven." Abū Jaʿfar zei: De zaak is in dit geval anders dan hij zei. Dat komt doordat "إذ" een partikel is dat de betekenis van vergelding (jazāʾ) heeft, en dat wijst op een onbepaald moment in de tijd. Het is niet toegestaan om een partikel ongedaan te maken dat een aanwijzing was voor een betekenis in de uitspraak. Want het is gelijk of een spreker zegt dat het de betekenis van begunstiging heeft, terwijl het in de uitspraak een aanwijzing is voor een begrijpelijke betekenis, of dat een ander iets zegt over de gehele uitspraak die hij uitsprak als aanwijzing voor wat ermee bedoeld werd, terwijl het de betekenis van begunstiging heeft. Degene die het standpunt beweert dat wij beschreven hebben over het versregel van al-Aswad ibn Yaʿfur — dat "إذا" de betekenis van begunstiging heeft — heeft daarvoor geen begrijpelijke grond. Integendeel: indien dat uit de uitspraak weggelaten zou worden, dan zou de betekenis die al-Aswad ibn Yaʿfur bedoelde met zijn woord "Fa-idhā wa-dhālika lā mahāha li-dhikrihi" tenietgedaan worden. Want hij bedoelde met zijn woord "Fa-idhā" datgene waarin wij ons bevinden, en wat van ons leven voorbijgegaan is. En hij wees met zijn woord "dhālika" ("dat") naar wat eerder beschreven was van het leven waarin hij verkeerde, dat geen smaak meer heeft bij de gedachtenis ervan — dat wil zeggen: het heeft geen smaak en geen voortreffelijkheid meer, vanwege het feit dat de tijd het goede daarvan doet volgen door bederf. En evenzo is de betekenis van het woord van ʿAbd Manāf ibn Ribʿ: "Ḥattā idhā aslakūhum fī Qatāʾidatin shallan…" — indien daaruit "إذا" weggelaten werd, zou de betekenis van de uitspraak tenietgedaan worden. Want de betekenis ervan is: "Totdat zij hen, toen zij hen in Qatāʾida dreven, hen ve

  21. betreffende de gevangenen en het nemen van de buit, terwijl niemand van de profeten voor hem buit van een vijand placht te eten. 16318 - Ibn Humayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld … voor geen profeet voor mij geoorloofd was, en mij is de voorspraak gegeven - vijf zaken die aan geen profeet voor mij zijn geschonken." Mohammed zei: Toen zei Hij: {Het past geen profeet}, namelijk: voor

    Toon meer ↓

    De uitleg van Zijn woord: {لَوْلا كِتَابٌ مِنَ اللَّهِ سَبَقَ لَمَسَّكُمْ فِيمَا أَخَذْتُمْ عَذَابٌ عَظِيمٌ} (68) ("Ware er niet een voorafgaand voorschrift (kitāb) van Allah, dan zou een geweldige bestraffing jullie hebben getroffen wegens hetgeen jullie hebben genomen." (68)) Abū Jaʿfar zei: De Verhevene — Zijn vermelding zij geprezen — zegt tot de lieden van Badr, die buit hebben behaald en van de gevangenen het losgeld hebben aangenomen: {ware er niet een voorafgaand voorschrift van Allah}. Hij zegt: ware er niet een voorafgaande beschikking van Allah ten gunste van jullie, lieden van Badr, in het bewaarde Schrift (al-lawḥ al-maḥfūẓ), namelijk dat Allah de oorlogsbuit (ghanīma) voor jullie geoorloofd heeft verklaard, en dat Allah in Zijn beschikking heeft vastgesteld dat Hij geen volk laat dwalen nadat Hij hen heeft geleid, totdat Hij hun heeft verduidelijkt waarvoor zij zich moeten hoeden, en dat Hij niemand bestraft die getuige is geweest van de gebeurtenis waarvan jullie getuige zijn geweest bij Badr, samen met de Boodschapper van Allah ﷺ, als helper van de religie van Allah = dan zou van Allah, wegens jullie nemen van de buit en het losgeld, een geweldige bestraffing jullie hebben getroffen. * * * En overeenkomstig hetgeen wij hierover hebben gezegd, hebben de lieden van de uitleg (ahl al-taʾwīl) gesproken. * Vermelding van wie dat zei: 16295 - Mohammed ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: Ibn Abī ʿAdī heeft ons verteld, hij zei: ʿAwf heeft ons verteld, op gezag van al-Ḥasan, over Zijn woord: {ware er niet een voorafgaand voorschrift van Allah}, de hele verzen, hij zei: Allah zou deze gemeenschap de buit te eten geven, en zij namen het losgeld van de gevangenen van Badr voordat hun dat was bevolen. Hij zei: Toen verweet Allah hun dat, en daarna verklaarde Allah het hun geoorloofd. 16296 - Mohammed ibn ʿAbdillāh ibn Bazīʿ heeft ons verteld, hij zei: Bishr ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, op gezag van ʿAwf, op gezag van al-Ḥasan, over het woord van Allah: {ware er niet een voorafgaand voorschrift van Allah}, de hele verzen, en dat was op de dag van Badr, en de metgezellen van de Profeet ﷺ namen de buit en de gevangenen voordat hun dat was bevolen. En Allah, gezegend en verheven, had reeds in de Moeder van het Boek (umm al-kitāb) geschreven: "de buit en de gevangenen zijn geoorloofd voor Mohammed en zijn gemeenschap", en Hij had het niet geoorloofd verklaard voor enige gemeenschap vóór hen. Zij namen de buit en namen de gevangenen gevangen voordat hun daaromtrent iets was neergezonden. Allah zei: {ware er niet een voorafgaand voorschrift van Allah}, namelijk in het eerdere Schrift, dat de buit en de gevangenen voor jullie geoorloofd zijn = {dan zou een geweldige bestraffing jullie hebben getroffen wegens hetgeen jullie hebben genomen}. 16297 - Mohammed ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: mijn oom heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag va

  22. niemand die hen vijandig bejegende kreeg de overhand over hen - totdat zij het gebod van Allah verwaarloosden en hun onenigheid tegenover hun profeten talrijk werd. Toen ontnam Allah hun de ark, keer op keer … gebeurd?" Hij zei: "De vijand heeft haar meegenomen!" Toen slaakte hij een schreeuw en viel achterover van zijn stoel en stierf. En zij die de ark hadden buitgemaakt, gingen ermee weg en plaatsten haar

    Toon meer ↓

    De uitleg van Zijn woord: {وَقَالَ لَهُمْ نَبِيُّهُمْ إِنَّ آيَةَ مُلْكِهِ أَنْ يَأْتِيَكُمُ التَّابُوتُ} (En hun profeet zei tegen hen: "Het teken van zijn koningschap is dat de ark tot jullie zal komen") (2:248) Abū Jaʿfar zei: Deze mededeling van Allah — verheven zij Zijn gedachtenis — over Zijn profeet, die Hem dit liet verkondigen, vormt het bewijs dat de vooraanstaanden (al-malaʾ) van de kinderen van Israël, tot wie dit woord werd gericht, de aanstelling door Allah van Ṭālūt als koning over hen niet erkenden toen hun profeet hun dat meedeelde en hun de voortreffelijkheid kenbaar maakte waarmee Allah hem had begunstigd. In plaats daarvan vroegen zij hem om een bewijsteken voor de waarachtigheid van wat hij hun daarover had gezegd en meegedeeld. De uitleg van het woord is dus, aangezien de zaak is zoals wij hebben beschreven: "En Allah geeft Zijn koningschap aan wie Hij wil, en Allah is alomvattend, alwetend." Toen zeiden zij tegen hem: "Wat is het teken daarvan, indien jij tot de waarachtigen behoort?" — "Hun profeet zei tegen hen: Het teken van zijn koningschap is dat de ark tot jullie zal komen." Hoewel dit verhaal een mededeling is van Allah — verheven zij Zijn gedachtenis — over de vooraanstaanden van de kinderen van Israël en hun profeet, en over wat van hun kant uitging toen zij hun profeet uit eigen beweging het verzoek voorlegden dat hij Allah voor hen zou vragen om voor hen een koning aan te stellen met wie zij op Zijn weg zouden strijden; en hoewel het een bericht is over wat van hen uitging aan het loochenen van hun profeet ná hun kennis van zijn profeetschap, en vervolgens hun breken van de belofte die zij Allah en Zijn boodschapper hadden gedaan inzake de jihād op de weg van Allah, doordat zij zich daaraan onttrokken op het moment dat zij werden opgeroepen tot de oorlog waartoe zij werden opgeroepen — terwijl Allah de overwinning schonk aan het kleine deel van de groep, ondanks de ontmoediging die het merendeel van hen verspreidde tegen hun koning en hun afzijdig blijven van de jihād aan zijn zijde — toch is het [tevens] een vermaning voor diegenen die zich te midden van de plaats van uitwijking van de boodschapper van Allah ﷺ bevonden, namelijk hun nakomelingen en zonen: de joden van Qurayẓa en al-Naḍīr. [De strekking is] dat zij in hun loochening van Mohammed ﷺ — in wat hij hun gebood en wat hij hun verbood, ondanks hun kennis van zijn waarachtigheid en hun herkenning van de echtheid van zijn profeetschap, en nadat zij vóór zijn boodschapperschap door middel van hem Allah om hulp tegen hun vijanden plachten te vragen, vóór Allah hem tot hen en tot anderen zond — niet verder mochten gaan dan dat zij gelijk zouden worden aan hun voorvaderen en voorgangers die hun profeet Shamwīl ibn Bālī loochenden, ondanks hun kennis van zijn waarachtigheid en hun herkenning van de echtheid van zijn profeetschap, en die weigerden de jihād te voeren aan de zijde van Ṭālūt toen Allah hem als koning over hen aanstelde — nadat zij zelf hun profee

  23. Ishaq: (Het past geen profeet om krijgsgevangenen te houden), van zijn vijand =(totdat hij grondig heeft toegeslagen in het land), dat wil zeggen: hij slaat grondig toe tegen zijn vijand totdat … verbroken worden! Hij zei: Toen zweeg de Boodschapper van Allah ﷺ en gaf hun geen antwoord, en ging vervolgens naar binnen. Sommige mensen zeiden: hij zal de mening van Abu Bakr aannemen. En anderen zeiden

    Toon meer ↓

    De uitleg van Zijn woord: {مَا كَانَ لِنَبِيٍّ أَنْ يَكُونَ لَهُ أَسْرَى حَتَّى يُثْخِنَ فِي الأَرْضِ تُرِيدُونَ عَرَضَ الدُّنْيَا وَاللَّهُ يُرِيدُ الآخِرَةَ وَاللَّهُ عَزِيزٌ حَكِيمٌ} (67) ("Het past geen profeet om krijgsgevangenen te houden, totdat hij grondig heeft toegeslagen in het land. Jullie wensen het vergankelijke goed van deze wereld, maar Allah wenst het Hiernamaals. En Allah is Almachtig, Alwijs." (8:67)) Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: Het past geen profeet om een ongelovige vast te houden die hij overmeesterd heeft en die in zijn macht is gekomen — van de afgodendienaren — met het oog op losgeld of begenadiging. * * * En "al-asr" (gevangenschap) betekent in de taal van de Arabieren: het vasthouden. Daarvan zegt men: "maʾsūr" (gevangene), waarmee bedoeld wordt: vastgehoudene. En men hoort van hen ook de uitdrukking: "Moge Allah hem treffen met asr." (36) * * * Allah, geprezen zij Zijn lof, zei dit slechts tot Zijn profeet Mohammed ﷺ, om hem te doen weten dat het doden van de polytheïsten (mushrikīn) die hij ﷺ op de dag van Badr gevangen had genomen en die hij vervolgens vrijkocht tegen losgeld, juister was geweest dan het aannemen van losgeld van hen en hen vrij te laten. * * * En Zijn woord: (totdat hij grondig heeft toegeslagen in het land), zegt: totdat hij overvloedig de polytheïsten daarin doodt en hen onderwerpt door overwinning en dwang. * * * Daarvan zegt men: "Die-en-die heeft grondig toegeslagen (athkhana) in deze zaak", wanneer hij daarin overvloedig is geweest. En overgeleverd is: "Ik heb hem grondig getroffen met kennis", in de betekenis van: ik heb hem op zekere wijze gedood. * * * =(Jullie wensen), zegt Hij tot de gelovigen onder de metgezellen van de Boodschapper van Allah ﷺ: (jullie wensen), o gelovigen, (het vergankelijke goed van deze wereld), door het gevangennemen van de polytheïsten — en dat is wat de mens daarvan toevalt aan bezit en goederen. (37) Hij zegt: jullie wensen, door het aannemen van losgeld van de polytheïsten, het vergankelijke goed van deze wereld en haar genot =(maar Allah wenst het Hiernamaals), zegt: en Allah wenst voor jullie de tooi van het Hiernamaals en wat Hij heeft voorbereid voor de gelovigen en de mensen van Zijn vriendschap in Zijn tuinen, door jullie doden van hen en jullie grondige toeslaan in het land. Hij zegt tot hen: streef dan naar wat Allah voor jullie wenst en handel omwille van Hem, (38) niet naar wat de begeerten van jullie zielen jullie toe oproepen aan verlangen naar deze wereld en haar oorzaken =(en Allah is Almachtig), zegt: indien jullie het Hiernamaals wensen, zal geen vijand jullie overwinnen, want Allah is Almachtig, Hij wordt niet onderworpen noch overwonnen = en Hij is (Alwijs) (39) in Zijn beschikking over de zaak van Zijn schepselen. * * * En overeenkomstig wat wij hierover hebben gezegd, hebben de mensen van de uitleg (ahl al-taʾwīl) gesproken. * Vermelding van wie dat gezegd heeft: 16286 - Al-Muthannā heeft mi

  24. وَكَانَ وَعْدًا مَفْعُولا } betekent: zij gingen heen en weer tussen de huizen en de woonsteden, kwamen en gingen. Men zegt hierover: "jasa al-qawm bayna al-diyar" en "hasu" met een en dezelfde betekenis … behoort hij die met het zwaard van Mohammed (de Profeet ﷺ) streed, en daarmee onder de vijanden rondtrok in de breedte van de legerscharen." En het is mogelijk dat de betekenis is: zij drongen door

    Toon meer ↓

    Wat betreft Zijn uitspraak { فَإِذَا جَاءَ وَعْدُ أُولاهُمَا } ("Wanneer dan de belofte van de eerste van beide komt"), daarmee wordt bedoeld: wanneer de belofte komt van de eerste van de twee keren waarmee zij verderf zullen zaaien op aarde. Zoals Yūnus mij heeft verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei, over Zijn uitspraak { فَإِذَا جَاءَ وَعْدُ أُولاهُمَا }: wanneer de belofte komt van de eerste van die twee keren die Wij aan de kinderen van Israël hebben aangezegd { لَتُفْسِدُنَّ فِي الأرْضِ مَرَّتَيْنِ } ("Jullie zullen tweemaal verderf zaaien op aarde"). En Zijn uitspraak { بَعَثْنَا عَلَيْكُمْ عِبَادًا لَنَا أُولِي بَأْسٍ شَدِيدٍ فَجَاسُوا خِلالَ الدِّيَارِ وَكَانَ وَعْدًا مَفْعُولا } ("zonden Wij tegen jullie dienaren van Ons met grote krijgskracht, en zij drongen door tussen de woningen, en het was een uitgevoerde belofte"): de Verhevene — Zijn lof zij vermeld — bedoelt met Zijn uitspraak { بعَثْنا عَلَيْكُمْ } ("Wij zonden tegen jullie"): Wij richtten tot jullie en zonden tegen jullie { عِبَادًا لَنَا أُولِي بَأْسٍ شَدِيدٍ } ("dienaren van Ons met grote krijgskracht"), dat wil zeggen: mannen met geweldige slagkracht in de oorlogen. En Zijn uitspraak { فَجَاسُوا خِلالَ الدِّيَارِ وَكَانَ وَعْدًا مَفْعُولا } betekent: zij gingen heen en weer tussen de huizen en de woonsteden, kwamen en gingen. Men zegt hierover: "jāsa al-qawm bayna al-diyār" en "ḥāsū" met één en dezelfde betekenis, en "justu anā ajūsu jawsan wa-jawasānan". En in overeenstemming met wat wij hierover hebben gezegd, is het bericht overgeleverd op gezag van Ibn ʿAbbās. ʿAlī ibn Dāwūd heeft mij verteld, hij zei: ʿAbdallāh heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī, op gezag van Ibn ʿAbbās, over { فَجَاسُوا خِلالَ الدِّيَارِ } ("en zij drongen door tussen de woningen"), hij zei: zij liepen rond. En sommige kenners van de taal der Arabieren uit de mensen van Basra zeiden: de betekenis van "jāsū" is: zij doodden, en hij voert ter ondersteuning van die uitspraak een versregel van Ḥassān aan: "En tot ons behoort hij die met het zwaard van Mohammed (de Profeet ﷺ) streed, en daarmee onder de vijanden rondtrok in de breedte van de legerscharen." En het is mogelijk dat de betekenis is: zij drongen door tussen de woningen en doodden hen, terwijl zij heen en weer gingen — zodat beide uitleggingen tezamen juist zijn. En met Zijn uitspraak { وَكَانَ وَعْدًا مَفْعُولا } ("en het was een uitgevoerde belofte") bedoelt Hij: en het doordringen van het volk dat Wij tegen hen zonden tussen hun woningen, was een belofte van Allah aan hen die onvermijdelijk werd uitgevoerd, want Hij verbreekt de belofte niet. Vervolgens verschilden de uitleggers van mening over wie Allah bedoelde met Zijn uitspraak { أُولي بَأْسٍ شَدِيدٍ } ("met grote krijgskracht") aangaande wat zij deden bij de eerste keer onder de kinderen van Israël, toen zij tegen hen werden gezonden, en over wie er bij de laatste keer tegen hen werd gezonden, en wat zij met hen

  25. vijand voor jullie, weest dus op jullie hoede voor hen}. Hij zei: De man wilde naar de Profeet (s) komen, en dan zeiden zijn gezinsleden tegen hem: Waar ga je heen, terwijl je ons verlaat … jullie die geloven, voorwaar, onder jullie echtgenotes en jullie kinderen is een vijand voor jullie} ... het vers. Hij zei: Dit ging over mensen uit de stammen van de Arabieren. De man of een groepje

    Toon meer ↓

    De Verhevene, wiens gedachtenis verheven is, zegt: O jullie die Allah en Zijn Boodschapper hebben geloofd, {voorwaar, onder jullie echtgenotes en jullie kinderen is een vijand voor jullie} die jullie afhouden van de weg van Allah en jullie ontmoedigen ten aanzien van de gehoorzaamheid aan Allah. {Weest dus op jullie hoede voor hen}, opdat jullie niet van hen aanvaarden wat zij jullie opdragen aan het verlaten van de gehoorzaamheid aan Allah. Er is vermeld dat dit vers werd geopenbaard over een volk dat de islam en de hidjra (uittocht) wilde aannemen, maar dat hun echtgenotes en kinderen hen daarvan weerhielden. * Vermelding van wie dat heeft gezegd: Abū Kurayb heeft ons verteld, hij zei: Yaḥyā ibn Ādam en ʿUbayd Allah ibn Mūsā hebben ons verteld, op gezag van Isrāʾīl, op gezag van Simāk, op gezag van ʿIkrima, op gezag van Ibn ʿAbbās, die zei: Een man vroeg hem over dit vers {O jullie die geloven, voorwaar, onder jullie echtgenotes en jullie kinderen is een vijand voor jullie, weest dus op jullie hoede voor hen}. Hij zei: Dit waren mannen die de islam hadden aangenomen en die naar de Boodschapper van Allah (ṣ) wilden komen, maar hun echtgenotes en kinderen weigerden hen toe te staan naar de Boodschapper van Allah (ṣ) te gaan. Toen zij dan tot de Boodschapper van Allah (ṣ) kwamen en zagen dat de mensen kennis in de religie hadden verworven, waren zij van plan hen te straffen, waarop Allah, verheven is Zijn lof, openbaarde: {Voorwaar, onder jullie echtgenotes en jullie kinderen} ... het vers. Hannād ibn al-Sarī heeft ons verteld, hij zei: Abū al-Aḥwaṣ heeft ons verteld, op gezag van Simāk, op gezag van ʿIkrima, over Zijn woord: {O jullie die geloven, voorwaar, onder jullie echtgenotes en jullie kinderen is een vijand voor jullie, weest dus op jullie hoede voor hen}. Hij zei: De man wilde naar de Profeet (ṣ) komen, en dan zeiden zijn gezinsleden tegen hem: Waar ga je heen, terwijl je ons verlaat? Hij zei: En wanneer hij de islam aannam en kennis in de religie verwierf, zei hij: Ik zal zeker terugkeren naar degenen die mij van deze zaak weerhielden en ik zal hun zus en zo aandoen. Waarop Allah, verheven is Zijn lof, openbaarde: {En als jullie vergeven en door de vingers zien en kwijtschelden, dan is Allah waarlijk Vergevensgezind, Genadevol}. Muḥammad ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: mijn oom heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās, over Zijn woord: {O jullie die geloven, voorwaar, onder jullie echtgenotes en jullie kinderen is een vijand voor jullie, weest dus op jullie hoede voor hen}. Wanneer de man wilde emigreren van Mekka naar Medina, hielden zijn vrouw en kind hem tegen, en zij spaarden geen moeite hem daarvan te ontmoedigen. Toen zei Allah: Voorwaar, zij zijn een vijand voor jullie, weest dus op jullie hoede voor hen, en luistert en gehoorzaamt en gaat verder met jullie aangelegenheid. Daarna was het zo dat wanneer de man werd teg

  26. vijand tegenstonden, en dat hun redetwisten met de Profeet van Allah ﷺ hierin bestond dat zij zeiden: "Hij heeft ons niet laten weten dat wij de vijand zouden ontmoeten zodat wij ons konden voorbereiden … begrijpt, dat het volk de gewapende strijd inderdaad tegenstond, en dat hun redetwisten over de gewapende strijd ging, zoals Mujahid zei, uit tegenzin daartegen. En dat er geen betekenis ligt in wat Ibn Zayd

    Toon meer ↓

    15701 — Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid: "zoals jouw Heer jou met de waarheid uit jouw huis deed gaan", hij zei: zo redetwisten zij met jou over de waarheid. 15702 — Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū Ḥudhayfa heeft ons verteld, hij zei: Shibl heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid: "zoals jouw Heer jou met de waarheid uit jouw huis deed gaan", zo redetwisten zij met jou over de waarheid, namelijk over de gewapende strijd (qitāl). 15703 — ... hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd Allāh ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van Warqāʾ, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, aangaande Zijn woord: "zoals jouw Heer jou met de waarheid uit jouw huis deed gaan", hij zei: zo deed jouw Heer jou uitgaan. 15704 — Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, hij zei: Allah heeft dit geopenbaard aangaande zijn uitgaan — dat wil zeggen het uitgaan van de Profeet ﷺ — naar Badr, en hun redetwisten met hem; Hij zei: "zoals jouw Heer jou met de waarheid uit jouw huis deed gaan, terwijl een groep van de gelovigen het zeker tegenstond", om de polytheïsten (mushrikīn) op te zoeken; "zij redetwisten met jou over de waarheid nadat het duidelijk is geworden." * * * De taalkundigen verschilden hierover van mening. Sommige Kūfische grammatici zeiden: dit is een bevel van Allah aan Zijn Boodschapper ﷺ om door te zetten in zijn opdracht aangaande de oorlogsbuit (ghanāʾim), ondanks de tegenzin van zijn metgezellen, zoals hij doorzette in zijn opdracht bij zijn uitgaan uit zijn huis om de karavaan op te zoeken, terwijl zij dat tegenstonden. * * * Anderen van hen zeiden: de betekenis daarvan is: zij vragen jou over de buit (al-anfāl) bij wijze van redetwisten, zoals zij op de dag van Badr met jou redetwistten en zeiden: "Je hebt ons doen uitgaan voor de karavaan, en je hebt ons niet gewaarschuwd voor een gewapende strijd zodat wij ons erop konden voorbereiden." Sommige Baṣrische grammatici zeiden: het is mogelijk dat deze "kāf" in (zoals Hij jou deed uitgaan) aansluit bij Zijn woord {أُولَئِكَ هُمُ الْمُؤْمِنُونَ حَقًّا} ("zij zijn het, de ware gelovigen"), (zoals jouw Heer jou met de waarheid uit jouw huis deed gaan). En hij zei: de "kāf" heeft de betekenis van "ʿalā" (op/in de zin van). * * * Anderen van hen zeiden: zij heeft de betekenis van een eed. Hij zei: en de betekenis van de uitspraak is: bij Hem die jou deed uitgaan, jouw Heer. * * * Abū Jaʿfar zei: de in mijn ogen meest juiste van deze uitspraken is de uitspraak van wie hierin de opvatting van Mujāhid aanhield en zei: de betekenis ervan is: zoals jouw Heer jou met de waarheid deed uitgaan, ondanks de tegenzin van een groep van de gelovigen, zo redetwisten zij met jou over de waarheid nadat het duidelijk is geworde

  27. ʿUsayb, de vrijgelatene van de Gezant van Allah ﷺ, hij zei: "De Profeet ﷺ liep langs mij en riep mij; ik ging naar buiten, en bij hem waren Abu Bakr en ʿUmar, moge Allah over … slechts de twee zwarte dingen: water en dadels, terwijl onze zwaarden op onze schouders rusten en de vijand aanwezig is!' Hij zei: 'Dat zal komen.'" Yaʿqub ibn Ibrahim en al-Husayn ibn ʿAli al-Sudaʾi

    Toon meer ↓

    Zijn woord: { ثُمَّ لَتُسْأَلُنَّ يَوْمَئِذٍ عَنِ النَّعِيمِ } — Hij zegt: dan zal Allah, de Verhevene en Almachtige, u ondervragen over de weldaden die u in het wereldse leven hebt genoten: wat u daarmee hebt gedaan, langs welke weg u eraan bent gekomen, waarvoor u ze hebt verworven en wat u ermee hebt gedaan. De uitleggers verschilden van mening over wat die weldaad (al-naʿīm) is. Sommigen zeiden: het zijn veiligheid en gezondheid. * Vermelding van wie dat heeft gezegd: ʿAbbād ibn Yaʿqūb heeft mij verteld, hij zei: Muḥammad ibn Sulaymān heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Laylā, op gezag van al-Shaʿbī, op gezag van Ibn Masʿūd, over de woorden { ثُمَّ لَتُسْأَلُنَّ يَوْمَئِذٍ عَنِ النَّعِيمِ }: hij zei: "Veiligheid en gezondheid." Abū Kurayb heeft ons verteld, hij zei: Ḥafṣ heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Laylā, op gezag van al-Shaʿbī, op gezag van ʿAbdullāh — hetzelfde. ʿAlī ibn Saʿīd al-Kindī heeft mij verteld, hij zei: Muḥammad ibn Marwān heeft ons verteld, op gezag van Layth, op gezag van Mujāhid — over { ثُمَّ لَتُسْأَلُنَّ يَوْمَئِذٍ عَنِ النَّعِيمِ } —: hij zei: "Veiligheid en gezondheid." Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, hij zei: "Het heeft mij bereikt dat over de woorden { لَتُسْأَلُنَّ يَوْمَئِذٍ عَنِ النَّعِيمِ } gezegd wordt: veiligheid en gezondheid." Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Mahrān heeft ons verteld, op gezag van Ismāʿīl ibn ʿAyyāsh, op gezag van ʿAbd al-ʿAzīz ibn ʿAbdullāh, hij zei: ik hoorde al-Shaʿbī zeggen: "De weldaad waarover op de Dag des Oordeels rekenschap wordt gevraagd, is veiligheid en gezondheid." Hij zei: Mahrān heeft ons verteld, op gezag van Khālid al-Zayyāt, op gezag van Ibn Abī Laylā, op gezag van ʿĀmir al-Shaʿbī, op gezag van Ibn Masʿūd — hetzelfde. Hij zei: Mahrān heeft ons verteld, op gezag van Sufyān — over { ثُمَّ لَتُسْأَلُنَّ يَوْمَئِذٍ عَنِ النَّعِيمِ } —: hij zei: "Veiligheid en gezondheid." Anderen zeiden: de betekenis hiervan is dat er op die dag rekenschap wordt gevraagd over hetgeen Allah hun heeft geschonken aan weldaden: gehoor, gezichtsvermogen en lichamelijke gezondheid. * Vermelding van wie dat heeft gezegd: ʿAlī heeft mij verteld, hij zei: Abū Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī, op gezag van Ibn ʿAbbās, over de woorden { ثُمَّ لَتُسْأَلُنَّ يَوْمَئِذٍ عَنِ النَّعِيمِ }: hij zei: "De weldaad is de gezondheid van de lichamen, het gehoor en het gezichtsvermogen." Hij zei: "Allah vraagt Zijn dienaren waarvoor zij deze hebben aangewend, hoewel Hij dat beter weet dan zij, en dat is wat Hij zegt: { إِنَّ السَّمْعَ وَالْبَصَرَ وَالْفُؤَادَ كُلُّ أُولَئِكَ كَانَ عَنْهُ مَسْئُولاً } (Waarlijk, het gehoor, het gezicht en het hart — over al deze zal rekenschap worden gevraagd)." Ismāʿīl ibn Mūsā al-Fazārī heeft mij verteld, hij zei: ʿUmar ibn Shākir heeft ons bericht, op gezag van al-Ḥasan, hij zei: hij placht te zeggen over de woorden { ثُمَّ لَتُسْأَلُ

  28. binnendringen. * * * {وَاصْبِرُوا} ("En weest geduldig"), Hij zegt: weest geduldig samen met de Profeet van Allah ﷺ bij de ontmoeting met jullie vijand, en vlucht niet van hem weg en laat hem niet in de steek … heengaan"), hij zei: jullie overwinning. Hij zei: en de kracht (rih) van de metgezellen van Muhammad ﷺ ging heen toen zij met hem twistten op de dag van Uhud. 16164 - Ibn Numayr heeft ons verteld

    Toon meer ↓

    De uitleg van Zijn woord: {وَأَطِيعُوا اللَّهَ وَرَسُولَهُ وَلا تَنَازَعُوا فَتَفْشَلُوا وَتَذْهَبَ رِيحُكُمْ وَاصْبِرُوا إِنَّ اللَّهَ مَعَ الصَّابِرِينَ} (46) ("En gehoorzaamt Allah en Zijn Boodschapper en twist niet onderling, anders zoudt gij ontmoedigd raken en zou uw kracht heengaan. En weest geduldig; voorwaar, Allah is met de geduldigen." (8:46)) Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens lof verkondigd wordt, zegt tot de gelovigen in Hem: Gehoorzaamt, o gelovigen, jullie Heer en Zijn Boodschapper in wat Hij jullie heeft opgedragen en waarvan Hij jullie heeft weerhouden, en gaat tegen geen van beiden in enige zaak in. {وَلا تَنَازَعُوا فَتَفْشَلُوا} ("en twist niet onderling, anders zoudt gij ontmoedigd raken"), Hij zegt: en raakt niet onderling verdeeld, zodat jullie uiteenvallen en jullie harten verdeeld raken. {فَتَفْشَلُوا} ("anders zoudt gij ontmoedigd raken"), Hij zegt: zodat jullie zwak en lafhartig worden. {وَتَذْهَبَ رِيحُكُمْ} ("en zou uw kracht heengaan"). * * * Dit is een beeldspraak. Men zegt over een man wanneer hem iets goeds tegemoet komt dat hij liefheeft en waarover hij zich verheugt: "de wind (al-rīḥ) waait hem gunstig toe", waarmee bedoeld wordt: dat wat hij liefheeft. Daartoe behoort het vers van ʿUbayd ibn al-Abraṣ: Zoals wij u beschermden op de dag van al-Naʿf bij Shaṭab, en de voortreffelijkheid behoort aan het volk dat kracht (rīḥ) en aantal bezit. Hij bedoelt: kracht en talrijkheid. * * * Op deze plaats wordt ermee bedoeld: en jullie kracht en macht zou heengaan, zodat jullie zwak worden en zwakte en gebrek jullie binnendringen. * * * {وَاصْبِرُوا} ("En weest geduldig"), Hij zegt: weest geduldig samen met de Profeet van Allah ﷺ bij de ontmoeting met jullie vijand, en vlucht niet van hem weg en laat hem niet in de steek. {إِنَّ اللَّهَ مَعَ الصَّابِرِينَ} ("voorwaar, Allah is met de geduldigen"), Hij zegt: weest geduldig, want Ik ben met jullie. En overeenkomstig wat wij hierover hebben gezegd, hebben de uitleggers (ahl al-taʾwīl) zich uitgesproken. * Vermelding van wie dat zei: 16163 - Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, over Zijn woord: {وَتَذْهَبَ رِيحُكُمْ} ("en zou uw kracht heengaan"), hij zei: jullie overwinning. Hij zei: en de kracht (rīḥ) van de metgezellen van Muḥammad ﷺ ging heen toen zij met hem twistten op de dag van Uḥud. 16164 - Ibn Numayr heeft ons verteld, op gezag van Warqāʾ, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid: {وَتَذْهَبَ رِيحُكُمْ} ("en zou uw kracht heengaan"), en hij vermeldde iets soortgelijks. 16165 - Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, op gezag van Mujāhid, iets soortgelijks - behalve dat hij zei: de kracht van de metgezellen van Muḥammad toen zij hem in de steek lieten op de dag van Uḥud. 16166 - Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft mij verteld, hij zei: Aḥmad ibn al

  29. woordenwisseling, en hij gaf haar een klap in het gezicht. Toen gingen haar familieleden weg en vermeldden dat aan de Profeet ﷺ, en hij berichtte hun: { De mannen zijn zorgdragers over de vrouwen } ... het vers … uitleg van het bericht van de Profeet ﷺ dat ʿIkrima heeft overgeleverd, niet zo is als wij hebben gezegd, en dat juist is dat het nalaten door de Profeet ﷺ van het bevelen

    Toon meer ↓

    De mannen zijn zorgdragers over de vrouwen, vanwege datgene waarmee Allah sommigen van hen boven anderen heeft begunstigd. De uitspraak over de uitleg van Zijn woord, de Verhevene: { De mannen zijn zorgdragers over de vrouwen, vanwege datgene waarmee Allah sommigen van hen boven anderen heeft begunstigd } (4:34). Met Zijn woord, verheven is Zijn lof: { De mannen zijn zorgdragers over de vrouwen }, bedoelt Hij: de mannen zijn degenen die zorg dragen over hun vrouwen in het tuchtigen van hen en het tegenhouden van hun handen, met betrekking tot datgene wat zij verplicht zijn jegens Allah en jegens henzelf. { Vanwege datgene waarmee Allah sommigen van hen boven anderen heeft begunstigd }, bedoelt: vanwege datgene waarmee Allah de mannen heeft begunstigd boven hun echtgenotes, namelijk dat zij hun hun bruidsgeld (mahr) toebrengen, hun bezittingen aan hen uitgeven, en hun voorzien in hun onderhoud. Dat is de begunstiging waarmee Allah, geprezen en verheven, hen boven haar heeft verheven, en daarom zijn zij zorgdragers over haar geworden, met gezag dat over haar ten uitvoer wordt gebracht in datgene wat Allah met betrekking tot haar aangelegenheden aan hen heeft toevertrouwd. En overeenkomstig hetgeen wij hierover gezegd hebben, hebben de uitleggers (ahl al-taʾwīl) gesproken. Vermelding van wie dat heeft gezegd: 7368 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: ʿAbd Allāh ibn Ṣāliḥ heeft ons verteld, zij beiden zeiden: Muʿāwiya ibn Ṣāliḥ heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī ibn Abī Ṭalḥa, op gezag van Ibn ʿAbbās, betreffende Zijn woord: { De mannen zijn zorgdragers over de vrouwen }, dat wil zeggen: bevelhebbers over haar, die zij verplicht is te gehoorzamen in datgene wat Allah haar aan gehoorzaamheid jegens hem heeft bevolen. En zijn gehoorzaamheid is dat zij goeddoend is jegens zijn familie en bewaarster van zijn bezit. En zijn voorrang boven haar is door zijn onderhoud en zijn arbeid. 7369 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: Abū Zuhayr heeft ons verteld, op gezag van Juwaybir, op gezag van al-Ḍaḥḥāk, betreffende Zijn woord: { De mannen zijn zorgdragers over de vrouwen, vanwege datgene waarmee Allah sommigen van hen boven anderen heeft begunstigd }, hij zegt: de man is zorgdrager over de vrouw, hij beveelt haar tot gehoorzaamheid aan Allah; en als zij weigert, dan is het hem toegestaan haar te slaan met een slag die geen letsel toebrengt (ghayr mubarriḥ). En hij heeft voorrang boven haar door zijn onderhoud en zijn arbeid. 7370 - Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: { De mannen zijn zorgdragers over de vrouwen }, hij zei: zij houden hun handen tegen en tuchtigen hen. 7371 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Ḥabbān ibn Mūsā heeft ons verteld, hij zei: Ibn al-Mubārak heeft ons bericht, hij zei: ik hoorde Sufyān zeggen: { Vanwege datgene waarmee Allah sommigen van hen boven anderen heeft beguns

  30. vaststelling. Hij ging op weg om zijn Heer te ontmoeten. Toen dertig nachten voltooid waren, zei de vijand van Allah, al-Samiri: "Musa komt niet tot jullie, en niets brengt jullie in orde … Bakr ibn ʿAbdallah al-Hudhali heeft mij verteld, hij zei: al-Samiri ging naar Harun toen Musa vertrokken was, en zei: "O profeet van Allah, wij hebben op de dag dat wij van de Kopten

    Toon meer ↓

    De uitleg van de uitspraak van Allah: "En Wij beloofden Mūsā dertig nachten en Wij vervolledigden ze met tien, zodat de vastgestelde tijd van zijn Heer veertig nachten werd." Abū Jaʿfar zei: Hij, verheven zij Zijn gedachtenis, zegt: En Wij beloofden Mūsā voor Onze vertrouwelijke toespraak dertig nachten. En men heeft gezegd: het waren dertig nachten van Dhū al-Qaʿda. "En Wij vervolledigden ze met tien," Hij zegt: en Wij vervolledigden de dertig nachten met tien nachten, ter aanvulling tot veertig nachten. * * * En men heeft gezegd: de tien waarmee Hij die tot veertig vervolledigde, waren de tien van Dhū al-Ḥijja. * Vermelding van wie dat zei: 15062 — Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: mijn vader heeft ons verteld, op gezag van Sufyān, op gezag van Layth, op gezag van Mujāhid: "En Wij beloofden Mūsā dertig nachten en Wij vervolledigden ze met tien," hij zei: Dhū al-Qaʿda en de tien van Dhū al-Ḥijja. 15063 — ... hij zei: Jarīr heeft ons verteld, op gezag van Layth, op gezag van Mujāhid: "En Wij beloofden Mūsā dertig nachten en Wij vervolledigden ze met tien," hij zei: Dhū al-Qaʿda en de tien van Dhū al-Ḥijja. Daarover verschilden zij van mening. 15064 — Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū Ḥudhayfa heeft ons verteld, hij zei: Shibl heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid: "En Wij beloofden Mūsā dertig nachten," dat is Dhū al-Qaʿda en tien van Dhū al-Ḥijja, en dat is Zijn uitspraak: "zodat de vastgestelde tijd van zijn Heer veertig nachten werd." 15065 — Muḥammad ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft mij verteld, hij zei: al-Muʿtamir ibn Sulaymān heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, hij zei: Ḥaḍramī beweerde dat de dertig die Mūsā zijn Heer had beloofd Dhū al-Qaʿda waren, en de tien van Dhū al-Ḥijja waarmee Allah de veertig vervolledigde. 15066 — Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, op gezag van Mujāhid: "En Wij beloofden Mūsā dertig nachten," hij zei: Dhū al-Qaʿda. "En Wij vervolledigden ze met tien," hij zei: de tien van Dhū al-Ḥijja. Ibn Jurayj zei: Ibn ʿAbbās zei het gelijke daarvan. 15067 — Al-Ḥārith heeft mij verteld, hij zei: ʿAbd al-ʿAzīz heeft ons verteld, hij zei: Abū Saʿd heeft ons verteld, hij zei: ik hoorde Mujāhid zeggen over Zijn uitspraak: "En Wij beloofden Mūsā dertig nachten en Wij vervolledigden ze met tien," hij zei: Dhū al-Qaʿda en de eerste tien van Dhū al-Ḥijja. 15068 — ... hij zei: ʿAbd al-ʿAzīz heeft ons verteld, hij zei: Isrāʾīl heeft ons verteld, op gezag van Abū Isḥāq, op gezag van Masrūq: "En Wij vervolledigden ze met tien," hij zei: de tien van het offerfeest (al-aḍḥā). * * * En wat betreft Zijn uitspraak: "zodat de vastgestelde tijd van zijn Heer veertig nachten werd," daarmee bedoelt Hij: zo werd de tijd die Allah Mūsā had beloofd voltooid tot veertig nachten, en bereikte die volledig. Zoals:— 15069 — Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft

  31. Farao die ons met zijn gevolg bijna heeft ingehaald! Hij zei: Misschien zal jullie Heer jullie vijand vernietigen en jullie tot opvolgers in het land maken, en dan zien hoe jullie handelen. Hij zei: Toen … achterhoede van de kinderen van Israel, en Harun was voor hen en ging hen voor. Toen zei de gelovige tot Musa: O profeet van Allah, waarheen ben je bevolen? Hij zei: De zee. Hij wilde

    Toon meer ↓

    # De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: {وَإِذْ فَرَقْنَا بِكُمُ الْبَحْرَ} (En toen Wij voor jullie de zee spleten) Wat betreft de uitleg van Zijn uitspraak: "En toen Wij voor jullie [de zee] spleten" — dit is grammaticaal verbonden met: {وَإِذْ نَجَّيْنَاكُمْ} (En toen Wij jullie redden), in de betekenis van: gedenkt Mijn gunst die Ik jullie heb geschonken, en gedenkt toen Wij jullie redden van het volk van Farao, en toen Wij voor jullie de zee spleten. De betekenis van Zijn uitspraak "Wij spleten voor jullie" (faraqnā bikum) is: Wij deelden voor jullie de zee. Want zij waren twaalf stammen; dus Hij spleet de zee in twaalf paden, en elke stam van hen volgde één pad daarvan. Dat is de splijting die Allah, machtig en verheven, voor hen aan de zee voltrok, en de deling die Hij voor hen voltrok door hen te verdelen over de twaalf paden ervan, zoals: 904 — Mūsā ibn Hārūn heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr ibn Ḥammād heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ ibn Naṣr heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: Toen Mūsā bij de zee kwam, gaf hij haar de bijnaam "Abū Khālid" en sloeg haar, waarop zij splitste. Elk deel was als een geweldige berg, en de kinderen van Israël gingen erin. In de zee waren twaalf paden, in elk pad een stam. * * * Sommige grammatici van Basra hebben gezegd: de betekenis van Zijn uitspraak "En toen Wij voor jullie de zee spleten" (wa-idh faraqnā bikum al-baḥr) is: Wij scheidden tussen jullie en het water. Daarmee bedoelen zij: Wij maakten een scheiding tussen jullie en haar, en hielden haar tegen waar jullie haar passeerden. Dat is echter in strijd met wat uit de letterlijke tekst (al-tilāwah) blijkt, want Allah, verheven is Zijn lof, heeft slechts bericht dat Hij de zee voor het volk spleet, en Hij heeft niet bericht dat Hij scheiding maakte tussen het volk en de zee, zodat de uitleg zou zijn wat de aanhangers van deze opvatting hebben gezegd. Zijn splijting van de zee voor het volk is juist Zijn splijten van de zee door hen, overeenkomstig wat wij hebben beschreven over de verdeling van haar paden voor hen, overeenkomstig wat de overleveringen hebben gebracht. * * * # De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: {فَأَنْجَيْنَاكُمْ وَأَغْرَقْنَا آلَ فِرْعَوْنَ وَأَنْتُمْ تَنْظُرُونَ} (En Wij redden jullie en verdronken het volk van Farao, terwijl jullie toekeken) (2:50) Abū Jaʿfar zei: Indien iemand tot ons zou zeggen: en hoe verdronk Allah, verheven is Zijn lof, het volk van Farao en redde Hij de kinderen van Israël? Dan wordt hem geantwoord, zoals: 905 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Ibn Isḥāq, op gezag van Muḥammad ibn Kaʿb al-Quraẓī, op gezag van ʿAbd Allāh ibn Shaddād ibn al-Hād, die zei: Mij is verteld dat Farao uittrok op zoek naar Mūsā met zeventigduizend donkergrauwe paarden, naast wat zich in zijn leger bevond aan grijsgevlekte paarden. En Mūsā trok uit, totdat de zee hem in de weg stond en er voor hem geen ontkomen aan was, en Farao met zijn leger achter hen o

  32. يَتَمَطَّى } ("Want hij geloofde niet en bad niet, maar hij verloochende en wendde zich af, en daarna ging hij naar zijn familie, zwierig stappend"), hij zei: dit gaat over Abu Jahl, die zich gewichtig wiegde … zoals jullie horen. Hij beweerde dat dit werd geopenbaard over de vijand van Allah, Abu Jahl. Aan ons is overgeleverd dat de Profeet van Allah ﷺ hem bij de kraag van zijn kleren greep

    Toon meer ↓

    Zijn woord: { ثُمَّ ذَهَبَ إِلَى أَهْلِهِ يَتَمَطَّى } ("Daarna ging hij naar zijn familie, zwierig stappend"). De Verhevene, wiens lof verheven is, zegt: daarna ging hij voort naar zijn familie, zich tot hen wendend, zich gewichtig wiegend in zijn gang. En in de geest van wat wij hierover gezegd hebben, spraken ook de uitleggers (ahl al-taʾwīl). * Vermelding van wie dat gezegd heeft: Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: { ثُمَّ ذَهَبَ إِلَى أَهْلِهِ يَتَمَطَّى } ("Daarna ging hij naar zijn familie, zwierig stappend"), dat wil zeggen: hij wiegde zich gewichtig. Saʿīd ibn ʿAmr al-Sakūnī heeft mij verteld, hij zei: Baqiyya ibn al-Walīd heeft ons verteld, op gezag van Maysara ibn ʿUbayd, op gezag van Zayd ibn Aslam, over Zijn woord: { ثُمَّ ذَهَبَ إِلَى أَهْلِهِ يَتَمَطَّى } ("Daarna ging hij naar zijn familie, zwierig stappend"), hij zei: hij wiegde zich gewichtig. Hij zei: dat was de gang van de Banū Makhzūm. Abū Kurayb heeft ons verteld, hij zei: Wakīʿ heeft ons verteld, op gezag van Mūsā ibn ʿUbayda, op gezag van Ismāʿīl ibn Umayya, op gezag van Mujāhid: { ذَهَبَ إِلَى أَهْلِهِ يَتَمَطَّى } ("hij ging naar zijn familie, zwierig stappend"), hij zei: hij zag een man van Quraysh lopen en zei: zó liep hij, zoals deze loopt; hij wiegde zich gewichtig. Ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft ons verteld, hij zei: Ibn Thawr heeft ons verteld, op gezag van Maʿmar, op gezag van Qatāda, over Zijn woord: { يَتَمَطَّى } ("zwierig stappend"), hij zei: hij wiegde zich gewichtig; en het was Abū Jahl ibn Hishām — dat was zijn gang. En er is gezegd: dit vers werd geopenbaard over Abū Jahl. * Vermelding van wie dat gezegd heeft: Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld; en al-Ḥārith heeft mij verteld, hij zei: al-Ḥasan heeft ons verteld, hij zei: Warqāʾ heeft ons verteld — beiden op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, over Zijn woord: { يَتَمَطَّى } ("zwierig stappend"), hij zei: Abū Jahl. Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei over Zijn woord: { فَلا صَدَّقَ وَلا صَلَّى وَلَكِنْ كَذَّبَ وَتَوَلَّى ثُمَّ ذَهَبَ إِلَى أَهْلِهِ يَتَمَطَّى } ("Want hij geloofde niet en bad niet, maar hij verloochende en wendde zich af, en daarna ging hij naar zijn familie, zwierig stappend"), hij zei: dit gaat over Abū Jahl, die zich gewichtig wiegde. En met Zijn woord { يَتَمَطَّى } ("zwierig stappend") wordt bedoeld: hij draait zijn rug uit gewichtigheid; en de "maṭā" is de rug. Daarvan stamt het bericht over de Boodschapper van Allah ﷺ: "Wanneer mijn gemeenschap met al-muṭayṭāʾ (gewichtig wiegende tred) zal lopen" — en dat is dat de man zijn armen laat zwaaien en heen en weer wiegt. En Zijn woord: { أَوْلَى لَكَ فَأَوْلَى ثُمَّ أَوْلَى لَكَ فَأَوْلَى } ("Wee jou, en nog eens wee; daarna wee jou, en nog eens wee") — dit is een dreigement van Allah, dreigement op dreigement, aan Abū Jahl. Z

  33. overleveren, op gezag van Yazid al-Raqashi, op gezag van Anas ibn Malik, op gezag van de Profeet ﷺ, iets dergelijks. 7579 - Abu Kurayb heeft ons verteld, hij zei: al-Muharibi heeft ons verteld … أَعْدَاءً فَأَلَّفَ بَيْنَ قُلُوبِكُمْ فَأَصْبَحْتُمْ بِنِعْمَتِهِ إِخْوَانًا} (En gedenkt de genade van Allah aan jullie, toen jullie vijanden waren en Hij jullie harten samenbracht, zodat jullie door Zijn genade broeders werden.) Abu Jaʿfar zei: Hiermee

    Toon meer ↓

    De uitleg van de woorden van de Verhevene: {وَاعْتَصِمُوا بِحَبْلِ اللَّهِ جَمِيعًا} (En houdt jullie allen vast aan het koord van Allah.) Abū Jaʿfar zei: Hiermee bedoelt Hij — verheven is Zijn lof —: en klampt jullie allen vast aan de middelen die tot Allah leiden. Hij bedoelt daarmee — verheven is Zijn vermelding —: en houdt jullie vast aan de godsdienst van Allah die Hij jullie heeft opgedragen, en aan Zijn verbond dat Hij met jullie heeft gesloten in Zijn boek tot jullie, namelijk de eensgezindheid en het zich verenigen op het woord van de waarheid en de overgave aan het gebod van Allah. Wij hebben reeds eerder de betekenis van "het zich vastklampen" (al-iʿtiṣām) aangetoond. Wat betreft "het koord" (al-ḥabl): dat is het middel waardoor men het verlangde en het benodigde bereikt. Daarom wordt ook veiligheid "een koord" genoemd, omdat het een middel is waardoor men het verdwijnen van vrees bereikt, en redding van paniek en schrik. Daartoe behoren de woorden van al-Aʿshā van de Banū Thaʿlaba: "En wanneer de koorden van een stam je doortocht verlenen, neemt zij van de andere stam haar koorden voor jou." En daartoe behoren de woorden van Allah, machtig en verheven: {إِلا بِحَبْلٍ مِنَ اللَّهِ وَحَبْلٍ مِنَ النَّاسِ} [Sūrat Āl ʿImrān: 112] (behalve met een koord van Allah en een koord van de mensen). En in overeenstemming met wat wij hieromtrent hebben gezegd, hebben de uitleggers gesproken. * Vermelding van wie dat zei: 7562 — Yaʿqūb ibn Ibrāhīm heeft mij verteld, hij zei: Hushaym heeft ons verteld, hij zei: al-ʿAwwām heeft ons bericht, op gezag van al-Shaʿbī, op gezag van ʿAbd Allāh ibn Masʿūd, dat hij over Zijn woorden "En houdt jullie allen vast aan het koord van Allah" zei: dat is de gemeenschap (al-jamāʿa). 7563 — al-Muthannā heeft ons verteld, hij zei: ʿAmr ibn ʿAwn heeft ons verteld, hij zei: Hushaym heeft ons verteld, op gezag van al-ʿAwwām, op gezag van al-Shaʿbī, op gezag van ʿAbd Allāh over Zijn woorden "En houdt jullie allen vast aan het koord van Allah", hij zei: het koord van Allah is de gemeenschap. En anderen zeiden: hiermee worden de Qurʾān bedoeld en het verbond dat Hij daarin heeft gesloten. * Vermelding van wie dat zei: 7564 — Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over Zijn woorden "En houdt jullie allen vast aan het koord van Allah": het hechte koord van Allah waaraan Hij heeft bevolen zich vast te houden, is deze Qurʾān. 7565 — al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Maʿmar heeft ons bericht, op gezag van Qatāda, over Zijn woorden "En houdt jullie allen vast aan het koord van Allah", hij zei: aan het verbond van Allah en Zijn gebod. 7566 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Jarīr heeft ons verteld, op gezag van Manṣūr, op gezag van Shaqīq, op gezag van ʿAbd Allāh, hij zei: voorwaar, de weg (al-ṣirāṭ) is bezet — de duivels bezetten hem en roepen: "O dienaar van Allah, kom deze weg op!"

  34. Jurayj zei: ʿAtaʾ zei: ik hoorde ʿUbayd ibn ʿUmayr zeggen: toen zij tegen de Profeet ﷺ beraamden om hem te doden, of vast te zetten, of te verdrijven, zei Abu Talib tegen hem: weet … jongeman zei; ik zie geen andere! Hij zei: en zij gingen daarop uiteen, eensgezind daarover. Hij zei: toen kwam Jibril tot de Profeet ﷺ en gebood hem die nacht niet te slapen op zijn rustplaats

    Toon meer ↓

    De uitleg van Zijn woord: {وَإِذْ يَمْكُرُ بِكَ الَّذِينَ كَفَرُوا لِيُثْبِتُوكَ أَوْ يَقْتُلُوكَ أَوْ يُخْرِجُوكَ وَيَمْكُرُونَ وَيَمْكُرُ اللَّهُ وَاللَّهُ خَيْرُ الْمَاكِرِينَ} (En toen zij die ongelovig waren tegen jou een list smeedden om jou vast te zetten, of jou te doden, of jou te verdrijven; en zij smeden listen en Allah smeedt een list, en Allah is de beste der listensmeders) (8:30). Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens lof verkondigd wordt, zegt tegen Zijn Profeet Mohammed ﷺ, hem herinnerend aan Zijn gunsten jegens hem: gedenk, o Mohammed, toen zij die ongelovig waren onder de polytheïsten van jouw volk tegen jou een list smeedden om jou vast te zetten. * * * En de exegeten verschilden van mening over de uitleg van Zijn woord {om jou vast te zetten (li-yuthbitūka)}. Sommigen van hen zeiden: de betekenis ervan is: om jou te boeien. * Vermelding van wie dat zei: 15956 — Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: ʿAbd Allāh ibn Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī, op gezag van Ibn ʿAbbās, over Zijn woord: {En toen zij die ongelovig waren tegen jou een list smeedden om jou vast te zetten}, dat wil zeggen: om jou vast te binden. 15957 — ... heeft verteld, hij zei: Abū Ḥudhayfa heeft ons verteld, hij zei: Shibl heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid: {om jou vast te zetten}, om jou vast te binden. 15958 — Bishr ibn Muʿādh heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over Zijn woord: {En toen zij die ongelovig waren tegen jou een list smeedden om jou vast te zetten}, het vers, hij zegt: om jou stevig vast te binden met boeien. En zij beoogden daarmee de Profeet van Allah ﷺ, en hij was op die dag te Mekka. 15959 — Mohammed ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft ons verteld, hij zei: Mohammed ibn Thawr heeft ons verteld, op gezag van Maʿmar, op gezag van Qatāda en Miqsam, zij beiden zeiden, zij zeiden: zij wilden hem met boeien vastbinden. 15960 — Mohammed ibn al-Ḥusayn heeft mij verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: {om jou vast te zetten}, hij zei: het vastzetten (al-ithbāt) is de opsluiting en de boeien. * * * En anderen zeiden: de betekenis ervan is juist de opsluiting. * Vermelding van wie dat zei: 15961 — Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, hij zei: ik vroeg ʿAṭāʾ naar Zijn woord {om jou vast te zetten}, hij zei: om jou gevangen te zetten. En ʿAbd Allāh ibn Kathīr zei het ook. 15962 — Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei: zij zeiden: zet hem gevangen. * * * En anderen zeiden: de betekenis ervan is juist: om jou te betoveren. * Vermelding van wie dat zei: 15963 — Mohammed ibn Ismāʿīl al-Baṣrī, bekend als al-Wasāwisī, heeft mij verteld, hij zei: ʿAbd al-Majīd ibn Abī Rawwād heeft ons verteld, op

  35. houden, zolang zij zich jegens hen correct gedroegen door hun vredesovereenkomst niet te verbreken en hun vijand tegen hen niet bij te staan. Bovendien, in de elkaar versterkende overleveringen over de Boodschapper van Allah … duidelijkste bewijs voor de juistheid van wat wij hebben gezegd. Want Allah beval Zijn Profeet ﷺ niet het verbond te verbreken van een volk waarmee hij een verbond voor een termijn had gesloten

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: {بَرَاءَةٌ مِنَ اللَّهِ وَرَسُولِهِ إِلَى الَّذِينَ عَاهَدْتُمْ مِنَ الْمُشْرِكِينَ} (1) ("Een opzegging [van verbintenis] van Allah en Zijn Boodschapper jegens degenen van de polytheïsten met wie jullie een verbond hebben gesloten." [9:1]) Abū Jaʿfar zei: Met Zijn uitspraak, verheven is Zijn lof, "een opzegging van Allah en Zijn Boodschapper" wordt bedoeld: dit is een opzegging van Allah en Zijn Boodschapper. Het woord "barāʾa" (opzegging) staat in de nominatief vanwege een weggelaten woord, namelijk "dit". Zo ook Zijn uitspraak: {سُورَةٌ أَنْـزَلْنَاهَا} ("Een soera die Wij hebben neergezonden" [24:1]), die in de nominatief staat vanwege een weggelaten "dit". Indien iemand zou zeggen: "barāʾa" staat in de nominatief vanwege het terugverwijzende element in Zijn uitspraak "jegens degenen met wie jullie een verbond hebben gesloten", en hij het als een bepaald woord zou opvatten dat wat erop volgt in de nominatief plaatst, omdat het door zijn aanvulling — namelijk Zijn uitspraak "van Allah en Zijn Boodschapper" — als het ware bepaald was geworden, zodat de betekenis van de uitspraak werd: "De opzegging van Allah en Zijn Boodschapper jegens degenen van de polytheïsten met wie jullie een verbond hebben gesloten" (1) — dan zou dat een opvatting zijn waarvan de geldigheid niet te weerleggen is, ook al bevalt mij de eerste opvatting beter. Want het is de gewoonte van de Arabieren om bij elke waargenomen zaak — of die nu onbepaald of bepaald is — datgene wat zij waarnemen [stilzwijgend] te veronderstellen, namelijk "dit". Zo zeggen zij wanneer zij iets moois waarnemen: "Mooi, bij Allah!", en bij iets lelijks: "Lelijk, bij Allah!", waarmee zij bedoelen: dit is mooi, bij Allah, en dit is lelijk, bij Allah. Om die reden heb ik de eerste opvatting verkozen. Hij zei: "een opzegging van Allah en Zijn Boodschapper jegens degenen met wie jullie een verbond hebben gesloten", en de betekenis is: jegens degenen van de polytheïsten met wie de Boodschapper van Allah ﷺ een verbond had gesloten. Want de verbonden tussen de moslims en de polytheïsten waren het verbond van de Boodschapper van Allah ﷺ; niemand anders dan de Boodschapper van Allah ﷺ, of iemand die ze in zijn opdracht sloot, belastte zich met het sluiten ervan. Maar Hij sprak de gelovigen daarmee aan, omdat zij de betekenis ervan kenden, en omdat de verbonden van de Profeet ﷺ ten behoeve van zijn gemeenschap hun verbonden waren, daar zij tevreden waren met al zijn daden onder hen en zich onderwierpen aan zijn verbonden over hen. Zo werd zijn verbond over hen als hun eigen verbonden over zichzelf. Daarom zei Hij: "jegens degenen van de polytheïsten met wie jullie een verbond hebben gesloten", aangezien het het verbond en de verbintenis van de Boodschapper van Allah ﷺ betrof. * * * De uitleggers zijn van mening verschild over wie het zijn jegens wie Allah en Zijn Boodschapper het verbond hebben opgezegd dat tussen hem en de Boodschapper van Allah bestond — die

  36. boodschapper van Allah ﷺ verrichtte het [dodengebed] over hem; daarna ging hij naar buiten naar hen toe en zei: "Het betaamt een profeet niet dat hij, wanneer hij zijn wapenrusting heeft aangetrokken, deze aflegt voordat … waarover gij hen raadpleegde, aangaande de plek van uw ontmoeting en hun ontmoeting met uw vijand en hun vijand - de uitspraak van wie zei: "trek met ons naar hen uit zodat wij hen buiten Medina

    Toon meer ↓

    De uitleg van Zijn uitspraak: { وَإِذْ غَدَوْتَ مِنْ أَهْلِكَ تُبَوِّئُ الْمُؤْمِنِينَ مَقَاعِدَ لِلْقِتَالِ وَاللَّهُ سَمِيعٌ عَلِيمٌ } (3:121) (En toen gij 's ochtends van uw familie wegging om voor de gelovigen stellingen voor de strijd in te richten, en Allah is Alhorend, Alwetend.) Abū Jaʿfar [al-Ṭabarī] zei: Hij, wiens lof verheven is, bedoelt met Zijn woord "En toen gij 's ochtends van uw familie wegging om voor de gelovigen in te richten": en indien gij geduld betracht en godvrezend zijt, zal de list van deze ongelovigen onder de Joden u, o gelovigen, in niets schaden, maar Allah zal u tegen hen helpen indien gij geduld betracht in de gehoorzaamheid aan Mij en het volgen van het gebod van Mijn boodschapper, zoals Ik u bij Badr hielp terwijl gij gering in aantal waart. En indien gij, o gelovigen, Mijn gebod tegenwerkt en geen geduld betracht in wat Ik u aan plichten heb opgelegd, en niet vreest wat Ik u heb verboden, en Mijn gebod en het gebod van Mijn boodschapper tegenwerkt, dan zal u overkomen wat u overkwam bij Uḥud. En gedenkt die dag, toen uw profeet ﷺ 's ochtends uittrok om voor de gelovigen [stellingen] in te richten. = Zo werd de vermelding van het bericht over de zaak van het volk, indien zij geen geduld zouden betrachten in het gebod van hun Heer en Hem niet zouden vrezen, weggelaten, in vertrouwen op de aanwijzing die in de uitspraak naar voren komt over haar betekenis, aangezien Hij vermeldde wat Hij voor hen zou doen — namelijk het afwenden van de list van hun vijanden, indien zij geduld zouden betrachten in Zijn gebod en Zijn verbodszaken zouden vrezen — en dit liet volgen door hun te herinneren aan de beproeving die hen bij Uḥud trof, toen sommigen van hen het gebod van de boodschapper van Allah ﷺ tegenwerkten en onderling van mening verschilden in hun oordeel. = En Hij richtte de aanspraak in Zijn woord "En toen gij 's ochtends van uw familie wegging" tot de boodschapper van Allah ﷺ, terwijl in de betekenis bedoeld zijn: degenen die Hij verboden had de ongelovigen onder de Joden tot vertrouwelingen te nemen in plaats van de gelovigen. Zo heeft Hij dus duidelijk gemaakt dat Zijn woord "En toen" slechts ingevoerd werd in de betekenis van de uitspraak op de wijze die ik heb uiteengezet en verduidelijkt. * * * De uitleggers verschillen van mening over de dag die Allah, machtig en verheven, bedoelde met Zijn woord "En toen gij 's ochtends van uw familie wegging om voor de gelovigen stellingen voor de strijd in te richten". Sommigen van hen zeiden: daarmee is de dag van Uḥud bedoeld. * Vermelding van wie dat zei: 7708 — Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, op gezag van ʿĪsā, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, omtrent het woord van Allah "En toen gij 's ochtends van uw familie wegging om voor de gelovigen stellingen voor de strijd in te richten", hij zei: de Profeet ﷺ liep die dag te voet om voor de gelovigen [stellingen] in te richten. 7709 — Bishr heeft ons verteld,

  37. rakaʿat terwijl de anderen hen bewaakten, en daarna gaf hij de salam. Zo waren het voor de Profeet ﷺ vier rakaʿat en voor het volk twee rakaʿat elk. Op die dag openbaarde Allah aangaande … achter hem en een [andere] rij tegenover de vijand, en bad met degenen die naast hem stonden een rakʿah; daarna gingen dezen naar de gelederen van die anderen, en kwamen die anderen

    Toon meer ↓

    De uitleg van Zijn woord: {وَإِذَا ضَرَبْتُمْ فِي الأَرْضِ فَلَيْسَ عَلَيْكُمْ جُنَاحٌ أَنْ تَقْصُرُوا مِنَ الصَّلاةِ إِنْ خِفْتُمْ أَنْ يَفْتِنَكُمُ الَّذِينَ كَفَرُوا إِنَّ الْكَافِرِينَ كَانُوا لَكُمْ عَدُوًّا مُبِينًا} (101) ("En wanneer jullie door het land reizen, dan rust er geen zonde op jullie als jullie het gebed inkorten, indien jullie vrezen dat zij die ongelovig zijn jullie zullen beproeven. Voorwaar, de ongelovigen zijn voor jullie een openlijke vijand." [4:101]) Abū Jaʿfar zei: Hij, verheven zij Zijn lof, bedoelt met Zijn woord "En wanneer jullie door het land reizen": en wanneer jullie, o gelovigen, over de aarde rondtrekken — "dan rust er geen zonde op jullie", Hij zegt: dan rust er geen bezwaar en geen zonde op jullie — "als jullie het gebed inkorten", dat wil zeggen: dat jullie het aantal ervan inkorten, zodat jullie verrichten wat in de verblijfssituatie, terwijl jullie gevestigd zijn, vier [rakaʿāt] zou tellen, [namelijk] twee, volgens de mening van sommigen van hen. Er is ook gezegd: de betekenis ervan is: er rust geen zonde op jullie als jullie het gebed inkorten tot het geringste aantal ervan tijdens jullie reizen over de aarde — hij doelde op één [rakʿah] — volgens de mening van anderen. Anderen zeiden: de betekenis daarvan is: er rust geen zonde op jullie als jullie inkorten van de voorgeschreven grenzen (ḥudūd) van het gebed. — "indien jullie vrezen dat zij die ongelovig zijn jullie zullen beproeven", dat wil zeggen: indien jullie vrezen dat zij die ongelovig zijn (kāfir) jullie in jullie gebed zullen beproeven. En hun beproeving daarin is: dat zij hen aanvallen terwijl zij in prosternatie liggen, totdat zij hen doden of gevangennemen, en hen verhinderen het te verrichten en te volbrengen, en zich tussen hen en de aanbidding van Allah en de zuivere belijdenis van Zijn eenheid plaatsen. = Vervolgens bericht Hij, verheven zij Zijn lof, hun over de gezindheid die de lieden van het ongeloof jegens hen koesteren, en zegt: "Voorwaar, de ongelovigen zijn voor jullie een openlijke vijand", dat wil zeggen: zij die de eenheid van Allah loochenen — "zijn voor jullie een openlijke vijand", Hij zegt: een vijand die zijn vijandschap jegens jullie openlijk getoond heeft door tegen jullie de wapens op te nemen vanwege jullie geloof in Allah en in Zijn Boodschapper, vanwege jullie verzaking van de aanbidding van de afgodsbeelden en gesneden beelden die zij aanbidden, en vanwege jullie afwijking van de dwaling waarop zij zich bevinden. De mensen van de uitleg verschilden over de betekenis van "het inkorten" (al-qaṣr) waarvoor Allah de zonde van de verrichter ervan heeft weggenomen. Sommigen van hen zeiden: het is op reis, [het inkorten] van het gebed waarvan de volledige verrichting in de verblijfssituatie vier rakaʿāt verplicht was, en Hij gaf toestemming om het op reis tot twee in te korten. *Vermelding van wie dat zei: 10310 - ʿUbayd ibn Ismāʿīl al-Habbārī heeft mij verteld, hij zei: ʿAbdallāh ibn Idrīs heeft ons verteld, op ge

  38. expeditie (sariyya) van de moslims op veldtocht ging, lichtten de mensen elkaar onderling in en zeiden: "De moslims hebben hun vijand zus en zo toegebracht" en "De vijand heeft de moslims zus en zo toegebracht … maakten het onder elkaar openbaar, zonder dat de Profeet ﷺ degene was die het hun verteld had. = Ibn Jurayj zei: Ibn ʿAbbas zei betreffende Zijn uitspraak: "verspreiden zij die", hij zei: zij maakten het bekend

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: {wa-idhā jāʾahum amrun mina l-amni awi l-khawfi adhāʿū bihi} ("En wanneer er tot hen een zaak komt van veiligheid of vrees, verspreiden zij die.") Abū Jaʿfar zei: Hij bedoelt, verheven is Zijn lof, met Zijn uitspraak: "En wanneer er tot hen een zaak komt van veiligheid of vrees, verspreiden zij die" — en wanneer er tot deze groep die 's nachts iets anders beraamt dan wat de Boodschapper van Allah ﷺ zegt, = "een zaak van veiligheid" komt — de "hā" en de "mīm" in Zijn uitspraak "wanneer er tot hen komt" verwijzen naar de genoemde groep die 's nachts beraamt — Hij zegt, verheven is Zijn lof: En wanneer er tot hen een bericht komt over een strijdende expeditie (sariyya) van de moslims, dat zij veilig zijn voor hun vijand doordat zij hen overwonnen hebben = "of vrees", Hij zegt: of hun vrees voor hun vijand doordat hun vijand hen heeft getroffen = "verspreiden zij die", Hij zegt: zij maken het openbaar en verbreiden het onder de mensen vóór de Boodschapper van Allah ﷺ, en vóór de aankomst van de expedities van de Boodschapper van Allah ﷺ. = En de "hā" in Zijn uitspraak "verspreiden zij die" verwijst naar de genoemde "zaak". En de uitleg ervan is: zij verspreidden de zaak van veiligheid of vrees die tot hen kwam. Men zegt daarvan: "fulān heeft dit bericht verspreid (adhāʿa), en hij heeft het verspreid (adhāʿahu)", en daartoe behoort de uitspraak van Abū l-Aswad: Hij verspreidde het onder de mensen, totdat het was alsof het op een hoogte een vuur was, ontstoken met brandstof En overeenkomstig met wat wij hierover gezegd hebben, hebben de mensen van de uitleg gesproken. Het vermelden van wie dat zei: 9990 - Bishr ibn Muʿādh heeft het ons verteld, hij zei: Yazīd ibn Zurayʿ heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, betreffende Zijn uitspraak: "En wanneer er tot hen een zaak komt van veiligheid of vrees, verspreiden zij die", Hij zegt: zij haasten zich ermee en maken het openbaar. 9991 - Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft het ons verteld, hij zei: Aḥmad ibn Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: "En wanneer er tot hen een zaak komt van veiligheid of vrees, verspreiden zij die", Hij zegt: wanneer er tot hen een zaak komt dat zij veilig zijn voor hun vijand, of dat zij bevreesd voor hen zijn, verspreiden zij het gerucht totdat hun zaak hun vijand bereikt. 9992 - Muḥammad ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: mijn oom heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās, betreffende Zijn uitspraak: "En wanneer er tot hen een zaak komt van veiligheid of vrees, verspreiden zij die", Hij zegt: zij maken het openbaar en dragen het rond. 9993 - Al-Qāsim heeft het ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj: "En wanneer er tot hen een zaak komt van veiligheid of vrees, verspreiden zij di

  39. naar het volk." Toen ging de Boodschapper van Allah ﷺ heen en trok zijn wapenrusting aan. Daarop maakten de mensen elkaar verwijten en zeiden: "De Profeet van Allah ﷺ heeft een zaak voorgesteld en jullie … voorgesteld! Ga, o Hamza, en zeg tot de Profeet van Allah ﷺ: ons bevel volgt het jouwe." Toen kwam Hamza en zei tot hem: "O Profeet van Allah, het volk heeft elkaar verwijten gemaakt

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak, verheven is Zijn lof: {أَوَلَمَّا أَصَابَتْكُمْ مُصِيبَةٌ قَدْ أَصَبْتُمْ مِثْلَيْهَا قُلْتُمْ أَنَّى هَذَا قُلْ هُوَ مِنْ عِنْدِ أَنْفُسِكُمْ إِنَّ اللَّهَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ} (165) (En toen jullie een tegenslag trof terwijl jullie het dubbele daarvan hadden toegebracht, zeiden jullie: "Vanwaar komt dit?" Zeg: "Het komt van jullie zelf." Voorwaar, Allah is tot alle dingen in staat.) Abū Jaʿfar zei: Hij, verheven is Zijn vermelding, bedoelt daarmee: of toen jullie trof, o gelovigen — "een tegenslag" (muṣība), namelijk de gedoden die onder hen gedood werden op de dag van Uḥud, en de gewonden die onder hen gewond werden bij Uḥud, en de polytheïsten (mushrikīn) hadden op die dag zeventig man van hen gedood — "terwijl jullie het dubbele daarvan hadden toegebracht", Hij zegt: jullie hadden, o gelovigen, aan de polytheïsten het dubbele toegebracht van deze tegenslag die zij jullie hadden toegebracht, namelijk de tegenslag die de moslims aan de polytheïsten toebrachten bij Badr — en dat is dat zij van hen zeventig doodden en zeventig gevangennamen — "zeiden jullie: vanwaar komt dit?", dat betekent: jullie zeiden, toen jullie de tegenslag bij Uḥud trof — "vanwaar komt dit?", uit welke richting komt dit? En vanwaar trof ons dit wat ons trof, terwijl wij moslims zijn en zij polytheïsten, en in ons midden is de Profeet van Allah ﷺ, tot wie de openbaring uit de hemel komt, en onze vijand is een volk dat ongelovig is aan Allah en deelgenoten toekent? — "Zeg", o Muḥammad, tot de gelovigen in jou onder je metgezellen — "het komt van jullie zelf", Hij zegt: zeg tot hen: dit wat jullie trof, trof jullie van jullie zelf, door jullie overtreding van Mijn gebod en jullie verlaten van Mijn gehoorzaamheid, niet van iets anders, en niet van de kant van iemand buiten jullie. — "Voorwaar, Allah is tot alle dingen in staat", Hij zegt: voorwaar, Allah is tot alles wat Hij met Zijn schepping wil — aan vergiffenis of bestraffing, en begunstiging of wraak — "in staat", dat betekent: bezitter van vermogen. * * * Vervolgens verschilden de mensen van de uitleg (ahl al-taʾwīl) van mening over de uitleg van Zijn uitspraak: "Zeg: het komt van jullie zelf", nadat zij allen het erover eens waren dat de uitleg van de rest van de vers is zoals wij daarover van uitleg hebben gezegd. Sommigen van hen zeiden: de uitleg daarvan is: "Zeg: het komt van jullie zelf", door jullie tegenstand tegen de Profeet van Allah ﷺ, toen hij jullie aanraadde af te zien van het uittrekken naar jullie vijand en het uitrukken naar de open vlakte tegen hen, totdat zij jullie stad zouden binnentrekken en zich tussen jullie burchten zouden bevinden — maar jullie weigerden dat van hem, en zeiden: "trek met ons naar hen uit, zodat wij naar de open vlakte tegen hen uitrukken en hen buiten de stad bestrijden." * Vermelding van wie dat zei: 8179 — Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda,

  40. hebben verzameld!" Allah, verheven is Zijn lof, berichtte dit aan de Boodschapper van Allah ﷺ, en hij ging hen achterna totdat hij Hamraʾ al-Asad bereikte. Zij ontmoetten de bedoeien onderweg, en die berichtte … Klein-Badr); en dat was tijdens de tocht van de Profeet ﷺ in het daaropvolgende jaar na de slag van Uhud, om zijn vijand Abu Sufyan en diens metgezellen te ontmoeten, op de afspraak

    Toon meer ↓

    De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: {الَّذِينَ قَالَ لَهُمُ النَّاسُ إِنَّ النَّاسَ قَدْ جَمَعُوا لَكُمْ فَاخْشَوْهُمْ فَزَادَهُمْ إِيمَانًا وَقَالُوا حَسْبُنَا اللَّهُ وَنِعْمَ الْوَكِيلُ} (3:173) (Degenen tot wie de mensen zeiden: "De mensen hebben zich tegen jullie verzameld, vrees hen daarom" — maar het deed hun geloof juist toenemen, en zij zeiden: "Allah is ons genoeg, en welk een uitnemende Beschermer is Hij.") Abū Jaʿfar zei: Hiermee bedoelt Hij, verheven is Zijn vermelding: {وَأَنَّ اللَّهَ لا يُضِيعُ أَجْرَ الْمُؤْمِنِينَ} (en dat Allah de beloning van de gelovigen niet verloren laat gaan), "degenen tot wie de mensen zeiden: 'De mensen hebben zich tegen jullie verzameld'." * * * En "degenen" (alladhīna) staat in de genitief, teruggevoerd op "de gelovigen" (al-muʾminīn). Deze beschrijving is een eigenschap van hen die gehoor gaven aan Allah en de Boodschapper. * * * En "de mensen" — de eerste vermelding daarvan — zijn een groep die, naar wat aan ons is overgeleverd, door Abū Sufyān verzocht werd om de Boodschapper van Allah ﷺ en zijn metgezellen, die op zoek naar hem waren uitgetrokken na zijn terugkeer van Uḥud naar Ḥamrāʾ al-Asad, te ontmoedigen. En "de mensen" — de tweede vermelding — zijn Abū Sufyān en zijn metgezellen van de Quraysh die met hem bij Uḥud waren geweest. * * * Met Zijn uitspraak "zij hebben zich tegen jullie verzameld" bedoelt Hij: zij hebben de mannen bijeengebracht om jullie te ontmoeten en tegen jullie terug te keren voor de strijd. "Vrees hen daarom" — Hij zegt: wees op jullie hoede voor hen en mijd de ontmoeting met hen, want jullie zijn niet tegen hen opgewassen. "Maar het deed hun geloof toenemen" — Hij zegt: datgene, namelijk de bangmakerij door wie hen de zaak van Abū Sufyān en zijn metgezellen van de polytheïsten (mushrikīn) angstaanjagend afschilderde, voegde aan hun overtuiging nog meer overtuiging toe, en aan hun bevestiging van Allah, van Zijn belofte en van de belofte van Zijn Boodschapper nog meer bevestiging. Het weerhield hen niet van de richting die de Boodschapper van Allah ﷺ hun had bevolen in te slaan, maar zij trokken voort totdat zij het welbehagen van Allah daarmee bereikten. En zij zeiden — uit vertrouwen op Allah en uit overgave aan Hem, toen degene die hen bangmaakte hen voor Abū Sufyān en zijn metgezellen van de polytheïsten deed vrezen — "Allah is ons genoeg, en welk een uitnemende Beschermer is Hij." Met Zijn uitspraak "Allah is ons genoeg" bedoelt Hij: Allah is ons toereikend, dat wil zeggen: Allah is voor ons voldoende. "En welk een uitnemende Beschermer is Hij" — Hij zegt: en welk een uitnemende Beschermheer voor wie Hij beschermt en voor wie zich aan Hem toevertrouwt. * * * De Verhevene heeft Zichzelf met deze eigenschap beschreven omdat "de wakīl" (de gevolmachtigde, beschermer) in de taal van de Arabieren degene is aan wie de behartiging is toevertrouwd van de zaak van hem die de behartiging van zijn zaak aan hem heeft toevertrouwd. En aangezien de lieden die Alla

  41. Khadir niet de metgezel van Musa is." Hij zei: "De vijand van Allah liegt." Ubayy ibn Kaʿb heeft ons verteld, op gezag van de Profeet ﷺ, die zei: "Musa stond op onder de Kinderen … Kinderen van Israel zei hem: 'Dat is zo, o Profeet van Allah, dat weten wij. Maar is er op aarde iemand geleerder dan jij, o Profeet van Allah?' Hij zei: 'Nee.' Toen stuurde Allah Jibril

    Toon meer ↓

    De uitleg van de betekenis van Zijn woord: {فَوَجَدَا عَبْدًا مِنْ عِبَادِنَا آتَيْنَاهُ رَحْمَةً مِنْ عِنْدِنَا}: "Wij schonken hem een genade van bij Ons" — {وَعَلَّمْنَاهُ مِنْ لَدُنَّا عِلْمًا}: "en Wij onderrichtten hem eveneens van bij Ons kennis." Zoals Bishr ons heeft verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, die over {مِنْ لَدُنَّا عِلْمًا} zei: "Dat wil zeggen: van bij Ons — kennis." De reden voor de reis van Mūsā ﷺ en zijn jongeling, en voor zijn ontmoeting met deze geleerde die Allah in deze passage vermeldt, was — zo is overgeleverd — dat Mūsā werd gevraagd: "Is er op aarde iemand die geleerder is dan jij?" Waarop hij antwoordde: "Nee" — of zijn ziel hem daartoe verleidde. Allah achtte dit hem onwaardig en wilde hem ervan doordringen dat Hij onder Zijn dienaren op aarde iemand heeft die geleerder is dan hij, en dat het hem niet betaamde een uitspraak te doen over iets waarvan hij geen kennis had, maar dat hij dat aan Degene Die het weet had moeten overlaten. Anderen zeiden: de reden daarvoor was dat hij Allah de Geprezen en Verhevene vroeg hem naar een geleerde te leiden bij wie hij zijn kennis kon vergroten met diens kennis. Overlevering van hen die dit zeiden: Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Yaʿqūb heeft ons verteld, op gezag van Hārūn ibn ʿAntura, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās, die zei: "Mūsā vroeg zijn Heer en zei: 'Heer, welke van Uw dienaren is U het liefst?' Hij zei: 'Degene die Mij gedenkt en Mij niet vergeet.' Hij zei: 'Welke van Uw dienaren spreekt het best recht?' Hij zei: 'Degene die op grond van de waarheid rechtspreekt en zijn begeerte niet volgt.' Hij zei: 'O Heer, welke van Uw dienaren is het meest geleerd?' Hij zei: 'Degene die de kennis van de mensen zoekt bij zijn eigen kennis — wellicht treft hij een woord aan dat hem naar de leiding leidt of hem van de ondergang afhoudt.' Hij zei: 'Heer, is er op aarde iemand [die geleerder is dan ik]?' Hij zei: 'Ja.' Hij zei: 'Heer, wie is hij?' Hij zei: 'Al-Khaḍir.' Hij zei: 'En waar zoek ik hem?' Hij zei: 'Aan de kust bij de rots waarbij de vis ontsnapt.' Mūsā ging hem zoeken, en er gebeurde hetgeen Allah heeft vermeld, totdat hij hem bereikte bij de rots. Zij begroetten elkaar, en Mūsā zei tegen hem: 'Ik wil graag dat jij mij als metgezel aanneemt.' Hij zei: 'Jij zult mijn gezelschap niet kunnen verdragen.' Hij zei: 'Jawel.' Hij zei: 'Als jij mij dan volgt, vraag mij dan niet naar iets totdat ik je er zelf melding van maak.' {فَانْطَلَقَا حَتَّى إِذَا رَكِبَا فِي السَّفِينَةِ خَرَقَهَا قَالَ أَخَرَقْتَهَا لِتُغْرِقَ أَهْلَهَا لَقَدْ جِئْتَ شَيْئًا إِمْرًا * قَالَ أَلَمْ أَقُلْ إِنَّكَ لَنْ تَسْتَطِيعَ مَعِيَ صَبْرًا * قَالَ لا تُؤَاخِذْنِي بِمَا نَسِيتُ وَلا تُرْهِقْنِي مِنْ أَمْرِي عُسْرًا * فَانْطَلَقَا حَتَّى إِذَا لَقِيَا غُلامًا فَقَتَلَهُ قَالَ أَقَتَلْتَ نَفْسًا زَكِيَّةً بِغَيْرِ نَفْسٍ لَقَدْ جِئْتَ شَيْئًا نُكْرًا}... tot Zijn woord {لاتَّخَذْتَ عَلَيْهِ أَجْرًا}.' Ibh ʿAbbās zei:

  42. liet de duivel hem los. De ezel ging naar binnen, en de duivel ging met hem mee. Noeh zei tegen hem: ''Wat brengt jou bij mij, o vijand van Allah?'' Hij zei: ''Heb jij niet … ging, na zeshonderd jaar van zijn leven, zeventien nachten na het begin van de maand - bewogen de bronnen van de diepste aarde, en werden de deuren van de hemel geopend, zoals Allah tot Zijn Profeet

    Toon meer ↓

    De uitleg van het woord van Allah de Verhevene: { وَيَصْنَعُ الْفُلْكَ وَكُلَّمَا مَرَّ عَلَيْهِ مَلأٌ مِنْ قَوْمِهِ سَخِرُوا مِنْهُ قَالَ إِنْ تَسْخَرُوا مِنَّا فَإِنَّا نَسْخَرُ مِنْكُمْ كَمَا تَسْخَرُونَ } (''En hij bouwde de ark, en telkens wanneer een groep van de vooraanstaanden van zijn volk langs hem liep, bespotten zij hem. Hij zei: Als jullie ons bespotten, dan bespotten wij jullie zoals jullie spotten. Binnenkort zullen jullie het weten.'') (38) Aboe Djaʿfar zei: Allah de Verhevene zegt: En Noeh bouwde het schip, en telkens wanneer een groep van de vooraanstaanden van zijn volk langs hem liep (''bespotten zij hem'') — zij lachten Noeh uit en zeiden tegen hem: ''Ben je een timmerman geworden na de profeetschap, en bouw je een schip op het droge land?'' Noeh zei dan tegen hen: (''Als jullie ons bespotten'') — als jullie ons vandaag uitlachen, dan lachen wij jullie uit in het hiernamaals, zoals jullie ons uitlachen in de wereld. (''Binnenkort zullen jullie het weten''), wanneer jullie de bestraffing van Allah aanschouwen, wie van ons het was die zichzelf kwaad aandeed. De bouw van het schip door Noeh was als volgt: 18133 — Al-Muthanná en Ṣāliḥ ibn Mismār hebben mij verteld, zij zeiden: Ibn Abī Maryam heeft ons verteld, hij zei: Mūsā ibn Yaʿqūb heeft ons bericht, hij zei: Fāʾid, vrijgelatene van ʿUbaydallāh ibn ʿAlī ibn Abī Rāfiʿ, heeft mij verteld: dat Ibrāhīm ibn ʿAbd al-Raḥmān ibn Abī Rabīʿa hem berichtte: dat ʿĀʾisha, de echtgenote van de Profeet, moge Allah hem zegenen en vrede schenken, hem berichtte: dat de boodschapper van Allah, moge Allah hem zegenen en vrede schenken, zei: ''Als Allah iemand van het volk van Noeh had willen begenadigen, zou hij de moeder van het kind hebben begenadigd!'' De boodschapper van Allah, moge Allah hem zegenen en vrede schenken, zei: ''Noeh bleef negenhonderd vijftig jaar bij zijn volk, roepend tot Allah, totdat het einde van zijn tijd naderde. Hij plantte een boom, die groeide en alle kanten opschoot. Daarna kapte hij hem neer en begon een schip te bouwen. Mensen liepen langs en vroegen hem, en hij zei: 'Ik bouw een schip!' Ze bespotten hem en zeiden: 'Je bouwt een schip op het droge land — hoe zal het varen!' Hij zei: 'Binnenkort zullen jullie het weten.' Toen het gereed was, en de oven borrelde, en het water zich in de straten verzamelde, was de moeder van het kind bevreesd voor hem — zij hield van hem met een hevige liefde. Zij ging uit naar de berg totdat zij een derde van de weg bereikte. Toen het water haar bereikte, klom zij totdat zij tweederde had bereikt. Toen het water haar bereikte, klom zij totdat zij op de berg stond. Toen het water haar nek bereikte, hief zij het kind op met haar beide handen — totdat het water haar meenam. Als Allah iemand van hen had willen begenadigen, zou Hij de moeder van het kind hebben begenadigd.''' 18134 — Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, hij zei: Ons is gemeld dat de lengte va

  43. Profeet ﷺ verhief zijn stem met de Koran; wanneer de polytheisten zijn stem hoorden, belasterden zij de Koran en degene die ermee was gekomen. Dan verlaagde de Profeet ﷺ de Koran, maar zijn metgezellen hoorden … ʿAbbas, hij zei: "Wanneer de Profeet ﷺ luidruchtig de Koran reciteerde tijdens zijn gebed, verspreidden zij zich en weigerden te luisteren. Iemand die iets wilde horen van wat de Profeet ﷺ reciteerde tijdens zijn gebed

    Toon meer ↓

    Allah de Verhevene zegt tot Zijn Profeet: "Zeg, o Muhammad, tot de polytheïsten van jouw volk die de aanroeping van de Barmhartige (al-Rahmān) verwerpen: { ادْعُوا اللَّهَ } (roept Allah aan), o volk, { أَوِ ادْعُوا الرَّحْمَنَ أَيًّا مَا تَدْعُوا فَلَهُ الأسْمَاءُ الْحُسْنَى } (of roept de Barmhartige aan — met welke naam van Zijn namen de Verhevene gij ook uw Heer aanroept, gij roept Één aan en Hem behoort de Schoonste Namen toe." Dit vers werd tot hem ﷺ gericht omdat de polytheïsten naar men zegt de Profeet ﷺ hoorden zijn Heer aanroepen met: "O onze Heer Allah" en "O onze Heer de Barmhartige" — zij meenden dat hij twee goden aanriep. Zo zond Allah dit vers neer op Zijn Profeet ﷺ als bewijs voor Zijn Profeet tegen hen. Vermelding van de overlevering waarop wij doelden: Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Husayn heeft ons verteld, hij zei: Muhammad ibn Kathīr heeft mij verteld, op gezag van ʿAbd Allāh ibn Wāqid, op gezag van Abū al-Jawzāʾ, op gezag van Ibn ʿAbbās. Hij zei: "De Profeet ﷺ was prostrerend in gebed en riep aan: 'O Barmhartige, o Genadevolle.' De polytheïsten zeiden: 'Dit beweert dat hij Één aanroept, maar hij roept er twee aan tegelijk.' Toen zond Allah neer: { قُلِ ادْعُوا اللَّهَ أَوِ ادْعُوا الرَّحْمَنَ أَيًّا مَا تَدْعُوا فَلَهُ الأسْمَاءُ الْحُسْنَى } (Zeg: roept Allah aan of roept de Barmhartige aan — met welke naam gij ook aanroept, Hem behoort de Schoonste Namen toe) ... het vers. Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Husayn heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft mij verteld, op gezag van al-Awzāʿī, op gezag van Makhūl, dat de Profeet ﷺ "op een nacht te Mekka het vrijwillige nachtgebed verrichtte en in zijn prostrerend gebed zei: 'O Barmhartige, o Genadevolle.' Een man van de polytheïsten hoorde hem; de volgende ochtend zei hij tot zijn metgezellen: 'Let op wat ibn Abī Kabsha zei — hij riep deze nacht de Barmhartige aan die in al-Yamāma is' — en er was te al-Yamāma een man die al-Rahmān werd genoemd. Toen daalde neer: { قُلِ ادْعُوا اللَّهَ أَوِ ادْعُوا الرَّحْمَنَ أَيًّا مَا تَدْعُوا فَلَهُ الأسْمَاءُ الْحُسْنَى } (Zeg: roept Allah aan of roept de Barmhartige aan — met welke naam gij ook aanroept, Hem behoort de Schoonste Namen toe)." Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over Zijn woord { قُلِ ادْعُوا اللَّهَ أَوِ ادْعُوا الرَّحْمَنَ أَيًّا مَا تَدْعُوا فَلَهُ الأسْمَاءُ الْحُسْنَى } (Zeg: roept Allah aan of roept de Barmhartige aan — met welke naam gij ook aanroept, Hem behoort de Schoonste Namen toe). Muhammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀsim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld; en al-Hārith heeft mij verteld, hij zei: al-Hasan heeft ons verteld, hij zei: Warqāʾ heeft ons verteld — beiden op gezag van Ibn Abī Najīh, op gezag van Mujāhid, over Zijn woord { أَيًّا مَا تَدْعُوا } (met welke naam gij ook aanroept): "met welke van Zijn namen dan ook." Mūsā ibn Sahl heeft mij verteld, hij zei: Muhammad ibn Bakkār

  44. Toen raakte hun zaak in verwarring, en hun vijand vertrad hen, totdat van hun zonen en hun vrouwen genomen werden. (41) Onder hen bevond zich een profeet die Allah naar hen gestuurd had, maar … Kinderen van Israel zeiden tegen hun profeet: En wat zou ons ervan weerhouden om op de weg van Allah te strijden tegen onze vijand en de vijand van Allah - "terwijl wij toch verdreven zijn

    Toon meer ↓

    De uitleg van de uitspraak van Allah: {أَلَمْ تَرَ إِلَى الْمَلإِ مِنْ بَنِي إِسْرَائِيلَ مِنْ بَعْدِ مُوسَى إِذْ قَالُوا لِنَبِيٍّ لَهُمُ ابْعَثْ لَنَا مَلِكًا نُقَاتِلْ فِي سَبِيلِ اللَّهِ} (Heb je niet gezien naar de vooraanstaanden van de Kinderen van Israël na Mozes, toen zij tegen een profeet van hen zeiden: "Stuur ons een koning, dan zullen wij strijden op de weg van Allah.") Abū Jaʿfar zei: De Verhevene bedoelt met Zijn woord "Heb je niet gezien" — heb je niet gezien, o Muḥammad, met je hart, (1) en weet je niet door wat Ik je bericht, o Muḥammad — "naar de vooraanstaanden (al-malaʾ)", dat wil zeggen: naar de aanzienlijken van de Kinderen van Israël, hun edelen en hun leiders — "na Mozes", Hij zegt: nadat Mozes weggenomen was en gestorven was — "toen zij tegen een profeet van hen zeiden: Stuur ons een koning, dan zullen wij strijden op de weg van Allah." Mij is verteld dat de profeet die dat tegen hen zei Shamwīl (2) ibn Bālī (3) ibn ʿAlqama (4) ibn Yarḥām (5) ibn Ilīhū (6) ibn Tahū ibn Ṣūf (7) ibn ʿAlqama ibn Māḥith (8) ibn ʿAmūṣā (9) ibn ʿAzryā ibn Ṣafniyya (10) ibn ʿAlqama ibn Abī Yāsaf (11) ibn Qārūn (12) ibn Yaṣhar (13) ibn Qāhith (14) ibn Lāwī ibn Yaʿqūb ibn Isḥāq ibn Ibrāhīm was. 5626 – Dat heeft Ibn Ḥumayd ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Ibn Isḥāq, (15) op gezag van Wahb ibn Munabbih. 5627 – En ook al-Muthannā ibn Ibrāhīm heeft mij verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: Ismāʿīl ibn ʿAbd al-Karīm heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Ṣamad ibn Maʿqil heeft mij verteld: dat hij Wahb ibn Munabbih hoorde zeggen: hij is Shamwīl, hij is Shamwīl — maar hij gaf zijn afstamming niet zoals Ibn Isḥāq die gaf. (16) * * * Al-Suddī zei: Nee, zijn naam was Shamʿūn. En hij zei: Hij werd alleen "Shamʿūn" genoemd omdat zijn moeder Allah aanriep om haar een jongen te schenken, en Allah verhoorde haar gebed en schonk haar er een, en zij baarde een jongen en noemde hem "Shamʿūn", zeggend: Allah, de Verhevene, heeft mijn gebed gehoord (samiʿa). 5628 – Mūsā heeft mij [dat] verteld, hij zei: ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī. (17) * * * Het is alsof "Shamʿūn" volgens al-Suddī een vorm "faʿlūn" is, afgeleid van haar uitspraak: dat Allah haar gebed hoorde (samiʿa). (18) * * * 5629 – Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, op gezag van Mujāhid, betreffende Zijn woord: "Heb je niet gezien naar de vooraanstaanden van de Kinderen van Israël na Mozes, toen zij tegen een profeet van hen zeiden", hij zei: Shamʾūl. (19) * * * En anderen zeiden: Nee, degene aan wie zijn volk uit de Kinderen van Israël vroeg om voor hen een koning aan te stellen met wie zij op de weg van Allah zouden strijden, was Yūshaʿ (20) ibn Nūn ibn Afrāthīm (21) ibn Yūsuf ibn Yaʿqūb ibn Isḥāq ibn Ibrāhīm. 5630 – Dat heeft al-Ḥasan ibn Yaḥyā mij verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Maʿmar

  45. voorbereiding van Allah, machtig en verheven, voor Zijn Profeet, vrede zij met hem, en Zijn bondgenoten, van de middelen om macht over hun vijand te verkrijgen en hen te overwinnen. * * * En in overeenstemming … lichte regenbui - dat wil zeggen: de nacht in de ochtend waarvan de slag bij Badr plaatsvond. Wij gingen onder de bomen en de schilden, om ons daaronder tegen de regen te beschutten. En de Boodschapper

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: {Toen Hij de sluimering over jullie deed neerdalen als een geruststelling van Hem, en water uit de hemel op jullie neerzond om jullie daarmee te reinigen, en de onreinheid (rijz) van de duivel van jullie weg te nemen, en om jullie harten te versterken en daarmee de voeten standvastig te maken} (11). Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens lof wordt vermeld, zegt: {en opdat jullie harten daardoor gerust zouden worden}, "toen Hij de sluimering over jullie deed neerdalen". En met Zijn uitspraak (Hij deed de sluimering over jullie neerdalen) bedoelt Hij: Hij wierp de sluimering over jullie — (als een geruststelling — amana), hij zegt: als een veiligstelling van Allah voor jullie tegen jullie vijand, dat hij jullie zou overwinnen; en evenzo is de sluimering tijdens de oorlog een geruststelling van Allah, machtig en verheven. * * * 15758 — Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū Nuʿaym heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van ʿĀṣim, op gezag van Abī Razīn, op gezag van ʿAbdallāh, hij zei: de sluimering tijdens de strijd is een geruststelling van Allah, machtig en verheven, en tijdens het gebed (ṣalāh) is zij van de duivel. 15759 — Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft mij verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: al-Thawrī heeft ons bericht over Zijn uitspraak: "de sluimering bedekt jullie als een geruststelling van Hem", op gezag van ʿĀṣim, op gezag van Abī Razīn, op gezag van ʿAbdallāh, met iets vergelijkbaars, hij zei: ʿAbdallāh zei — en hij vermeldde het gelijke daarvan. 15760 — Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: mijn vader heeft ons verteld, op gezag van Sufyān, op gezag van ʿĀṣim, op gezag van Abī Razīn, op gezag van ʿAbdallāh, met iets vergelijkbaars. * * * En "al-amana" is een maṣdar van de uitspraak van wie zegt: "amintu min kadhā amanatan, wa-amānan, wa-amnan", en dat alles heeft één en dezelfde betekenis. * * * En in overeenstemming met wat wij in dezen hebben gezegd, hebben de mensen van de uitleg gesproken. * Vermelding van wie dat zei: 15761 — Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid: (als een geruststelling van Hem), een veiligstelling van Allah, machtig en verheven. 15762 — . . . . hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: ʿAbdallāh heeft ons verteld, op gezag van Warqāʾ, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid: (als een geruststelling), hij zei: een veiligstelling van Allah. 15763 — Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons verteld, hij zei: Ibn Zayd zei over Zijn uitspraak: (toen Hij de sluimering over jullie deed neerdalen als een geruststelling van Hem), hij zei: Allah, machtig en verheven, deed de sluimering neerdalen als een geruststelling tegen de angst die hen trof op de dag van Uḥud. En hij reciteerde: {Daarna deed Hij na de droefenis een geruststelling over jullie neerdalen, een sluimering} [Sūra Āl ʿ

  46. zijn rijk.' Wij zullen opschrijven wat zij zeiden, en hun doden van de profeten zonder recht"). Abu Jaʿfar zei: Er wordt vermeld dat dit vers en de verzen erna geopenbaard werden over sommige … gezag van Ibn ʿAbbas, die zei: Abu Bakr al-Siddiq, moge Allah tevreden met hem zijn, ging het leerhuis (bayt al-midras) binnen, en hij trof daar een groot aantal joden aan die zich verzameld

    Toon meer ↓

    De uitleg van Zijn woord: {لَقَدْ سَمِعَ اللَّهُ قَوْلَ الَّذِينَ قَالُوا إِنَّ اللَّهَ فَقِيرٌ وَنَحْنُ أَغْنِيَاءُ سَنَكْتُبُ مَا قَالُوا وَقَتْلَهُمُ الأَنْبِيَاءَ بِغَيْرِ حَقٍّ} ("Voorzeker, Allah heeft de uitspraak gehoord van degenen die zeiden: 'Voorwaar, Allah is arm en wij zijn rijk.' Wij zullen opschrijven wat zij zeiden, en hun doden van de profeten zonder recht"). Abū Jaʿfar zei: Er wordt vermeld dat dit vers en de verzen erna geopenbaard werden over sommige van de joden die leefden ten tijde van de Boodschapper van Allah ﷺ. De vermelding van de overleveringen daarover: 8300 - Abū Kurayb heeft ons verteld, hij zei: Yūnus ibn Bukayr heeft ons verteld, hij zei: Muḥammad ibn Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: Muḥammad ibn Abī Muḥammad, de vrijgelatene van Zayd ibn Thābit, heeft ons verteld, op gezag van ʿIkrima: dat hij het hem vertelde op gezag van Ibn ʿAbbās, die zei: Abū Bakr al-Ṣiddīq, moge Allah tevreden met hem zijn, ging het leerhuis (bayt al-midrās) binnen, en hij trof daar een groot aantal joden aan die zich verzameld hadden rond een man van hen die Finḥāṣ heette, die een van hun geleerden en schriftgeleerden (aḥbār) was. Bij hem was een schriftgeleerde die Ashyaʿ heette. Abū Bakr, moge Allah tevreden met hem zijn, zei tegen Finḥāṣ: "Wee jou, o Finḥāṣ, vrees Allah en bekeer je tot de islam, want bij Allah, jij weet zeker dat Mohammed de Boodschapper van Allah is, hij is met de waarheid van bij Allah tot jullie gekomen; jullie vinden hem bij jullie opgeschreven in de Torah en het Evangelie!" Finḥāṣ zei: "Bij Allah, o Abū Bakr, wij hebben jegens Allah geen armoede, en Hij is jegens ons waarlijk arm! Wij smeken Hem niet zoals Hij ons smeekt, en wij zijn jegens Hem zeker rijk; en als Hij rijk was ten opzichte van ons, zou Hij niet van ons lenen zoals jullie metgezel beweert! Hij verbiedt jullie de woekerrente (ribā) en geeft die aan ons! En als Hij rijk was ten opzichte van ons, zou Hij ons geen woekerrente geven!" Toen werd Abū Bakr boos en sloeg het gezicht van Finḥāṣ met een harde slag, en zei: "Bij Degene in wiens hand mijn ziel is, ware het niet om het verbond dat tussen ons en jullie is, dan zou ik je nek afslaan, o vijand van Allah! Logenstraf ons dan zoveel als jullie kunnen, indien jullie waarachtig zijn." Finḥāṣ ging naar de Boodschapper van Allah ﷺ en zei: "O Mohammed, kijk wat jouw metgezel mij heeft aangedaan!" De Boodschapper van Allah ﷺ zei tegen Abū Bakr: "Wat heeft je gebracht tot wat je hebt gedaan?" Hij zei: "O Boodschapper van Allah, de vijand van Allah heeft een geweldige uitspraak gedaan; hij beweerde dat Allah arm is en dat zij jegens Hem rijk zijn! Toen hij dat zei, werd ik boos omwille van Allah om wat hij zei, en sloeg ik zijn gezicht." Finḥāṣ ontkende dat en zei: "Ik heb dat niet gezegd!" Toen openbaarde Allah, gezegend en verheven is Hij, over wat Finḥāṣ had gezegd, als weerlegging tegen hem en bevestiging voor Abū Bakr: {لقد سمع الله قول الذين قالوا إن الله فقير ونحن أغنياء سنكتب ما قالوا وقتلهم الأنب

  47. zijn de stamhoofden van wie de uitzending werd vermeld = opdat zij hem hun bericht zouden brengen. Zij gingen op weg, en een man van de tirannen ontmoette hen, stopte hen in zijn mantel, en droeg … treden onder de tirannen, en zij beiden hadden zich tot de islam bekeerd en de profeet van Allah, moge Allah hem zegenen en vrede schenken, gevolgd. * * * Abu Jaʿfar zei: En de meest verkieslijke

    Toon meer ↓

    De uitleg van de uitspraak van Hem, verheven is Zijn lof: {قَالَ رَجُلانِ مِنَ الَّذِينَ يَخَافُونَ أَنْعَمَ اللَّهُ عَلَيْهِمَا} ("Twee mannen uit hen die vreesden, aan wie Allah gunst had geschonken, zeiden..."). Abū Jaʿfar zei: Dit is een bericht van Allah, machtig is Zijn gedachtenis, over de twee rechtschapen mannen uit het volk van Mozes - "Jozua, de zoon van Nūn" en "Kālib, de zoon van Yāfanā" - dat zij trouw waren aan Mozes in wat hij hun had opgedragen, namelijk dat zij hun volk, de kinderen van Israël - die hij had bevolen het heilige land binnen te trekken tegen de tirannen onder de Kanaänieten - niet zouden inlichten over wat zij hadden gezien en met eigen ogen aanschouwd van de hevige slagkracht van de tirannen en de geweldigheid van hun gestalte. En Allah, machtig en verheven, beschreef hen beiden als behorend tot hen die Allah vrezen en Hem nauwlettend gadeslaan in Zijn gebod en verbod, zoals:- 11664 - Muḥammad ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld = ḥ, en Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: mijn vader heeft ons verteld, op gezag van Sufyān = ḥ, en Hannād heeft ons verteld, hij zei: Wakīʿ heeft ons verteld, op gezag van Sufyān = op gezag van Manṣūr, op gezag van Mujāhid: "Twee mannen uit hen die vreesden, aan wie Allah gunst had geschonken, zeiden", hij zei: Kalāb, de zoon van Yāfanā, en Jozua, de zoon van Nūn. 11665 - Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Ḥakkām heeft ons verteld, op gezag van ʿAmr ibn Abī Qays, op gezag van Manṣūr, op gezag van Mujāhid, die zei: "Twee mannen uit hen die vreesden, aan wie Allah gunst had geschonken", hij zei: Jozua, de zoon van Nūn, en Kalāb, de zoon van Yāfanā, en zij beiden behoorden tot de stamhoofden (al-nuqabāʾ). 11666 - Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, in een verhaal dat hij vermeldde, hij zei: Toen keerden de stamhoofden terug, allen weerhielden zij hun stam ervan tegen hen te strijden, behalve Jozua, de zoon van Nūn, en Kalāb, de zoon van Yāfana; zij beiden bevalen de stammen om tegen de tirannen te strijden en hen te bevechten, maar zij waren hun beiden ongehoorzaam en gehoorzaamden de anderen. Zij beiden zijn dus de twee mannen aan wie Allah gunst had geschonken. 11667 - Ibn Ḥumayd en Sufyān ibn Wakīʿ hebben ons verteld, zij beiden zeiden: Jarīr heeft ons verteld, op gezag van Manṣūr, op gezag van Mujāhid, zoals de overlevering van Ibn Bashshār, op gezag van Ibn Mahdī = behalve dat Ibn Ḥumayd in zijn overlevering zei: zij beiden behoorden tot de twaalf stamhoofden. 11668 - ʿAbd al-Karīm ibn al-Haytham heeft mij verteld, hij zei: Ibrāhīm ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, hij zei: Abū Saʿīd zei: ʿIkrima zei, op gezag van Ibn ʿAbbās, in een verhaal dat hij vermeldde, hij zei: Toen keerden zij - dat wil zeggen de twaalf stamhoofden - terug naar Mozes en deel

  48. Boodschapper van Allah ﷺ terug van Tabuk en ging er niet voorbij, en Allah openbaarde: {Allah heeft zich waarlijk in genade gewend tot de Profeet en de uitgewekenen en de helpers, die hem volgden … moslims, terwijl zij de karavaan van Quraysh op het oog hadden, totdat Allah hen en hun vijand zonder afspraak samenbracht. En ik was wel met de Boodschapper van Allah ﷺ aanwezig in de nacht

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: {En over de drie die achtergelaten werden, totdat de aarde, ondanks haar wijdte, hun te eng werd en hun eigen zielen hun benauwden, en zij beseften dat er geen toevlucht is voor Allah behalve bij Hem. Toen wendde Hij Zich tot hen, opdat zij berouw zouden tonen. Voorwaar, Allah is de Berouwaanvaardende, de Genadevolle (118).} Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens lof verheven is, zegt: {Allah heeft zich waarlijk in genade gewend tot de Profeet ﷺ en de uitgewekenen (al-muhājirūn) en de helpers (al-anṣār)} = {en over de drie die achtergelaten werden}. En deze drie, die Allah in dit vers heeft beschreven met datgene waarmee Hij hen beschreef — volgens wat is overgeleverd —, zijn de anderen over wie Hij, wiens lof verheven is, zei: {En er zijn anderen, uitgesteld voor het bevel van Allah: ofwel bestraft Hij hen, ofwel wendt Hij Zich in genade tot hen. En Allah is Alwetend, Alwijs} [soera Al-Tawbah: 106]. Hij wendde Zich dus, machtig is Zijn gedachtenis, in genade tot hen en begunstigde hen. En reeds is vermeld wie van de mensen van de uitleg dat heeft gezegd, op een wijze die het overbodig maakt het hier te herhalen. (1) Abū Jaʿfar zei: De uitleg van de woorden is dus: En Allah heeft zich waarlijk in genade gewend tot de drie die Allah achterstelde wat betreft het berouw, en die Hij uitstelde ten opzichte van degene tot wie Hij Zich in genade had gewend van hen die achtergebleven waren bij de Boodschapper van Allah ﷺ, zoals:- 17431- Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Maʿmar heeft ons bericht, op gezag van iemand die ʿIkrimah hoorde, over Zijn uitspraak: {en over de drie die achtergelaten werden (khullifū)}, hij zei: zij werden achtergesteld wat betreft het berouw. 17432- Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatādah: Wat betreft Zijn uitspraak: {achtergelaten werden}, zij werden achtergesteld wat betreft het berouw. * * * {totdat de aarde, ondanks haar wijdte, hun te eng werd}, Hij zegt: ondanks haar ruimte, (2) van verdriet en spijt over hun achterblijven bij de jihād met de Boodschapper van Allah ﷺ = {en hun eigen zielen hun benauwden}, door wat hen overkwam aan smart en kommer daarom = {en zij beseften dat er geen toevlucht is}, Hij zegt: en zij waren in hun harten overtuigd dat er niets was waar zij hun toevlucht toe konden nemen tegen wat hen overkomen was van het bevel van Allah aan beproeving, (3) wegens hun achterblijven in strijd met de Boodschapper van Allah ﷺ, dat hen zou redden uit Zijn kommer, noch tegen wat zij vreesden van de bestraffing van Allah, behalve Allah. Toen schonk Hij hun de inkeer tot Zijn gehoorzaamheid en de terugkeer tot wat Hem omtrent hen tevredenstelt, opdat zij zich tot Hem zouden wenden en zouden terugkeren tot Zijn gehoorzaamheid en het zich houden aan Zijn gebod en verbod = {voorwaar, Allah is de Berouwaanvaardende (al-tawwāb), de Genadevolle (a

  49. gezegd?" Hij zei, terwijl hij zich verontschuldigde: "O profeet van Allah, hij zei het slechts als bescherming, en het was niet zo!" Toen zei de Profeet, moge Allah hem zegenen en vrede schenken … Profeet, moge Allah hem zegenen en vrede schenken, vermeld, en hij gebood hun hem te begraven; vervolgens wierp de aarde hem uit, totdat dit driemaal met hem was gedaan. Toen zei de Profeet, moge Allah

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: { يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا إِذَا ضَرَبْتُمْ فِي سَبِيلِ اللَّهِ فَتَبَيَّنُوا وَلا تَقُولُوا لِمَنْ أَلْقَى إِلَيْكُمُ السَّلامَ لَسْتَ مُؤْمِنًا تَبْتَغُونَ عَرَضَ الْحَيَاةِ الدُّنْيَا فَعِنْدَ اللَّهِ مَغَانِمُ كَثِيرَةٌ كَذَلِكَ كُنْتُمْ مِنْ قَبْلُ فَمَنَّ اللَّهُ عَلَيْكُمْ فَتَبَيَّنُوا إِنَّ اللَّهَ كَانَ بِمَا تَعْمَلُونَ خَبِيرًا (94) } (O jullie die geloven, wanneer jullie uittrekken op de weg van Allah, vergewist jullie dan, en zegt niet tegen wie jullie de vrede/onderwerping aanbiedt: "Jij bent geen gelovige", uit begeerte naar het vergankelijke goed van het wereldse leven, want bij Allah is overvloedige buit. Zo waren jullie voorheen, maar Allah heeft jullie begunstigd, dus vergewist jullie. Voorwaar, Allah is steeds op de hoogte van wat jullie doen. (94)) Abū Jaʿfar zei: De Verhevene bedoelt met Zijn uitspraak "O jullie die geloven": o jullie die Allah voor waar hebben gehouden en Zijn boodschapper voor waar hebben gehouden in dat waarmee hij tot hen kwam van bij hun Heer. "Wanneer jullie uittrekken op de weg van Allah" – Hij zegt: wanneer jullie op tocht gaan, voor Allah, in de gewapende strijd (jihād) tegen jullie vijanden. "Vergewist jullie dan" – Hij zegt: gaat dan behoedzaam te werk bij het doden van iemand wiens zaak jullie onduidelijk is, zodat jullie de werkelijkheid van zijn islam noch van zijn ongeloof kennen, en haast jullie niet zodat jullie iemand doden wiens situatie jullie onhelder is, en gaat niet over tot het doden van wie dan ook, behalve het doden van degene van wie jullie met zekerheid weten dat hij in oorlog is met jullie, met Allah en met Zijn boodschapper. "En zegt niet tegen wie jullie de vrede/onderwerping (al-salām/al-salam) aanbiedt" – Hij zegt: en zegt niet tegen wie zich aan jullie overgeeft en jullie niet bestrijdt, terwijl hij jullie te kennen geeft dat hij tot jullie geloofsgemeenschap en jullie roeping behoort: "Jij bent geen gelovige", zodat jullie hem doden uit begeerte naar "het vergankelijke goed van het wereldse leven" – Hij zegt: uit het zoeken naar de genietingen van het wereldse leven. Want "bij Allah is overvloedige buit", van Zijn voorziening en de overvloed van Zijn gunsten; en dat is beter voor jullie indien jullie Allah gehoorzamen in dat wat Hij jullie geboden en verboden heeft, zodat Hij jullie daarmee beloont voor jullie gehoorzaamheid aan Hem. Zoekt dat dus van bij Hem. "Zo waren jullie voorheen" – Hij zegt: zoals deze man die jullie de onderwerping aanbood en tegen wie jullie zeiden "Jij bent geen gelovige" en die jullie doodden, zo waren jullie zelf voorheen, dat wil zeggen: vóórdat Allah Zijn religie machtig maakte door haar volgelingen en helpers, terwijl jullie jullie geloof verborgen hielden, zoals deze man die jullie doodden en wiens bezit jullie namen zijn geloof verborgen hield voor zijn volk, om het niet aan hen te tonen, uit vrees voor zichzelf voor hen. Er is ook gezegd dat de betekenis van Zijn uitspraak "Zo waren jul

  50. zijn zoon ontsnapte uit de handen van de vijand, kwam langs een kudde schapen van de vijand, dreef die voor zich uit en bracht die naar zijn vader, en bracht met zich mee een rijkdom … Profeet ﷺ kwam terwijl hij in nood verkeerde, en hem om hulp vroeg. De Profeet ﷺ zei tot hem: "Vrees Allah en wees geduldig." Hij zei: Dat heb ik gedaan. Toen ging hij naar zijn

    Toon meer ↓

    En Zijn woord: (En Hij zal hem voorzien vanwaar hij het niet verwacht) — Hij zegt: En Hij zal voor hem de oorzaken van levensonderhoud bewerkstelligen vanwaar hij het niet vermoedt en niet weet. En in overeenstemming met wat wij hierover hebben gezegd, hebben de geleerden van de uitleg gesproken, en sommigen van hen vermeldden dat dit vers werd geopenbaard vanwege ʿAwf ibn Mālik al-Ashjaʿī. * Vermelding van wie dat heeft gezegd: Abū Kurayb heeft ons verteld, hij zei: Ibn Ṣalt heeft ons verteld, op gezag van Qays, op gezag van al-Aʿmash, op gezag van Abū al-Ḍuḥā, op gezag van Masrūq, op gezag van ʿAbd Allāh, betreffende Zijn woord: (En wie Allah vreest, voor hem zal Hij een uitweg maken); hij zei: hij weet dat het van Allah komt, en dat Allah het is die geeft en weerhoudt. Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van al-Aʿmash, op gezag van Abū al-Ḍuḥā, op gezag van Masrūq: (En wie Allah vreest, voor hem zal Hij een uitweg maken); hij zei: De uitweg is dat hij weet dat Allah, gezegend en verheven is Hij, hem zou geven als Hij wilde, en hem zou weerhouden als Hij wilde. (En Hij zal hem voorzien vanwaar hij het niet verwacht); hij zei: vanwaar hij het niet beseft. Abū al-Sāʾib heeft mij verteld, hij zei: Abū Muʿāwiya heeft ons verteld, op gezag van al-Aʿmash, op gezag van Abū al-Ḍuḥā, op gezag van Masrūq, het gelijke daarvan. ʿAlī heeft mij verteld, hij zei: Abū Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī, op gezag van Ibn ʿAbbās, betreffende Zijn woord: (En wie Allah vreest, voor hem zal Hij een uitweg maken); hij zegt: zijn redding uit alle benauwdheid in dit leven en het hiernamaals, (en Hij zal hem voorzien vanwaar hij het niet verwacht). Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van al-Rabīʿ ibn al-Mundhir, op gezag van zijn vader, op gezag van al-Rabīʿ ibn Khuthaym: (En wie Allah vreest, voor hem zal Hij een uitweg maken); hij zei: uit elke zaak die de mensen benauwt. Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Yaḥyā ibn Wāḍiḥ heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, op gezag van Yazīd, op gezag van ʿIkrima: (En wie Allah vreest, voor hem zal Hij een uitweg maken); hij zei: wie scheidt zoals Allah hem heeft bevolen, voor hem maakt Hij een uitweg. ʿAlī ibn ʿAbd al-Aʿlā al-Muḥāribī heeft mij verteld, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān ibn Muḥammad al-Muḥāribī heeft ons verteld, op gezag van Juwaybir, op gezag van al-Ḍaḥḥāk, betreffende Zijn woord: (En wie Allah vreest, voor hem zal Hij een uitweg maken) — en wie Allah vreest, voor hem maakt Hij van zijn zaak gemak; hij zei: met de uitweg en het gemak wordt bedoeld: wanneer hij één keer de echtscheiding (ṭalāq) uitspreekt en daarna over haar zwijgt, dan kan hij, als hij wil, haar terugnemen met de getuigenis van twee rechtschapen mannen — dat is het gemak waarover Allah heeft gesproken. En als haar w

  51. geopenbaard. Sommigen zeiden: Het is geopenbaard met betrekking tot Abu Talib, de oom van de Profeet ﷺ; want de Profeet ﷺ wilde na zijn dood vergeving voor hem vragen, en Allah verbood … للمشركين} het vers - aan ons is verteld dat een man van de metgezellen van de Profeet ﷺ zei: O Profeet van Allah, onder onze vaders waren er die het nabuurschap goed onderhielden, de familiebanden aanhielden

    Toon meer ↓

    {وما كان استغفار إبراهيم لأبيه إلا عن موعدة وعدها إياه فلما تبين له أنه عدو لله تبرأ منه} (En het vragen om vergeving door Ibrāhīm voor zijn vader was slechts vanwege een belofte die hij hem had gedaan; maar toen het hem duidelijk werd dat hij een vijand van Allah was, distantieerde hij zich van hem.) De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: Het paste de Profeet Mohammed ﷺ en hen die in hem geloofden niet om vergeving te vragen — Hij zegt: om met smeekbede vergeving te vragen — voor de polytheïsten (mushrikīn), zelfs al waren de polytheïsten voor wie zij vergeving vroegen verwanten, bloedverwanten van hen. {من بعد ما تبين لهم أنهم أصحاب الجحيم} (nadat het hun duidelijk is geworden dat zij de bewoners van het Hellevuur zijn), Hij zegt: nadat zij gestorven zijn in hun toekenning van deelgenoten aan Allah (shirk) en hun aanbidding van de afgodsbeelden, en het hun duidelijk is geworden dat zij behoren tot de mensen van het Vuur; want Allah heeft reeds besloten dat Hij geen polytheïst zal vergeven. Het past hun dus niet om hun Heer te vragen iets te doen waarvan zij wisten dat Hij het niet zal doen. Wanneer zij zeggen: Maar Ibrāhīm heeft toch vergeving gevraagd voor zijn vader, terwijl deze een polytheïst was? — dan was het vergeving vragen door Ibrāhīm voor zijn vader slechts vanwege een belofte die hij hem had gedaan. {فلما تبين له} (Maar toen het hem duidelijk werd) en hij wist dat hij een vijand van Allah was, liet hij hem los en staakte hij het vragen om vergeving voor hem, en hij verkoos Allah en Diens gebod boven hem, en distantieerde zich van hem toen zijn toestand hem duidelijk werd. De uitleggers verschilden van mening over de aanleiding waarvoor dit vers is geopenbaard. Sommigen zeiden: Het is geopenbaard met betrekking tot Abū Ṭālib, de oom van de Profeet ﷺ; want de Profeet ﷺ wilde na zijn dood vergeving voor hem vragen, en Allah verbood hem dat. De vermelding van wie dat zei: 13466 — Muḥammad ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft ons verteld, hij zei: Muḥammad ibn Thawr heeft ons verteld, op gezag van Maʿmar, hij zei: Toen de dood Abū Ṭālib naderde, kwam de Profeet ﷺ bij hem binnen, en bij hem waren Abū Jahl en ʿAbdallāh ibn Abī Umayya. Hij zei: "O oom, zeg: er is geen god dan Allah — een woord waarmee ik voor jou bij Allah zal pleiten!" Toen zeiden Abū Jahl en ʿAbdallāh ibn Abī Umayya tegen hem: O Abū Ṭālib, wend jij je af van de geloofsleer van ʿAbd al-Muṭṭalib? De Profeet ﷺ zei: "Ik zal zeker vergeving voor je vragen zolang mij dat niet verboden is!" Toen werd geopenbaard: {ما كان للنبي والذين آمنوا أن يستغفروا للمشركين} (Het paste de Profeet en hen die geloofden niet om vergeving te vragen voor de polytheïsten), en er werd geopenbaard: {إنك لا تهدي من أحببت} (Voorwaar, jij leidt niet wie jij liefhebt). 13467 — Aḥmad ibn ʿAbd al-Raḥmān ibn Wahb heeft mij verteld, hij zei: Mijn oom ʿAbdallāh ibn Wahb heeft ons verteld, hij zei: Yūnus heeft mij verteld, op gezag van al-Zuhrī, hij zei: Saʿīd ibn al-Musayyab heeft mij bericht, op gezag van

  52. Zijn woord tot Zijn profeet, vrede zij met hem: (en niet jij wierp toen jij wierp, maar Allah wierp). Hij schreef het werpen toe aan de Profeet van Allah, ontkende het vervolgens … jullie weten dat Allah het werpen van Zijn profeet, Allahs zegen en vrede zij met hem, naar de polytheisten aan Zichzelf heeft toegeschreven, nadat Hij Zijn profeet ermee had beschreven

    Toon meer ↓

    De uitleg van Zijn woord: {فَلَمْ تَقْتُلُوهُمْ وَلَكِنَّ اللَّهَ قَتَلَهُمْ وَمَا رَمَيْتَ إِذْ رَمَيْتَ وَلَكِنَّ اللَّهَ رَمَى وَلِيُبْلِيَ الْمُؤْمِنِينَ مِنْهُ بَلاءً حَسَنًا إِنَّ اللَّهَ سَمِيعٌ عَلِيمٌ} (17) ("Niet jullie hebben hen gedood, maar Allah heeft hen gedood; en niet jij wierp toen jij wierp, maar Allah wierp — opdat Hij de gelovigen daarmee een goede beproeving zou laten ondervinden. Voorwaar, Allah is Alhorend, Alwetend." (17)) Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt tot hen die in Hem en in Zijn boodschapper geloven, namelijk degenen die bij Badr aanwezig waren met de boodschapper van Allah, Allahs zegen en vrede zij met hem, en die met hem de vijanden van zijn religie bevochten, te weten de ongelovigen van de Quraysh: niet jullie hebben de polytheïsten (mushrikīn) gedood, o gelovigen, maar Allah heeft hen gedood. * * * Hij, verheven is Zijn lof, schreef hun doding aan Zichzelf toe en ontkende dat het van de gelovigen in Hem uitging die de polytheïsten bevochten, omdat Hij, verheven is Zijn lof, degene was die hun doding bewerkstelligde, en het op Zijn bevel was dat de gelovigen hen bevochten. Daarin ligt het duidelijkste bewijs voor de onjuistheid van de uitspraak van hen die ontkennen dat Allah in de daden van Zijn schepselen enige werking heeft waardoor zij die daden bereiken. En zo ook Zijn woord tot Zijn profeet, vrede zij met hem: (en niet jij wierp toen jij wierp, maar Allah wierp). Hij schreef het werpen toe aan de Profeet van Allah, ontkende het vervolgens van hem, en berichtte over Zichzelf dat Híj de werper was, omdat Hij, verheven is Zijn lof, degene was die het geworpene deed aankomen bij hen op wie het geworpen werd, de polytheïsten, en die het werpen voor Zijn boodschapper bewerkstelligde. Tegen hen die ontkennen wat wij hebben vermeld, wordt dan gezegd: jullie weten dat Allah het werpen van Zijn profeet, Allahs zegen en vrede zij met hem, naar de polytheïsten aan Zichzelf heeft toegeschreven, nadat Hij Zijn profeet ermee had beschreven en het aan hem had toegeschreven — en dat is één en dezelfde daad: van Allah ging het bewerkstelligen en het richten uit, en van de boodschapper van Allah, Allahs zegen en vrede zij met hem, het slingeren en het loslaten. Wat belet jullie dan om te erkennen dat zo ook alle overige verworven daden van de schepselen zijn: van Allah de voortbrenging en de voltrekking door bewerkstelliging, en van het schepsel de verwerving door de vermogens? Zij kunnen over het ene niet iets zeggen, of zij worden verplicht in het andere hetzelfde te stellen. * * * En overeenkomstig wat wij hierover hebben gezegd, hebben de uitleggers gesproken. * Vermelding van wie dat zei: 15817 - Mohammed ibn ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid over het woord van Allah (Niet jullie hebben hen gedood): tot de metgezellen van Mohammed, Allahs zegen en vrede zij met hem, toen

  53. hebt mij niet als laatste der profeten overgelaten dan voor wat slecht voor mij is; indien U mij goed had gewenst, zou U mij niet de laatste der profeten van de Banu Israʾil gemaakt hebben … Musa en Zijn profeten met de waarheid heeft gezonden, ik zal mijn Heer nooit de ondergang van de Banu Israʾil bevelen." Vervolgens ging hij naar de koning van de Banu Israʾil en deelde

    Toon meer ↓

    **Of zoals degene die langs een stad kwam** De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: {أو كالذي مر على قرية} ("Of zoals degene die langs een stad kwam"). De Verhevene — geprezen zij Zijn vermelding — bedoelt met Zijn woord: {أو كالذي مر على قريه} ("Of zoals degene die langs een stad kwam") iets dat overeenkomt met wat Hij bedoelde met Zijn woord: {ألم تر إلى الذي حاج إبراهيم في ربه} ("Heb je niet gezien naar degene die met Ibrāhīm twistte over zijn Heer"), namelijk dat de Profeet ﷺ zich daarover verwonderde. En Zijn woord: {أو كالذي مر على قريه} ("Of zoals degene die langs een stad kwam") is verbonden (door coördinatie) met Zijn woord: {ألم تر إلى الذي حاج إبراهيم في ربه} ("Heb je niet gezien naar degene die met Ibrāhīm twistte over zijn Heer"). Hij verbond Zijn woord {أو كالذي} ("Of zoals degene die") met Zijn woord {إلى الذي حاج إبراهيم في ربه} ("naar degene die met Ibrāhīm twistte over zijn Heer"), ook al verschillen hun bewoordingen, vanwege de gelijksoortigheid van hun aard, omdat Zijn woord {ألم تر إلى الذي حاج إبراهيم في ربه} ("Heb je niet gezien naar degene die met Ibrāhīm twistte over zijn Heer") de betekenis heeft van: "Heb je, o Muḥammad, niet gezien iemand zoals degene die met Ibrāhīm twistte over zijn Heer?" Vervolgens verbond Hij daarmee Zijn woord: {أو كالذي مر على قريه} ("Of zoals degene die langs een stad kwam"), want het is een gewoonte van de Arabieren om door coördinatie een uitspraak te verbinden met een betekenis die er overeenkomstig en voorafgaand aan is, ook al verschilt de ene bewoording van de andere. Sommige grammatici van Baṣra hebben beweerd dat de "kāf" in Zijn woord {أو كالذي مر على قريه} ("Of zoals degene die langs een stad kwam") overtollig is, en dat de betekenis is: "Heb je niet allen gezien — degene die met Ibrāhīm twistte, of degene die langs een stad kwam?" Wij hebben echter eerder uiteengezet dat het niet toelaatbaar is dat er in het Boek van Allah iets staat dat geen betekenis heeft, op een wijze die het overbodig maakt dit op deze plaats te herhalen. De uitleggers (ahl al-taʾwīl) zijn van mening verschild over degene die langs een stad kwam, terwijl deze tot op haar daken in puin lag. Sommigen van hen zeiden: het was ʿUzayr. Vermelding van wie dat zei: 4591 — Muḥammad ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van Abū Isḥāq, op gezag van Nājiya ibn Kaʿb, over {أو كالذي مر على قرية وهي خاوية على عروشها} ("Of zoals degene die langs een stad kwam terwijl deze tot op haar daken in puin lag"), hij zei: het was ʿUzayr. 4592 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Yaḥyā ibn Wāḍiḥ heeft ons verteld, hij zei: Abū Khuzayma heeft ons verteld, hij zei: ik hoorde Sulaymān ibn Burayda over Zijn woord {أو كالذي مر على قريه} ("Of zoals degene die langs een stad kwam"), hij zei: het was ʿUzayr. 4593 — Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over {أو كالذي مر على قر

  54. zodat hij datgene wat zijn ziel schaadt en baat ging kennen, en in haar bevrijding ging werken uit de toorn van Allah en Zijn bestraffing in het hiernamaals. Zo maakte Hij zijn schouwen … zeggen, dan zou Hij voor Zijn profeten en Zijn vrienden van de dwaling en het ongeloof hetzelfde hebben verfraaid als wat Hij daarvan voor Zijn vijanden en de mensen van het ongeloof in Hem heeft

    Toon meer ↓

    De uitleg van de uitspraak: {أَوَمَنْ كَانَ مَيْتًا فَأَحْيَيْنَاهُ وَجَعَلْنَا لَهُ نُورًا يَمْشِي بِهِ فِي النَّاسِ كَمَنْ مَثَلُهُ فِي الظُّلُمَاتِ لَيْسَ بِخَارِجٍ مِنْهَا} ("Is dan hij die dood was en die Wij tot leven brachten en voor wie Wij een licht maakten waarmee hij onder de mensen wandelt, gelijk aan hem wiens gelijkenis [die van iemand] in de duisternissen is, waaruit hij niet kan ontkomen?" (6:122)). Abū Jaʿfar zei: Dit woord van Allah, wiens lof verheven is, wijst op Zijn verbod aan de gelovigen door middel van Zijn Boodschapper op die dag om enkele polytheïsten te gehoorzamen die met hen twistten over het eten van het kadaver — door middel van datgene wat wij over hen vermeld hebben aangaande hun twisten met hen daarover — en Zijn opdracht aan hen om een gelovige onder hen te gehoorzamen die [voorheen] een ongelovige was geweest, en die Allah, wiens lof verheven is, leidde tot zijn rechte weg en de bekwaamheid tot het geloof schonk. Zo zei Hij tot hen: is de gehoorzaamheid aan hem die dood was — Hij zegt: hij die een ongelovige was? — Hij, wiens lof verheven is, plaatste hem, vanwege zijn afkering van Zijn gehoorzaamheid, en zijn onwetendheid over Zijn eenheid en de wetsbepalingen van Zijn godsdienst, en zijn nalaten zijn deel te nemen aan het werk voor Allah dat hem tot zijn redding zou voeren, op de rang van "de dode" die zichzelf met niets nuttigs baat, noch een naderend onheil van zichzelf afwendt — {فَأَحْيَيْنَاهُ} ("en die Wij tot leven brachten"). Hij zegt: Wij leidden hem tot de islam, en Wij wekten hem op, zodat hij datgene wat zijn ziel schaadt en baat ging kennen, en in haar bevrijding ging werken uit de toorn van Allah en Zijn bestraffing in het hiernamaals. Zo maakte Hij zijn schouwen van de waarheid, de Verhevene wiens vermelding verheven is, na zijn blindheid daarvoor, en zijn kennis van Zijn eenheid en de wetsbepalingen van Zijn godsdienst na zijn onwetendheid daarover, tot een leven en een schijnsel waarmee hij zich verlicht, zodat hij op de juiste baan en het heldere pad onder de mensen wandelt — {كَمَنْ مَثَلُهُ فِي الظُّلُمَاتِ} ("gelijk aan hem wiens gelijkenis [die van iemand] in de duisternissen is"), die niet weet hoe hij zich moet wenden, en welke weg hij moet inslaan, vanwege de hevigheid van de duisternis van de nacht en het verloren raken van de weg daarin. Zo is ook deze ongelovige, dwalend in de duisternissen van het ongeloof, die geen rechte weg ziet en geen waarheid kent — Hij bedoelt: in de duisternissen van het ongeloof. Hij zegt: is dan de gehoorzaamheid aan deze die Wij tot de waarheid geleid hebben en wie Wij de juiste weg hebben doen schouwen, gelijk aan de gehoorzaamheid aan hem wiens gelijkenis die is van iemand die in de duisternissen ronddoolt en de uitweg daaruit niet kent — in deze [eerste] zijn oproep tot het verbieden van wat Allah verboden heeft en het toestaan van wat Hij toegestaan heeft, en in die [andere] zijn toestaan van wat Allah verboden heeft en zijn verbieden van wat Hij

  55. zonder kennis Allah beschimpen") (6:108). Abu Jaʿfar zei: Hij, verheven zij Zijn gedachtenis, zegt tot Zijn profeet Muhammad, ﷺ, en tot de gelovigen in hem: en beschimp niet hen die de polytheisten (mushrikin) buiten … ʿAbbas, over Zijn woord: (en beschimp niet hen die zij buiten Allah aanroepen, opdat zij niet uit vijandigheid en zonder kennis Allah beschimpen), hij zei: zij zeiden: o Muhammad, jij houdt op met het beschimpen

    Toon meer ↓

    De uitleg van Zijn, de Verhevene, woord: {وَلا تَسُبُّوا الَّذِينَ يَدْعُونَ مِنْ دُونِ اللَّهِ فَيَسُبُّوا اللَّهَ عَدْوًا بِغَيْرِ عِلْمٍ} ("En beschimp niet hen die zij buiten Allah aanroepen, opdat zij niet uit vijandigheid en zonder kennis Allah beschimpen") (6:108). Abū Jaʿfar zei: Hij, verheven zij Zijn gedachtenis, zegt tot Zijn profeet Muḥammad, ﷺ, en tot de gelovigen in hem: en beschimp niet hen die de polytheïsten (mushrikīn) buiten Allah aanroepen aan goden en deelgenoten, opdat de polytheïsten niet Allah beschimpen uit onwetendheid omtrent hun Heer, en uit overtreding zonder kennis, zoals: 13738 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya ibn Ṣāliḥ heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī ibn Abī Ṭalḥa, op gezag van Ibn ʿAbbās, over Zijn woord: (en beschimp niet hen die zij buiten Allah aanroepen, opdat zij niet uit vijandigheid en zonder kennis Allah beschimpen), hij zei: zij zeiden: o Muḥammad, jij houdt op met het beschimpen van onze goden, of wij smaden jouw Heer! Toen verbood Allah hun om hun afgoden te beschimpen, opdat zij niet uit vijandigheid en zonder kennis Allah zouden beschimpen. 13739 - Bishr ibn Muʿādh heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over Zijn woord: (en beschimp niet hen die zij buiten Allah aanroepen, opdat zij niet uit vijandigheid en zonder kennis Allah beschimpen), de moslims plachten de afgoden van de ongelovigen (kuffār) te beschimpen, en dezen kaatsten dat op hen terug. Toen verbood Allah hun dat zij aanleiding gaven tot het beschimpen van hun Heer, want het was een onwetend volk dat geen kennis had van Allah. 13740 - Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: (en beschimp niet hen die zij buiten Allah aanroepen, opdat zij niet uit vijandigheid en zonder kennis Allah beschimpen), hij zei: toen de dood Abū Ṭālib nabij was, zei de Quraysh: laten wij ons begeven naar deze man, opdat wij hem vragen zijn neef tegen ons te verbieden, want wij schamen ons om hem te doden na zijn (Abū Ṭālibs) dood, zodat de Arabieren zouden zeggen: "Hij beschermde hem, en toen hij stierf, doodden zij hem!" Zo gingen Abū Sufyān, Abū Jahl, al-Naḍr ibn al-Ḥārith, Umayya en Ubayy de twee zonen van Khalaf, ʿUqba ibn Abī Muʿayṭ, ʿAmr ibn al-ʿĀṣ en al-Aswad ibn al-Bakhtarī, en zij stuurden een man van hen vooruit die "al-Muṭṭalib" werd genoemd, en zij zeiden: vraag toestemming bij Abū Ṭālib! Toen kwam hij bij Abū Ṭālib en zei: deze oudsten van jouw volk willen bij jou binnenkomen! Toen gaf hij hun toestemming, en zij kwamen bij hem binnen en zeiden: o Abū Ṭālib, jij bent onze oudste en onze heer, en Muḥammad heeft ons gekwetst en onze goden gekwetst, en wij wensen dat jij hem ontbiedt en hem verbiedt onze goden te noemen, en laat hem dan met zijn god! Toen ontbood hij hem, en de profeet van Allah, ﷺ, kwam. Abū Ṭālib zei

  56. kwaad zou wedervaren. Daarna ging hij weg. Maar uiteindelijk bleef het zo dat Talut, tot het eind van zijn leven, listen beraamde om hem te doden, en Talut bevocht geen vijand zonder hem te verslaan … gestorven was, gingen de Israelieten naar Dawud toe en brachten hem en maakten hem koning en gaven hem de schatkamers van Talut, en zij zeiden: "Niemand heeft Jalut gedood dan een profeet." Allah zei: { وقتل

    Toon meer ↓

    فهزموهم بإذن الله وقتل داود جالوت { Zij versloegen hen dus met toestemming van Allah, en Dāwūd doodde Jālūt } Bespreking van de uitleg van Zijn uitspraak — verheven is Zijn vermelding —: { فهزموهم بإذن الله وقتل داود جالوت } (Zij versloegen hen dus met toestemming van Allah, en Dāwūd doodde Jālūt). De Verhevene bedoelt met Zijn woord: Ṭālūt en zijn legers versloegen de aanhangers van Jālūt, en Dāwūd doodde Jālūt. In deze uitspraak zit iets weggelaten, waarvan de vermelding is achterwege gelaten omdat de aanwijzing van wat ervan zichtbaar is voldoende was om ernaar te verwijzen. Want de betekenis van de uitspraak is: en toen zij tegenover Jālūt en zijn legers verschenen, zeiden zij: "Onze Heer, stort over ons standvastigheid uit, maak onze voeten vast en help ons tegen het ongelovige volk!" Toen verhoorde hun Heer hen, en Hij stortte Zijn standvastigheid over hen uit, maakte hun voeten vast en hielp hen tegen het ongelovige volk, en zo versloegen zij hen met toestemming van Allah. Maar Hij heeft de vermelding daarvan achterwege gelaten, omdat de aanwijzing van Zijn woord: { فهزموهم بإذن الله } (Zij versloegen hen dus met toestemming van Allah) volstond om aan te geven dat Allah hun smeekbede die zij verricht hadden, had verhoord. En de betekenis van Zijn woord: { فهزموهم بإذن الله } (Zij versloegen hen dus met toestemming van Allah) is: zij doodden hen volgens het besluit en de voorbeschikking van Allah. Men zegt hiervan: "hazama l-qawmu l-jaysha hazīmatan wa-hazīmā" (het volk bracht het leger een nederlaag toe). { وقتل داود جالوت } (en Dāwūd doodde Jālūt) — deze Dāwūd is Dāwūd, de zoon van Īshā, de profeet van Allah ﷺ. En de aanleiding van zijn doden van hem was zoals: 4477 — Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Bakkār ibn ʿAbd Allāh heeft ons bericht, hij zei: ik hoorde Wahb ibn Munabbih vertellen, hij zei: toen Ṭālūt uittrok — of hij zei: toen Ṭālūt verscheen — tegenover Jālūt, zei Jālūt: "Stuur mij iemand om mij te bevechten; als hij mij doodt, dan is mijn koninkrijk voor jullie, en als ik hem dood, dan is jullie koninkrijk voor mij!" Toen werd Dāwūd bij Ṭālūt gebracht, en hij sloot met hem een overeenkomst: als hij hem doodde, zou hij hem zijn dochter ten huwelijk geven en hem zeggenschap over zijn bezit geven. Ṭālūt deed hem een wapenrusting aan, maar Dāwūd was er afkerig van om met die rusting te strijden, en hij zei: "Als Allah mij niet tegen hem helpt, dan baat het wapen niet." Hij trok dus tegen hem uit met de slinger en met een tas waarin stenen zaten, en daarna verscheen hij tegenover hem. Jālūt zei tegen hem: "Ga jíj mij bevechten?" Dāwūd zei: "Ja." Hij zei: "Wee jou! Kom je niet anders naar mij toe dan zoals men met een slinger en stenen op een hond afkomt? Ik zal je vlees verbrokkelen en het vandaag aan de vogels en de roofdieren te eten geven!" Dāwūd zei tegen hem: "Nee, jíj bent de vijand van Allah, slechter dan een hond." Toen nam Dāwūd een steen en wierp die met de slinger,

  57. gehoord hadden. Toen Saʿd bij de Boodschapper van Allah ﷺ en de moslims aankwam, zei hij [de Profeet]: "staat op naar jullie heer." Toen stonden zij naar hem op, en zij zeiden: o Abu ʿAmr … huis van de dochter van al-Harith, een vrouw van de Banu al-Najjar. Vervolgens ging de Boodschapper van Allah ﷺ naar de markt van Medina, die nog steeds haar markt

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak, de Verhevene: { وَأَنْزَلَ الَّذِينَ ظَاهَرُوهُمْ مِنْ أَهْلِ الْكِتَابِ مِنْ صَيَاصِيهِمْ وَقَذَفَ فِي قُلُوبِهِمُ الرُّعْبَ فَرِيقًا تَقْتُلُونَ وَتَأْسِرُونَ فَرِيقًا } (33:26) (En Hij liet hen die hen bijstonden van de Mensen van het Boek uit hun vestingen afdalen, en Hij wierp in hun harten de schrik; een groep doodden jullie en een groep namen jullie gevangen.) Allah, verheven zij Zijn vermelding, zegt: en Allah liet degenen afdalen die de bondgenoten (al-aḥzāb) van Qurayš en Ghaṭafān tegen de Boodschapper van Allah ﷺ en zijn metgezellen geholpen hadden — en dat was hun bijstand aan hen — en daarmee bedoelde Hij de Banū Qurayẓa, en zij waren het die de bondgenoten tegen de Boodschapper van Allah ﷺ bijstonden. En Zijn uitspraak: { مِنْ أهْلِ الكتاب } (van de Mensen van het Boek) betekent: van de mensen van de Tawrāt, en zij waren Joden. En Zijn uitspraak: { منْ صيَاصِيهمْ } (uit hun vestingen) betekent: uit hun vestingen (ḥuṣūn). En in overeenstemming met wat wij hierover gezegd hebben, hebben de mensen van de uitleg (ahl al-taʾwīl) gesproken. * Vermelding van wie dat gezegd heeft: Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld; en al-Ḥārith heeft mij verteld, hij zei: al-Ḥasan heeft ons verteld, hij zei: Warqāʾ heeft ons verteld, beiden op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid: { وَأَنـزلَ الَّذِينَ ظَاهَرُوهُمْ مِنْ أَهْلِ الْكِتَابِ } (En Hij liet hen die hen bijstonden van de Mensen van het Boek afdalen) — hij zei: de Qurayẓa; hij zegt: Hij liet hen uit hun vestingen afdalen. Bišr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over Zijn uitspraak: { وَأَنـزلَ الَّذِينَ ظَاهَرُوهُمْ مِنْ أَهْلِ الْكِتَابِ } (En Hij liet hen die hen bijstonden van de Mensen van het Boek afdalen) — zij zijn de Banū Qurayẓa, zij stonden Abū Sufyān bij en correspondeerden met hem, en zo verbraken zij het verbond dat tussen hen en de Profeet van Allah was. Hij zei: en terwijl de Boodschapper van Allah ﷺ bij Zaynab bint Jaḥš zijn hoofd waste — zij had reeds de ene zijde gewassen — kwam Jibrāʾīl, vrede zij met hem, tot hem en zei: moge Allah je vergeven! De engelen hebben hun wapens al veertig nachten niet neergelegd; trek op naar de Banū Qurayẓa, want ik heb hun pezen reeds doorgesneden, hun deuren geopend, en hen in beving en ontreddering achtergelaten. Hij zei: toen deed de Boodschapper van Allah ﷺ zijn wapenrusting aan, en vervolgens nam hij de straat van de Banū Ghanm, en de mensen volgden hem, terwijl hij zijn wenkbrauw met het stof had omwonden. Hij zei: toen kwam de Boodschapper van Allah ﷺ bij hen en belegerde hen en riep hen toe: "o broeders van de apen!" Zij zeiden: o Abū al-Qāsim, jij was nooit een schender van fatsoen. Toen daalden zij af volgens het oordeel van Ibn Muʿādh, en er was tussen hen en zijn volk een bondgenootschap, dus hoopten zij dat hem ten aanzien van hen mi

  58. Bakr een weddenschap met Qurays. Daarna kwam hij bij de Profeet ﷺ en zei tot hem: Ik heb met hen een weddenschap aangegaan. De Profeet ﷺ zei tot hem: "Was je niet voorzichtiger geweest, want … elkaar, en de Romeinen werden verslagen. Dat bereikte de Profeet ﷺ en zijn metgezellen, terwijl zij in Mekka waren, en het viel hun zwaar. De Profeet ﷺ verafschuwde het dat de ongeletterden onder de magiers

    Toon meer ↓

    ( In enkele jaren. Aan Allah behoort het bevel, zowel daarvoor ) — namelijk de overwinning van Perzië op hen — ( als daarna ) — namelijk hun overwinning op Perzië. Hij beslist onder Zijn schepselen wat Hij wil en oordeelt wat Hij verlangt, en Hij doet wie Hij wil van hen zegevieren over wie Hij liefheeft te laten zegevieren. ( En op die dag zullen de gelovigen zich verheugen over de hulp van Allah ). Hij zegt: en op de dag waarop de Romeinen (Byzantijnen) Perzië overwinnen, zullen de gelovigen in Allah en Zijn Boodschapper zich verheugen over de hulp die Allah hun verleende tegen de polytheïsten (mushrikīn), en over de overwinning van de Romeinen op Perzië. ( Hij helpt ) — Allah, verheven zij Zijn vermelding — ( wie Hij wil ) van Zijn schepselen, tegen wie Hij wil; dit is de hulp aan de gelovigen tegen de polytheïsten bij Badr. ( En Hij is de Almachtige ). Hij zegt: en Allah is hard in Zijn vergelding aan Zijn vijanden; niets weerhoudt Hem daarvan, en geen belemmering staat tussen Hem en dat. ( de Barmhartige ) jegens wie van Zijn schepselen berouw toont en terugkeert tot gehoorzaamheid aan Hem, dat Hij hem niet bestraft. En in overeenstemming met wat wij hierover gezegd hebben, hebben de uitleggers (ahl al-taʾwīl) gesproken. * Vermelding van wie dat gezegd heeft: Ibn al-Muthannā heeft ons verteld, hij zei: Muḥammad ibn Saʿīd heeft ons verteld — of Saʿīd al-Thaʿlabī, die Abū Saʿd genoemd wordt, van de mensen van Ṭarsūs — hij zei: Abū Isḥāq al-Fazārī heeft ons verteld, op gezag van Sufyān ibn Saʿīd al-Thawrī, op gezag van Ḥabīb ibn Abī ʿAmra, op gezag van Saʿīd ibn Jubayr, op gezag van Ibn ʿAbbās, die zei: De moslims wensten dat de Romeinen, de Mensen van het Boek, de overwinning zouden behalen, en de polytheïsten wensten dat de mensen van Perzië zouden zegevieren, omdat zij afgodendienaren waren. Hij zei: Zij vermeldden dat aan Abū Bakr, en Abū Bakr vermeldde het aan de Profeet ﷺ, die zei: "Voorwaar, zij zullen verslagen worden." Hij zei: Toen vermeldde Abū Bakr dat aan de polytheïsten. Hij zei: Zij zeiden: Zullen wij tussen ons en jullie een termijn stellen? Als zij zegevieren, krijg jij zus en zo, en als wij zegevieren, krijgen wij zus en zo. En hij zei: Zo stelden zij tussen hen en hem een termijn van vijf jaar. Hij zei: Die verstreek, en zij waren niet verslagen. Hij zei: Toen vermeldde Abū Bakr dat aan de Profeet ﷺ, die tot hem zei: "Had je het niet op minder dan tien moeten stellen?" Saʿīd zei: en al-biḍʿ (enkele) is wat onder de tien ligt. Hij zei: Toen werden de Romeinen verslagen, en daarna zegevierden zij. Hij zei: Dat is Zijn uitspraak: ( Alif Lām Mīm. De Romeinen zijn verslagen in het nabijgelegen land, en zij zullen na hun nederlaag overwinnen, in enkele jaren ). Hij zei: al-biḍʿ is wat onder de tien ligt. ( Aan Allah behoort het bevel, zowel daarvoor als daarna, en op die dag zullen de gelovigen zich verheugen over de hulp van Allah ). Sufyān zei: Mij heeft bereikt dat zij zegevierden op de dag van Badr. Zakariyyā ibn Yaḥyā ibn

  59. nooit kwam er een man met hetgeen waarmee jij gekomen bent, of hij werd vijandig bejegend. En als jouw dag mij bereikt, zal ik jou krachtig bijstaan.'" Daarna was het eerste wat van de Koran … iets schandelijks begaan." Hij zei: toen ging Khadija naar Waraqa en bracht hem het relaas. Hij zei: "Als jij waarachtig bent, dan is jouw echtgenoot waarlijk een profeet, en hij zal van zijn gemeenschap zwaarte

    Toon meer ↓

    { الَّذِي عَلَّمَ بِالْقَلَمِ } ("Die door middel van de pen onderwees") (96:4) — Zijn schepping het schrijven en het schrift onderwees. Zoals Bishr ons heeft verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: { اقْرَأْ بِاسْمِ رَبِّكَ الَّذِي خَلَقَ } ("Lees voor in de naam van jouw Heer die geschapen heeft") (96:1), hij reciteerde totdat hij bereikte { عَلَّمَ بِالْقَلَمِ } ("onderwees door middel van de pen"), hij zei: de pen is een geweldige gunst van Allah; ware dat er niet, dan zou de religie niet standhouden en het leven niet deugdelijk zijn. En er werd gezegd: dit is de eerste surah die van de Koran werd neergezonden op de Boodschapper van Allah ﷺ. * Vermelding van wie dat heeft gezegd: Aḥmad ibn ʿUthmān al-Baṣrī heeft mij verteld, hij zei: Wahb ibn Jarīr heeft ons verteld, hij zei: mijn vader heeft ons verteld, hij zei: ik hoorde al-Nuʿmān ibn Rāshid zeggen, op gezag van al-Zuhrī, op gezag van ʿUrwa, op gezag van ʿĀʾisha, dat zij zei: het eerste waarmee de openbaring aan de Boodschapper van Allah ﷺ begon, was de waarachtige droom; die kwam zoals het aanbreken van de ochtendschemering. Daarna werd de eenzaamheid hem bemind, en hij placht zich in de grot van Ḥirāʾ terug te trekken om er gedurende een aantal nachten in vroomheid door te brengen, voordat hij naar zijn familie terugkeerde, waarna hij naar zijn familie terugkeerde en proviand voor een soortgelijke periode meenam, totdat de Waarheid hem plotseling overviel. Hij kwam tot hem en zei: "O Mohammed, jij bent de Boodschapper van Allah." De Boodschapper van Allah ﷺ zei: "Toen knielde ik op mijn knieën terwijl ik stond, daarna keerde ik terug terwijl mijn schouderspieren trilden, daarna ging ik bij Khadīja binnen en zei: 'Bedek mij, bedek mij,' totdat de schrik van mij was geweken. Daarna kwam hij tot mij en zei: 'O Mohammed, ik ben Jibrīl en jij bent de Boodschapper van Allah.' Hij zei: 'Toen overwoog ik mij van een hoogte [van een berg] te storten, maar hij verscheen mij in gedaante toen ik dat overwoog en zei: O Mohammed, ik ben Jibrīl en jij bent de Boodschapper van Allah. Daarna zei hij: Lees voor. Ik zei: Wat moet ik voorlezen? Hij zei: Toen greep hij mij en drukte mij driemaal samen totdat de uitputting mij bevangen had, daarna zei hij: { اقْرَأْ بِاسْمِ رَبِّكَ الَّذِي خَلَقَ } ("Lees voor in de naam van jouw Heer die geschapen heeft"), en ik las voor. Toen kwam ik bij Khadīja en zei: Ik ben werkelijk bevreesd voor mijzelf. En ik bracht haar mijn relaas. Zij zei: Verheug je, want bij Allah, Allah zal jou nooit te schande maken. Bij Allah, jij onderhoudt de familiebanden, je spreekt de waarheid, je geeft het toevertrouwde terug, je draagt de last van de behoeftige, je onthaalt de gast en je helpt bij de wisselvalligheden van de waarheid. Daarna ging zij met mij naar Waraqa ibn Nawfal ibn Asad en zei: Luister naar je neef. Hij ondervroeg mij en ik bracht hem mijn relaas. Hij zei: Dit is de Nāmūs (de engel van de openbaring) die op

  60. terug te keren." Hij zei: toen ging ik, terwijl de wind alles wegblies, en ik kwam niemand tegen of ik gebood hem terug te keren naar de Profeet ﷺ. Hij zei: maar niemand … geen bouwsel houdt voor ons stand. Vertrekt dus, want ik vertrek. Daarna ging hij naar zijn kameel, die vastgebonden was, en ging erop zitten; toen sloeg hij hem aan en het dier sprong

    Toon meer ↓

    De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: {يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا اذْكُرُوا نِعْمَةَ اللَّهِ عَلَيْكُمْ إِذْ جَاءَتْكُمْ جُنُودٌ فَأَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ رِيحًا وَجُنُودًا لَمْ تَرَوْهَا وَكَانَ اللَّهُ بِمَا تَعْمَلُونَ بَصِيرًا} (33:9) ("O jullie die geloven, gedenkt de genade van Allah aan jullie, toen legers tot jullie kwamen en Wij tegen hen een wind zonden en legers die jullie niet zagen. En Allah is Alziend over wat jullie doen" (33:9)). De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: {يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا اذْكُرُوا نِعْمَةَ اللَّهِ عَلَيْكُمْ} ("O jullie die geloven, gedenkt de genade van Allah aan jullie") die Hij aan jullie gemeenschap heeft geschonken, en dat was toen de moslims samen met de Boodschapper van Allah ﷺ belegerd werden in de dagen van de Loopgraaf (al-Khandaq). {إْذ جاءَتْكُمْ جُنُودٌ} ("toen legers tot jullie kwamen"): de legers van de bondgenoten (al-Aḥzāb): Quraysh, en Ghaṭafān, en de joden van Banū al-Naḍīr. {فأرْسَلْنا عَلَيْهِمْ رِيحا} ("en Wij tegen hen een wind zonden") en dat was, naar wat vermeld is, de oostenwind (al-ṣabā). Zoals Muḥammad ibn al-Muthannā ons verteld heeft, hij zei: ʿAbd al-Aʿlā heeft ons verteld, hij zei: Dāwūd heeft ons verteld, op gezag van ʿIkrima, die zei: de zuidenwind zei in de nacht van al-Aḥzāb tegen de noordenwind: laat ons gaan en de Boodschapper van Allah ﷺ helpen. Toen zei de noordenwind: de edelvrouwe reist niet bij nacht. Hij zei: en de wind die over hen werd gezonden, was de oostenwind. Ibn al-Muthannā heeft ons verteld, hij zei: Abū ʿĀmir heeft ons verteld, hij zei: al-Zubayr — dat wil zeggen: Ibn ʿAbd Allāh — heeft mij verteld, hij zei: Rubayḥ ibn Abī Saʿīd heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Abū Saʿīd, die zei: wij zeiden op de dag van de Loopgraaf: o Boodschapper van Allah, de harten zijn tot de strotten gestegen; is er iets dat je kunt zeggen? Hij zei: "ja, zeg: O Allah, bedek onze schaamtes en stel onze angsten gerust." Toen sloeg Allah de gezichten van Zijn vijanden met de wind, en Allah versloeg hen met de wind. Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: ʿAbd Allāh ibn ʿAmr heeft mij verteld, op gezag van Nāfiʿ, op gezag van ʿAbd Allāh, die zei: mijn oom van moederszijde ʿUthmān ibn Maẓʿūn zond mij in de nacht van de Loopgraaf, in bittere kou en wind, naar Medina, en hij zei: breng ons voedsel en een deken. Hij zei: ik vroeg toestemming aan de Boodschapper van Allah ﷺ, en hij stond het mij toe en zei: "wie je ook van mijn metgezellen tegenkomt, gebied hem terug te keren." Hij zei: toen ging ik, terwijl de wind alles wegblies, en ik kwam niemand tegen of ik gebood hem terug te keren naar de Profeet ﷺ. Hij zei: maar niemand van hen draaide zijn nek om. Hij zei: ik had een schild bij me, en de wind sloeg het tegen mij aan; daarin zat ijzer, en de wind sloeg het zo hard dat een deel van dat ijzer op mijn handpalm terechtkwam en haar tot in de grond doorboorde. Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Sa

  61. tegen ʿAli: Volg ons. Toen ging hij met hen naar buiten, maar de christenen kwamen die dag niet naar buiten, en zij zeiden: Wij vrezen dat dit de profeet is, Allah zegene … schenke hem vrede, en de aanroep van de profeet is niet als die van een ander!! Dus bleven zij die dag van hem weg, en de Profeet, Allah zegene hem en schenke hem vrede

    Toon meer ↓

    {فَإِنْ تَوَلَّوْا فَإِنَّ اللَّهَ عَلِيمٌ بِالْمُفْسِدِينَ} ("Als zij zich dan afkeren, voorwaar, Allah is Alwetend over de onheilstichters") (63) "Als zij zich dan afkeren", dat wil zeggen: als dezen die met jou twistten over ʿĪsā, zich afkeren van de waarheid die tot jou is gekomen van bij jouw Heer over ʿĪsā en anderen, van alle leiding en uiteenzetting die Allah jou heeft gegeven, &; 6-477 &; en zich daarvan afwenden en het niet aanvaarden = (3) "voorwaar, Allah is Alwetend over de onheilstichters", hij zegt: voorwaar, Allah is bezitter van kennis over degenen die hun Heer ongehoorzaam zijn, en die op Zijn aarde en in Zijn landen handelen met datgene wat Hij hun verbood, en dat is hun onheilstichting. (4) Hij, verheven is Zijn vermelding, zegt: Hij kent hen en hun daden, Hij telt ze tegen hen op en bewaart ze, totdat Hij hen daarvoor hun vergelding geeft. * * * En overeenkomstig hetgeen wij daarover zeiden, zeiden de mensen van de uitleg (tafsīr): Vermelding van wie dat zei: 7176 - Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Ibn Isḥāq, op gezag van Muḥammad ibn Jaʿfar ibn al-Zubayr: {إِنَّ هَذَا لَهُوَ الْقَصَصُ الْحَقُّ} ("Voorwaar, dit is het ware verhaal"), dat wil zeggen: voorwaar, dit wat jij hebt gebracht aan bericht over ʿĪsā = {لَهُوَ الْقَصَصُ الْحَقُّ} ("voorwaar, het is het ware verhaal") over zijn zaak. (5) 7177 - Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: Al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj: {إِنَّ هَذَا لَهُوَ الْقَصَصُ} ("Voorwaar, dit is het verhaal"), voorwaar dit wat wij zeiden over ʿĪsā = {لَهُوَ الْقَصَصُ الْحَقُّ} ("voorwaar, het is het ware verhaal"). 7178 - Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei over Zijn uitspraak: {إِنَّ هَذَا لَهُوَ الْقَصَصُ الْحَقُّ} ("Voorwaar, dit is het ware verhaal"). Hij zei: Voorwaar, dit ware verhaal over ʿĪsā: het past ʿĪsā niet dit te overschrijden noch het te overtreffen — namelijk dat hij overschrijdt dat hij het Woord van Allah is dat Hij aan Maryam wierp, (6) en een geest van Hem, en de dienaar van Allah en Zijn boodschapper. 7179 - Muḥammad ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: Mijn vader heeft mij verteld, hij zei: Mijn oom heeft mij verteld, hij zei: Mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās: {إِنَّ هَذَا لَهُوَ الْقَصَصُ الْحَقُّ} ("Voorwaar, dit is het ware verhaal"), voorwaar dit wat wij zeiden over &; 6-478 &; ʿĪsā, dat is de waarheid = {وَمَا مِنْ إِلَهٍ إِلا اللَّهُ} ("En er is geen god dan Allah"), het vers. * * * Toen Hij, verheven is Zijn lof, een onderscheid maakte tussen Zijn profeet Muḥammad, Allah zegene hem en schenke hem vrede, en de delegatie van de christenen van Najrān, met het beslissende oordeel en het rechtvaardige vonnis, droeg Hij hem op (7) = indien zij zich afkeren van datgene waartoe hij hen uitnodigde, namelijk de erkenning van de eenheid van Allah, en dat Hij geen kind heeft noch een g

  62. door de dorpen en steden wordt voortgebracht, en dat Hij hun dat heeft gegeven toen zij ernaartoe gingen. En het is mogelijk dat die verblijfplaats "Misr" was, en het is mogelijk dat het "Syrie … tekenen van Allah en de profeten zonder recht doodden, zoals al-Aʿsha van de Banu Thaʿlaba zei: Een koninklijke [plant], naburig geworden in de Hijaz aan een vijandig volk en een afgelegen land, vanwege haar

    Toon meer ↓

    De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: {وَإِذْ قُلْتُمْ يَا مُوسَى لَنْ نَصْبِرَ عَلَى طَعَامٍ وَاحِدٍ فَادْعُ لَنَا رَبَّكَ يُخْرِجْ لَنَا مِمَّا تُنْبِتُ الأَرْضُ مِنْ بَقْلِهَا وَقِثَّائِهَا وَفُومِهَا وَعَدَسِهَا وَبَصَلِهَا} (En toen jullie zeiden: "O Mūsā, wij zullen niet geduldig zijn met één enkel soort voedsel; roep daarom voor ons jouw Heer aan, opdat Hij voor ons voortbrengt van wat de aarde laat groeien aan haar groenten, haar komkommers, haar fūm, haar linzen en haar uien.") (2:61) Wij hebben reeds eerder uiteengezet wat de betekenis is van "het geduld" (al-ṣabr): namelijk het bedwingen en weerhouden van de ziel van iets. Indien dat zo is, dan is de betekenis van het vers dus: En gedenkt toen jullie zeiden — o gemeenschap van de kinderen van Israël: "Wij zullen onze zielen niet kunnen weerhouden bij één enkel soort voedsel." En dat "ene soort voedsel" is datgene waarvan Allah, verheven zij Zijn lof, heeft bericht dat Hij het hun te eten gaf in hun woestijndwaling, namelijk "de kwartels" (al-salwā) — volgens de uitspraak van sommige uitleggers; en volgens de uitspraak van Wahb ibn Munabbih is het "het zuivere brood met het vlees" — "Vraag daarom voor ons jouw Heer dat Hij voor ons voortbrengt van wat de aarde laat groeien aan groenten en komkommers", en wat Allah daarmee noemde. En Hij vermeldde dat zij Mūsā daarom vroegen. * * * En de reden voor hun vraag aan Mūsā daarover was, naar wat ons is overgeleverd, het volgende: 1054 – Bishr ibn Muʿādh heeft het ons verteld, hij zei: Yazīd ibn Zurayʿ heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, betreffende Zijn uitspraak (En toen jullie zeiden: "O Mūsā, wij zullen niet geduldig zijn met één enkel soort voedsel"), hij zei: Het volk bevond zich in de wildernis; de wolken waren over hen als schaduw uitgespreid en op hen was het manna en de kwartels neergezonden. Toen kregen zij daar genoeg van en herinnerden zich een leven dat zij in Egypte hadden gehad, en zij vroegen Mūsā daarom. Toen zei Allah, de Verhevene: {اهْبِطُوا مِصْرًا فَإِنَّ لَكُمْ مَا سَأَلْتُمْ} (Daalt af naar een stad, want voorwaar, voor jullie is wat jullie hebben gevraagd.) 1055 – Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft het ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Maʿmar heeft ons bericht, op gezag van Qatāda, betreffende Zijn uitspraak (Wij zullen niet geduldig zijn met één enkel soort voedsel), hij zei: Zij kregen genoeg van hun voedsel en herinnerden zich hun leven waarin zij voordien hadden geleefd, en zij zeiden: (Roep voor ons jouw Heer aan, opdat Hij voor ons voortbrengt van wat de aarde laat groeien aan haar groenten, haar komkommers en haar fūm) — het vers. 1056 – Al-Muthannā ibn Ibrāhīm heeft mij verteld, hij zei: Ādam heeft ons verteld, hij zei: Abū Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van al-Rabīʿ, op gezag van Abū al-ʿĀliya, betreffende Zijn uitspraak (En toen jullie zeiden: "O Mūsā, wij zullen niet geduldig zijn met één enkel soort voedsel"), hij zei: Hun voedsel

  63. zullen ons niet bereiken. Hij, verheven zij Zijn lof, zegt: Allah heeft hem reeds geholpen tegen zijn vijand terwijl hij in deze toestand van vrees en geringheid van aantal verkeerde … Toen de Profeet ﷺ en Abu Bakr, moge Allah tevreden over hem zijn, vertrokken, had Abu Bakr een geleende kudde schapen (manihah) die naar zijn familie [terug]ging. Abu Bakr stuurde ʿAmir ibn Fuhayra

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: "Indien jullie hem niet helpen, dan heeft Allah hem reeds geholpen toen degenen die ongelovig waren hem verdreven, als tweede van twee, toen zij beiden in de grot waren, toen hij tot zijn metgezel zei: 'Treur niet, voorwaar, Allah is met ons'" (9:40). Abū Jaʿfar zei: Dit is een kennisgeving van Allah aan de metgezellen (ṣaḥāba) van Zijn Boodschapper ﷺ dat Hij Degene is die het op Zich neemt Zijn Boodschapper te helpen tegen de vijanden van Zijn religie en hem de overhand over hen te geven zonder hen, of zij hem nu helpen of niet helpen, = en het is een herinnering van Hem aan hen [aan het feit] dat Hij dat voor hem heeft gedaan terwijl hij weinigen in aantal was en de vijand talrijk was. Hoe zou het dan zijn met hem terwijl hij talrijk in aantal is en de vijand weinigen? Hij, verheven zij Zijn lof, zegt tot hen: Indien jullie niet uittrekken, o gelovigen, met Mijn Boodschapper wanneer hij jullie ter strijde oproept, zodat jullie hem helpen — dan is Allah zijn helper en zijn bijstand tegen zijn vijand, en Hij maakt hem onafhankelijk van jullie en van jullie bijstand en hulp, zoals Hij hem geholpen heeft = "toen degenen die ongelovig waren hem verdreven" — [de ongelovigen] in Allah, van de Quraysh, [verdreven hem] uit zijn woonplaats en zijn huis = "als tweede van twee". Hij zegt: zij verdreven hem terwijl hij één van de twee was, dat wil zeggen: één uit de twee. * * * En zo zeggen de Arabieren: "hij is de tweede van twee", waarmee bedoeld wordt: één van de twee, en "de derde van drie, de vierde van vier", waarmee bedoeld wordt: één van de drie, en één van de vier. En dat is anders dan hun uitspraak: "hij is de broer van zes, en de knecht van zeven", omdat "de broer" en "de knecht" iets anders zijn dan de zes en de zeven, terwijl "de derde van de drie" één van de drie is. * * * En Hij, verheven zij Zijn lof, bedoelde met Zijn uitspraak "als tweede van twee" de Boodschapper van Allah ﷺ en Abū Bakr, moge Allah tevreden over hem zijn, omdat zij beiden degenen waren die vluchtend voor de Quraysh wegtrokken toen dezen besloten de Boodschapper van Allah ﷺ te doden, en zij beiden zich verborgen in de grot. * * * En Zijn uitspraak "toen zij beiden in de grot waren". Hij zegt: toen de Boodschapper van Allah ﷺ en Abū Bakr, Allahs barmhartigheid zij over hem, in de grot waren. * * * En "de grot" (al-ghār) is de grote opening die zich in de berg bevindt. * * * = "toen hij tot zijn metgezel zei". Hij zegt: toen de Boodschapper van Allah tot zijn metgezel Abū Bakr zei: "Treur niet". En dat was omdat hij vreesde voor de achtervolging, dat zij hun verblijfplaats zouden ontdekken, en hij was daarover bezorgd. Toen zei de Boodschapper van Allah ﷺ tot hem: "Treur niet", want Allah is met ons en Allah is onze helper, en de polytheïsten (mushrikīn) zullen ons niet ontdekken en zullen ons niet bereiken. Hij, verheven zij Zijn lof, zegt: Allah heeft hem reeds geholpen tegen zijn vijand terwijl hij in deze toestand

  64. spot dreven?'" (9:65) Abu Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens lof verheven is, zegt tegen Zijn profeet Mohammed ﷺ: En indien je, o Mohammed, deze hypocrieten (munafiqin) ondervraagt over de valsheid en leugen … ontmoeting [met de vijand]!" Toen zei ʿAwf tegen hem: "Je liegt, maar jij bent een hypocriet! Ik zal het de Boodschapper van Allah ﷺ zeker vertellen!" ʿAwf ging naar de Boodschapper van Allah

    Toon meer ↓

    De uitleg van Zijn woord: "En indien je hen ondervraagt, zullen zij zeker zeggen: 'Wij praatten slechts wat en speelden.' Zeg: 'Was het met Allah, Zijn tekenen en Zijn Boodschapper dat jullie de spot dreven?'" (9:65) Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens lof verheven is, zegt tegen Zijn profeet Mohammed ﷺ: En indien je, o Mohammed, deze hypocrieten (munāfiqīn) ondervraagt over de valsheid en leugen die zij gesproken hebben, zullen zij je zeker zeggen: "Wij zeiden dat slechts bij wijze van spel, en wij praatten slechts wat in een gesprek bij wijze van spel en spot!" (8) Allah zegt tegen Mohammed ﷺ: Zeg, o Mohammed: "Was het met Allah en de tekenen van Zijn Boek en Zijn Boodschapper dat jullie de spot dreven?" En Ibn Isḥāq zei dat degene die deze uitspraak deed, was zoals: 16910 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Ibn Isḥāq, hij zei: degene die deze uitspraak deed, naar wat mij bereikt heeft, was Wadīʿa ibn Thābit, broeder van de Banū Umayya ibn Zayd, uit de Banū ʿAmr ibn ʿAwf. (9) * * * 16911 — ʿAlī ibn Dāwūd heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd Allāh ibn Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: al-Layth heeft ons verteld, hij zei: Hishām ibn Saʿd heeft mij verteld, op gezag van Zayd ibn Aslam: dat een man van de hypocrieten tegen ʿAwf ibn Mālik zei tijdens de veldtocht naar Tabūk: "Wat is er met deze Koranreciteerders van ons — zij zijn de gulzigste onder ons van buik, de leugenachtigste onder ons van tong, en de lafste onder ons bij de ontmoeting [met de vijand]!" Toen zei ʿAwf tegen hem: "Je liegt, maar jij bent een hypocriet! Ik zal het de Boodschapper van Allah ﷺ zeker vertellen!" ʿAwf ging naar de Boodschapper van Allah om het hem te vertellen, maar hij trof aan dat de Koran hem reeds vóór was geweest. Zayd zei (10): ʿAbd Allāh ibn ʿUmar zei: Toen keek ik naar hem, terwijl hij zich vastklampte aan de buikriem (ḥaqab) van de kamelin van de Boodschapper van Allah ﷺ, en de stenen sloegen tegen hem aan (11), terwijl hij zei: "Wij praatten slechts wat en speelden!" En de Profeet ﷺ zei tegen hem: "Was het met Allah, Zijn tekenen en Zijn Boodschapper dat jullie de spot dreven?" — niets meer dan dat. (12) 16912 — Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Hishām ibn Saʿd heeft mij verteld, op gezag van Zayd ibn Aslam, van ʿAbd Allāh ibn ʿUmar, hij zei: Een man zei tijdens de veldtocht naar Tabūk in een gezelschap: "Wij hebben niets gezien zoals deze Koranreciteerders van ons — gulziger van buik, leugenachtiger van tong, of lafhartiger bij de ontmoeting!" Toen zei een man in het gezelschap: "Je liegt, maar jij bent een hypocriet! Ik zal het de Boodschapper van Allah ﷺ zeker vertellen!" Dat bereikte de Profeet ﷺ en de Koran werd geopenbaard. ʿAbd Allāh ibn ʿUmar zei: Toen zag ik hem zich vastklampen aan de buikriem (ḥaqab) van de kamelin van de Boodschapper van Allah ﷺ, terwijl de stenen tegen hem aansloegen, en hij zei: "O Boodschapper van Allah, wij praatten slechts wat en speelden!",

  65. vijand schrik aan te jagen, om hen te laten weten dat hij hen achtervolgde, opdat zij van hem kracht zouden vermoeden, en dat wat hen had getroffen hen niet had verzwakt tegenover hun vijand … geen groep die zich opwerpt voor de zaak van Allah, om haar vijand te achtervolgen? Want dat brengt de vijand de zwaarste slag toe en jaagt hem het verst weg!" Toen trok een groep

    Toon meer ↓

    Uitleg van de uitspraak van de Verhevene: {الَّذِينَ اسْتَجَابُوا لِلَّهِ وَالرَّسُولِ مِنْ بَعْدِ مَا أَصَابَهُمُ الْقَرْحُ لِلَّذِينَ أَحْسَنُوا مِنْهُمْ وَاتَّقَوْا أَجْرٌ عَظِيمٌ} (172) (Zij die gehoor gaven aan Allah en de Boodschapper nadat de verwonding hen had getroffen — voor degenen onder hen die goed deden en godvrezend (waatqaw) waren is een geweldige beloning) (3:172). Abū Jaʿfar zei: Met deze woorden bedoelt Hij, verheven is Zijn lof: "En dat Allah de beloning van de gelovigen niet verloren laat gaan" — namelijk van hen die gehoor gaven aan Allah en de Boodschapper nadat de wond en de verwondingen hen hadden getroffen. * * * Allah, verheven is Zijn vermelding, bedoelde hiermee in het bijzonder: degenen die de Boodschapper van Allah ﷺ volgden naar Ḥamrāʾ al-Asad bij de achtervolging van de vijand — Abū Sufyān en de polytheïsten (mushrikīn) van Quraysh die bij hem waren — bij hun terugtocht na Uḥud. Want toen Abū Sufyān zich van Uḥud terugtrok, ging de Boodschapper van Allah ﷺ achter hem aan totdat hij Ḥamrāʾ al-Asad bereikte, dat op acht mijl van Medina ligt, opdat de mensen zouden zien dat hij en zijn metgezellen kracht hadden tegen hun vijand. Zoals het volgende: 8233 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Muḥammad ibn Isḥāq, hij zei: Ḥusayn ibn ʿAbdillāh heeft mij verteld, op gezag van ʿIkrima, die zei: De dag van Uḥud was [de dag] zaterdag, halverwege de maand Shawwāl. Toen de dag na Uḥud aanbrak — de zondag, toen er zestien nachten van Shawwāl voorbij waren — riep de omroeper van de Boodschapper van Allah ﷺ de mensen op tot het achtervolgen van de vijand, en zijn omroeper riep om: "Niemand mag met ons uittrekken behalve wie gisteren bij onze strijd aanwezig was." Toen sprak Jābir ibn ʿAbdillāh ibn ʿAmr ibn Ḥarām hem aan en zei: O Boodschapper van Allah, mijn vader had mij achtergelaten bij zeven zusters van mij, en hij had tegen mij gezegd: "O mijn zoon, het past mij noch jou dat wij deze vrouwen achterlaten zonder dat er een man bij hen is, en ik ben niet degene die jou boven mijzelf de voorkeur geeft voor de jihād met de Boodschapper van Allah ﷺ! Blijf dus achter bij je zusters." Zo bleef ik bij hen achter. Toen gaf de Boodschapper van Allah ﷺ hem toestemming, en hij trok met hem uit. De Boodschapper van Allah ﷺ trok enkel uit om de vijand schrik aan te jagen, om hen te laten weten dat hij hen achtervolgde, opdat zij van hem kracht zouden vermoeden, en dat wat hen had getroffen hen niet had verzwakt tegenover hun vijand. 8234 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Muḥammad ibn Isḥāq, hij zei: ʿAbdullāh ibn Khārija ibn Zayd ibn Thābit heeft mij verteld, op gezag van Abū l-Sāʾib, de vrijgelatene van ʿĀʾisha bint ʿUthmān: Een man uit de metgezellen van de Boodschapper van Allah ﷺ van de Banū ʿAbd al-Ashhal, die bij Uḥud aanwezig was geweest, zei: Ik was met de Boodschapper van Allah ﷺ aanwezig bij Uḥud, ik en een broer van mij, en wij keerden b

  66. keek uit de opening en zag een vrouw die zich aan het wassen was. Toen daalde de profeet van Allah - moge Allah hem zegenen en vrede schenken - uit de gebedsnis af en zond iemand naar … week terug, en hij volgde haar; zij verwijderde zich totdat zij in een venster neerviel. Hij ging haar grijpen, maar zij vloog uit het venster, en hij keek waar zij neerkwam om iemand achter haar

    Toon meer ↓

    De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: { قَالَ لَقَدْ ظَلَمَكَ بِسُؤَالِ نَعْجَتِكَ إِلَى نِعَاجِهِ وَإِنَّ كَثِيرًا مِنَ الْخُلَطَاءِ لَيَبْغِي بَعْضُهُمْ عَلَى بَعْضٍ إِلا الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ وَقَلِيلٌ مَا هُمْ وَظَنَّ دَاوُدُ أَنَّمَا فَتَنَّاهُ فَاسْتَغْفَرَ رَبَّهُ وَخَرَّ رَاكِعًا وَأَنَابَ } ("Hij zei: Hij heeft je voorzeker onrecht aangedaan door te vragen jouw ooi bij zijn ooien te voegen; en waarlijk, veel deelgenoten doen elkaar onrecht aan, behalve zij die geloven en goede daden verrichten — en hoe weinigen zijn zij! En David vermoedde dat Wij hem slechts op de proef hadden gesteld; en hij vroeg zijn Heer om vergeving en viel knielend neer en keerde zich in berouw tot Hem") (24). De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: David zei tegen de twistende die zich over zijn metgezel beklaagde: jouw metgezel heeft je voorzeker onrecht aangedaan door te vragen jouw ooi bij zijn ooien te voegen. Dit behoort tot datgene waarvan de "hāʾ" (van het verbaalsubstantief) is weggelaten, zodat het bij wegvallen van die "hāʾ" werd toegevoegd aan het lijdend voorwerp. Daaraan gelijk is de uitspraak van de Verhevene, machtig en verheven is Hij: { لا يَسْأَمُ الإِنْسَانُ مِنْ دُعَاءِ الْخَيْرِ } ("De mens wordt het bidden om het goede niet moe"), waarvan de betekenis is: van zijn bidden om het goede; toen de "hāʾ" van "al-duʿāʾ" werd weggelaten, werd het toegevoegd aan "al-khayr" en werd de "bāʾ" van "al-khayr" weggelaten. En met "al-naʿja" (de ooi) wordt hier de vrouw bedoeld; de Arabieren doen dat. Daartoe behoort de uitspraak van al-Aʿshā: "Ik was haar verkenner — en de ooi van een waakzame man die vol vrees haar onachtzaamheid met zijn oog bewaakt" (6) Met "de ooi" (al-shāt) bedoelt hij: de vrouw van een man die de mensen omtrent haar wantrouwt. Hij bedoelt slechts: je hebt voorzeker onrecht gedaan door te vragen om jouw ene vrouw te voegen bij de negenennegentig van zijn vrouwen. Zijn uitspraak { وَإِنَّ كَثِيرًا مِنَ الْخُلَطَاءِ لَيَبْغِي بَعْضُهُمْ عَلَى بَعْضٍ } ("en waarlijk, veel deelgenoten doen elkaar onrecht aan") betekent: en waarlijk, veel deelgenoten overtreden jegens elkaar { إِلا الَّذِينَ آمَنُوا } ("behalve zij die geloven") in Allah { وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ } ("en goede daden verrichten") betekent: en die handelen in gehoorzaamheid aan Allah, en zich houden aan Zijn gebod en Zijn verbod, en die niet overtreden { وَقَلِيلٌ مَا هُمْ } ("en hoe weinigen zijn zij"). In het woord "mā" in zijn uitspraak { وَقَلِيلٌ مَا هُمْ } zijn twee mogelijkheden: de ene is dat het een verbindingspartikel (ṣila) is met de betekenis "en weinig zijn zij", zodat het toevoegen of weglaten ervan de betekenis van de woorden niet bederft; en de andere is dat het een zelfstandig naamwoord is en dat "hum" (zij) er een verbindingspartikel van is, met de betekenis: en weinig zijn zij die je aantreft — zoals men zegt: "ik placht je verstandiger te achten dan je bent (mimmā anta)", zodat "anta" een verbindingspartikel van "m

  67. zitting naderde en de middagslaap verloren ging. "Ga naar de zitting, kom dan bij mij, dan geef ik je je recht." Hij ging weg; de man ging naar de zitting en keek … Jurayj, op gezag van Mujahid, over de uitspraak {وَذَا الْكِفْلِ}: "Een rechtvaardige man, geen profeet, die tegenover de profeet van zijn volk garandeerde dat hij zijn volkszaken zou afhandelen, hen zou organiseren en recht

    Toon meer ↓

    Allah de Verhevene bedoelt met Ismaʿīl: Ismaʿīl ibn Ibrāhīm, de getrouwe aan zijn belofte; en met Idrīs: Akhnūkh (Henoch); en met Dhū al-Kifl: een man die tegenover een van de mensen — hetzij een profeet, hetzij een rechtvaardige koning — een belofte op zich nam betreffende een van de goede werken, en deze na hem nakwam. Allah prees hem om zijn trouw aan hetgeen hij op zich had genomen, en rekende hem tot zijn vermelde dienaren, samen met hen wier geduld bij de gehoorzaamheid aan Allah werd geprezen. Overeenkomstig wat wij zeiden zijn de overleveringen van de vroegere geleerden. Vermelding van de overleveringen daarover: Muḥammad ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: Muʾammal heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van al-Aʿmash, op gezag van al-Minhāl ibn ʿAmr, op gezag van ʿAbd Allāh ibn al-Ḥārith: dat een profeet van de profeten zei: "Wie garandeert mij dat hij overdag vast, des nachts bidt en niet boos wordt?" Toen stond een jongeman op en zei: "Ik." De profeet zei: "Ga zitten." Vervolgens herhaalde hij het, de jongeman stond opnieuw op en zei: "Ik." Hij zei: "Ga zitten." Daarna herhaalde hij het nogmaals; de jongeman stond op en zei: "Ik." Hij zei: "Jij vast overdag, bidt des nachts en wordt niet boos." Die profeet stierf, en de jongeman nam zijn plaats in als rechter onder de mensen. Hij werd nooit boos. Toen kwam de duivel in de gedaante van een mens om hem boos te maken terwijl hij vastte en wilde slapen; hij klopte hevig op de deur. "Wie is daar?" — "Een man die iets nodig heeft." Hij stuurde iemand met hem mee, maar hij zei: "Ik ben niet tevreden met deze man." Hij stuurde een ander; hij zei: "Ik ben ook niet tevreden." Toen ging hij zelf naar buiten, pakte hem bij de hand en liep met hem mee; maar toen ze op de markt waren liet hij hem los en verdween. Zo werd hij Dhū al-Kifl (de Garant) genoemd. Ibn al-Muthannā heeft ons verteld, hij zei: ʿAffān ibn Muslim heeft ons verteld, hij zei: Wuhaib heeft ons verteld, hij zei: Dāwud heeft ons verteld, op gezag van Mujāhid, die zei: Toen al-Yasaʿ oud werd zei hij: "Laat ik iemand aanstellen die namens mij over de mensen regeert tijdens mijn leven." Hij verzamelde het volk en zei: "Wie garandeert mij drie dingen zodat ik hem kan aanstellen? Hij vast overdag, bidt des nachts en wordt niet boos." Een man stond op die gering leek in de ogen, en zei: "Ik." Hij zei: "Jij vast overdag, bidt des nachts en wordt niet boos?" Hij zei: "Ja." Hij zond hen weg die dag; de volgende dag herhaalde hij hetzelfde; de mensen zwegen, maar die man stond op en zei: "Ik." Hij stelde hem aan. Iblīs zei tegen de duivels: "Pak die en die aan," maar hij maakte hen machteloos. Toen zei hij: "Laat hem aan mij over." Hij ging naar hem in de gedaante van een behoeftige oude man, op het moment dat hij zich neerlegde voor de middagslaap — want hij sliep overdag noch des nachts anders dan in dat uur. Hij klopte op de deur. "Wie is daar?" — "Een oude, onderdrukte man." Hij stond op, opende de deur, en

  68. Allah, o vijand van Allah, ik zal de Boodschapper van Allah, moge Allah hem zegenen en vrede schenken, zeker vertellen wat jij hebt gezegd! Dus kwam ik bij de Profeet, moge Allah hem zegenen … zegenen en vrede schenken, riep hem en zei: Waarom beschimp jij mij, jij en jouw metgezellen? Toen ging de man weg en kwam terug met zijn metgezellen, en zij zwoeren bij Allah dat zij niets

    Toon meer ↓

    Uitleg van Zijn woord: {يَحْلِفُونَ بِاللَّهِ مَا قَالُوا وَلَقَدْ قَالُوا كَلِمَةَ الْكُفْرِ وَكَفَرُوا بَعْدَ إِسْلامِهِمْ وَهَمُّوا بِمَا لَمْ يَنَالُوا وَمَا نَقَمُوا إِلا أَنْ أَغْنَاهُمُ اللَّهُ وَرَسُولُهُ مِنْ فَضْلِهِ فَإِنْ يَتُوبُوا يَكُ خَيْرًا لَهُمْ وَإِنْ يَتَوَلَّوْا يُعَذِّبْهُمُ اللَّهُ عَذَابًا أَلِيمًا فِي الدُّنْيَا وَالآخِرَةِ وَمَا لَهُمْ فِي الأَرْضِ مِنْ وَلِيٍّ وَلا نَصِيرٍ} (9:74) (Zij zweren bij Allah dat zij niets hebben gezegd, maar zij hebben voorzeker het woord van ongeloof gesproken en zijn ongelovig geworden na hun overgave (islām), en zij hebben getracht wat zij niet hebben bereikt. En zij hadden niets te wraken, behalve dat Allah en Zijn Boodschapper hen rijk hadden gemaakt uit Zijn gunst. Indien zij berouw tonen, zal het beter voor hen zijn, maar indien zij zich afkeren, zal Allah hen bestraffen met een pijnlijke bestraffing in dit leven en in het Hiernamaals; en zij hebben op aarde geen beschermer en geen helper.) Abū Jaʿfar zei: De mensen van de uitleg verschillen van mening over degene over wie dit vers is geopenbaard, en over de uitspraak die hij had gedaan — die waarvan Allah heeft bericht dat hij bij Allah zweert dat hij hem niet heeft uitgesproken. Sommigen van hen zeggen: Degene over wie dit vers is geopenbaard, is al-Julās ibn Suwayd ibn al-Ṣāmit. * * * En de uitspraak die hij had gedaan was wat: 16967 — Ibn Wakīʿ heeft ons dit verteld, hij zei: Abū Muʿāwiya heeft ons verteld, op gezag van Hishām ibn ʿUrwa, op gezag van zijn vader: {zij zweren bij Allah dat zij niets hebben gezegd, maar zij hebben voorzeker het woord van ongeloof gesproken}, hij zei: het werd geopenbaard over al-Julās ibn Suwayd ibn al-Ṣāmit, die zei: "Indien hetgeen Mohammed heeft gebracht waar is, dan zijn wij erger dan de ezels!" Toen zei zijn stiefzoon tot hem: "Bij Allah, o vijand van Allah, ik zal de Boodschapper van Allah, moge Allah hem zegenen en vrede schenken, zeker vertellen wat jij hebt gezegd, want indien ik dat niet doe, vrees ik dat mij een ramp treft en dat ik om jouw zonde word aangepakt!" Toen riep de Profeet, moge Allah hem zegenen en vrede schenken, al-Julās, en zei: "O Julās, heb jij dit en dat gezegd?" Maar hij zwoer dat hij het niet had gezegd. Toen openbaarde Allah, gezegend en verheven is Hij: {zij zweren bij Allah dat zij niets hebben gezegd, maar zij hebben voorzeker het woord van ongeloof gesproken en zijn ongelovig geworden na hun overgave, en zij hebben getracht wat zij niet hebben bereikt, en zij hadden niets te wraken behalve dat Allah en Zijn Boodschapper hen rijk hadden gemaakt uit Zijn gunst}. 16968 — Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: Abū Muʿāwiya al-Ḍarīr heeft ons verteld, op gezag van Hishām ibn ʿUrwa, op gezag van zijn vader, hij zei: dit vers werd geopenbaard: {zij zweren bij Allah dat zij niets hebben gezegd, maar zij hebben voorzeker het woord van ongeloof gesproken en zijn ongelovig geworden na hun overgave}, over al-Julās ibn Suwayd ibn al-Ṣāmit

  69. verteld dat de Profeet van Allah ﷺ op de dag van Badr tot zijn metgezellen zei: "Jullie zijn even talrijk als de metgezellen van Talut op de dag dat hij [de vijand] ontmoette … kracht tegen Jalut en zijn legers." En de mensen van het inzicht in de zaak van Allah gingen door op hun inzichten - zij zijn de mensen van standvastigheid in het geloof - en zeiden: {كَمْ مِنْ

    Toon meer ↓

    De uitspraak over de uitleg van Zijn woord, de Verhevene: {فَلَمَّا فَصَلَ طَالُوتُ بِالْجُنُودِ قَالَ إِنَّ اللَّهَ مُبْتَلِيكُمْ بِنَهَرٍ فَمَنْ شَرِبَ مِنْهُ فَلَيْسَ مِنِّي وَمَنْ لَمْ يَطْعَمْهُ فَإِنَّهُ مِنِّي إِلا مَنِ اغْتَرَفَ غُرْفَةً بِيَدِهِ فَشَرِبُوا مِنْهُ إِلا قَلِيلا مِنْهُمْ} (Toen Ṭālūt met de legers uittrok, zei hij: "Voorwaar, Allah zal jullie op de proef stellen met een rivier. Wie er dan uit drinkt, hoort niet bij mij, en wie er niet van proeft, die hoort bij mij — behalve wie met zijn hand één handvol schept." Toen dronken zij ervan, op weinigen onder hen na.) Abū Jaʿfar zei: In dit bericht van Allah, geprezen zij Zijn gedachtenis, is iets weggelaten, dat door de aanwijzing van wat wél genoemd is overbodig is geworden om te vermelden. De betekenis van de woorden is: "Voorwaar, daarin is een teken voor jullie, indien jullie gelovigen zijn." Daarop kwam de ark (al-tābūt) tot hen, waarin een rust (sakīna) van hun Heer was, en een overblijfsel van wat het huis van Mūsā en het huis van Hārūn nagelaten hadden, gedragen door de engelen. Daarop geloofden zij hun profeet en erkenden zij dat Allah Ṭālūt als koning over hen had gezonden, en zij onderwierpen zich daaraan. Daarop duidt Zijn woord: "Toen Ṭālūt met de legers uittrok." En hij zou met hen niet uitgetrokken zijn, behalve nadat zij in hem behagen hadden geschept en het koningschap aan hem hadden overgegeven, want hij behoorde niet tot degenen die in staat waren hen daartoe te dwingen, zodat men van hem zou kunnen vermoeden dat hij hen daartoe tegen hun wil had gebracht. * * * Wat betreft Zijn woord "faṣala" (uittrok): daarmee bedoelt Hij: hij vertrok met het leger en trok met hen op. * * * De oorspronkelijke betekenis van "al-faṣl" is het afsnijden. Men zegt daarvan: "faṣala al-rajul min mawḍiʿ kadhā wa-kadhā" (de man vertrok van die-en-die plaats), waarmee men bedoelt dat hij die plaats afsneed en haar passeerde, optrekkend naar een andere — "yafṣilu fuṣūlan". En "faṣala al-ʿaẓm wa-l-qawl min ghayrihi, fa-huwa yafṣiluhu faṣlan" (hij scheidde het bot of het woord van iets anders af, hij scheidt het af met een scheiding), wanneer hij het afsnijdt en het kenbaar maakt. En "faṣala al-ṣabī fiṣālan" (hij speende het kind), wanneer hij het van de melk afsnijdt. (1) En "qawl faṣl" (een beslissend woord), dat doorsnijdt en zo onderscheid maakt tussen waar en onwaar, dat niet teruggewezen wordt. * * * Er wordt gezegd: Ṭālūt trok op die dag met de legers uit Jeruzalem (Bayt al-Maqdis), en zij waren tachtigduizend strijders. Niemand van de kinderen van Israël bleef achter van het optrekken met hem, behalve wie een gebrek had vanwege zijn gebrek, of een oude man vanwege zijn ouderdom, of iemand met een geldig excuus die geen kracht had om met hem op te trekken. * Vermelding van wie dat gezegd heeft: 5707 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Ibn Isḥāq, hij zei: een van de geleerden heeft mij verteld, op gezag van Wahb ibn Munabbih, di

  70. jullie daden, zodat jullie zouden overschrijden wat Ik voor jullie heb vastgesteld met betrekking tot jullie vijanden vanwege hun vijandschap jegens jullie; en schiet evenmin tekort in wat Ik voor jullie heb vastgesteld aan Mijn … Profeet, Allah zegene hem en schenke hem vrede, wilden doden. En Ibn Jurayj zei: ʿAbdallah ibn Kathir zei: de boodschapper van Allah, Allah zegene hem en schenke hem vrede, ging naar de joden

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak, verheven is Zijn gedachtenis: {يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا كُونُوا قَوَّامِينَ لِلَّهِ شُهَدَاءَ بِالْقِسْطِ وَلا يَجْرِمَنَّكُمْ شَنَآنُ قَوْمٍ عَلَى أَلا تَعْدِلُوا} (O jullie die geloven, weest standvastig voor Allah als getuigen in billijkheid, en laat de haat jegens een volk jullie er niet toe brengen onrechtvaardig te zijn). Abū Jaʿfar zei: Hij, verheven is Zijn lof, bedoelt daarmee: o jullie die geloven in Allah en in Zijn boodschapper Mohammed — laat het tot jullie karaktereigenschappen en hoedanigheden behoren dat jullie standvastig zijn voor Allah als getuigen met rechtvaardigheid (ʿadl), zowel ten aanzien van jullie bondgenoten als jullie vijanden. En weest niet onrechtvaardig in jullie oordelen en jullie daden, zodat jullie zouden overschrijden wat Ik voor jullie heb vastgesteld met betrekking tot jullie vijanden vanwege hun vijandschap jegens jullie; en schiet evenmin tekort in wat Ik voor jullie heb vastgesteld aan Mijn oordelen en Mijn grenzen (ḥudūd) met betrekking tot jullie bondgenoten vanwege hun bondgenootschap met jullie. Houdt jullie veeleer ten aanzien van hen allen aan Mijn grens, en handelt daarin naar Mijn gebod. * * * Wat betreft Zijn uitspraak: "en laat de haat jegens een volk jullie er niet toe brengen onrechtvaardig te zijn" — daarmee zegt Hij: laat de vijandschap jegens een volk jullie er niet toe brengen om onrechtvaardig te zijn in jullie oordeel over hen en in jullie omgang met hen, zodat jullie hun onrecht zouden aandoen wegens de vijandschap die er tussen jullie en hen bestaat. * * * Wij hebben reeds de overlevering van de mensen van de uitleg (ahl al-taʾwīl) vermeld aangaande de betekenis van Zijn uitspraak: {كُونُوا قَوَّامِينَ بِالْقِسْطِ شُهَدَاءَ لِلَّهِ} (Weest standvastig in billijkheid als getuigen voor Allah) [Surah An-Nisāʾ: 135], en aangaande Zijn uitspraak: {وَلا يَجْرِمَنَّكُمْ شَنَآنُ قَوْمٍ} (En laat de haat jegens een volk jullie er niet toe brengen) [Surah Al-Māʾidah: 2], alsook het meningsverschil van degenen die van mening verschillen over de recitatie daarvan, en welke opvatting en recitatie daarin het meest in overeenstemming is met het juiste — op grond van de bewijzen die de juistheid ervan aantonen — op een wijze die het overbodig maakt dat hier op deze plaats te herhalen. * * * En er is gezegd: deze ayah is geopenbaard aan de boodschapper van Allah, Allah zegene hem en schenke hem vrede, toen de joden van plan waren hem te doden. Vermelding van wie dat heeft gezegd: 11556 - Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: Al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, op gezag van ʿAbdallāh ibn Kathīr: "O jullie die geloven, weest standvastig voor Allah als getuigen in billijkheid, en laat de haat jegens een volk jullie er niet toe brengen onrechtvaardig te zijn; weest rechtvaardig, dat is dichter bij de godvrezendheid" — dit is geopenbaard met betrekking tot de joden van Khaybar, die de Profeet, Alla

  71. slechts tot laatste der profeten gemaakt voor wat het kwaadst voor mij is; had Hij het goede met mij gewild, dan had Hij mij niet tot laatste der profeten van de Kinderen van Israel gemaakt … profeet van Allah." Hij zei tot hem: "Doe goed in hetgeen tussen jou en Allah is, onderhoud wat Allah je bevolen heeft te onderhouden, en verheug je over het goede", en hij ging

    Toon meer ↓

    De Verhevene, wiens lof verheven is, zegt tot de Kinderen van Israël, aangaande hetgeen Hij hun in de Tora heeft opgelegd: {Als jullie goed doen} — o Kinderen van Israël, dat wil zeggen: wanneer jullie Allah gehoorzamen, jullie aangelegenheden in orde brengen, en jullie houden aan Zijn gebod en Zijn verbod — {dan doen jullie goed} en verrichten jullie wat jullie daarvan verrichten {voor jezelf}, want met die daden van jullie baten jullie slechts jezelf, in dit leven en in het Hiernamaals. Wat dit leven betreft: Allah weert het kwaad van wie jullie onrecht aandoen van jullie af, vermeerdert jullie bezittingen voor jullie, en voegt aan jullie kracht nog meer kracht toe. En wat het Hiernamaals betreft: Allah, de Verhevene, beloont jullie daarvoor met Zijn tuinen. {En als jullie kwaad doen} — Hij zegt: en wanneer jullie Allah ongehoorzaam zijn en doen wat Hij jullie verboden heeft — dan is het jegens jezelf dat jullie kwaad doen, want jullie wekken daarmee de toorn van jullie Heer over jezelf op. Zo geeft Hij in dit leven jullie vijand macht over jullie, stelt Hij wie jullie onrecht aandoen in staat jullie te schaden, en laat Hij jullie in het Hiernamaals eeuwig blijven in de vernederende bestraffing (ʿadhāb). En Hij, wiens lof verheven is, zei: {En als jullie kwaad doen, dan is het voor haar (falahā)}, en de betekenis is: dan is het jegens haar (ilayhā), zoals Hij zei: {doordat jouw Heer aan haar (lahā) openbaarde}, waarvan de betekenis is: aan haar (ilayhā) openbaarde. En Zijn woord {En wanneer de belofte van de laatste keer komt} — Hij zegt: en wanneer de belofte van de laatste van de twee keren dat jullie verderf stichten op aarde komt, o Kinderen van Israël — {opdat zij jullie gezichten kwaad zouden doen (liyasūʾū)} — Hij zegt: opdat de komst van die belofte voor de laatste keer jullie gezichten kwaad zou doen en ze zou ontsieren. De koranlezers verschilden over de lezing van Zijn woord {liyasūʾū wujūhakum}. De meeste lezers van de mensen van Medina en Basra lazen dit {liyasūʾū wujūhakum} ("opdat zij jullie gezichten kwaad zouden doen"), met de betekenis: opdat de dienaren met grote macht, die Allah tegen jullie zal opzetten, jullie gezichten kwaad zouden doen. Zij die zo lazen voerden ter staving van de juistheid van hun lezing Zijn woord aan: {en opdat zij de moskee zouden binnentreden (wa-li-yadkhulū)}, en zij zeiden: dat is een mededeling over allen, dus zo ook hoort Zijn woord {liyasūʾū} te zijn. De meeste lezers van Kufa lazen het {liyasūʾa wujūhakum} ("opdat het jullie gezichten kwaad zou doen"), in het enkelvoud en met de yāʾ. Dit laat twee uitleggingen toe: de ene is wat ik reeds vermeld heb, en de andere ervan is: opdat Allah jullie gezichten kwaad zou doen. Wie de uitleg ervan richt op "opdat de komst van de belofte jullie gezichten kwaad zou doen", maakt het antwoord op Zijn woord "en wanneer (fa-idhā)" weggelaten, terwijl men het door wat zichtbaar is heeft kunnen missen; en dat weggelaten woord is "kwam (jāʾa)", zodat de uitleg v

  72. trekken, dan zouden wij met jou zijn." Toen zond Allah Zijn hulp neer, en versloeg hun vijand, en de moslims keerden terug [tot de strijd]. Hij zei: En de Boodschapper van Allah nam een handvol … hijra niet, dan zou ik een man van de Ansar zijn." En ons is vermeld dat de Profeet van Allah ﷺ placht te zeggen: "De Ansar zijn mijn ingewanden en mijn vertrouwde bewaarplaats; aanvaard

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: {لَقَدْ نَصَرَكُمُ اللَّهُ فِي مَوَاطِنَ كَثِيرَةٍ وَيَوْمَ حُنَيْنٍ إِذْ أَعْجَبَتْكُمْ كَثْرَتُكُمْ فَلَمْ تُغْنِ عَنْكُمْ شَيْئًا وَضَاقَتْ عَلَيْكُمُ الأَرْضُ بِمَا رَحُبَتْ ثُمَّ وَلَّيْتُمْ مُدْبِرِينَ} (Voorzeker, Allah heeft jullie geholpen op vele plaatsen, en op de dag van Ḥunayn, toen jullie talrijkheid jullie behaagde maar jullie niets baatte, en de aarde voor jullie nauw werd ondanks haar wijdheid, en jullie je toen omdraaiden en de rug toekeerden) (25). Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: {لقد نصركم الله} (voorzeker, Allah heeft jullie geholpen), o gelovigen, op plaatsen van strijd waar jullie jezelf vastberaden opstelden om jullie vijand te ontmoeten, en op talrijke slagvelden waar jullie en zij elkaar troffen. {ويوم حنين} (en op de dag van Ḥunayn), Hij zegt: en ook op de dag van Ḥunayn heeft Hij jullie geholpen. * * * En "Ḥunayn" is een vallei, naar men vermeldt, tussen Mekka en aṭ-Ṭāʾif. Het [woord] werd grammaticaal verbogen [met tanwīn], omdat het mannelijk is, een naam voor iets mannelijks. Soms wordt de verbuiging ervan achterwege gelaten, en wordt bedoeld dat het tot naam wordt gemaakt voor de streek waar het ligt. Hiertoe behoort het woord van de dichter [Ḥassān ibn Thābit]: "Zij hielpen hun Profeet en versterkten zijn arm te Ḥunayn, op de dag dat de helden elkaar in de steek lieten." 16573 — ʿAbd al-Wārith ibn ʿAbd al-Ṣamad heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: Abān al-ʿAṭṭār heeft ons verteld, hij zei: Hishām ibn ʿUrwa heeft ons verteld, op gezag van ʿUrwa, die zei: "Ḥunayn" is een vallei naast Dhū al-Majāz. * * * {إذ أعجبتكم كثرتكم} (toen jullie talrijkheid jullie behaagde) — en zij waren op die dag, naar ons is vermeld, twaalfduizend man. * * * En er is overgeleverd dat de Profeet ﷺ op die dag zei: "Wij zullen heden niet verslagen worden wegens geringheid in aantal." * * * En er wordt gezegd: dat zei een man van de moslims, van de metgezellen van de Boodschapper van Allah ﷺ. * * * En dat is Allahs uitspraak: {إذ أعجبتكم كثرتكم فلم تغن عنكم شيئا} (toen jullie talrijkheid jullie behaagde maar jullie niets baatte), Hij zegt: maar jullie talrijkheid baatte jullie niets. {وضاقت عليكم الأرض بما رحبت} (en de aarde voor jullie nauw werd ondanks haar wijdheid), Hij zegt: en de aarde werd, ondanks haar uitgestrektheid, nauw voor jullie. * * * En de "bāʾ" heeft hier de betekenis van "fī" (in), en de betekenis ervan is: en de aarde werd nauw voor jullie in haar wijdheid, en met haar wijdheid. * * * Men zegt daarvan: "een wijde (raḥīb) plaats", dat wil zeggen ruim. En de wijde gebieden (al-riḥāb) worden alleen "riḥāb" genoemd vanwege hun ruimte. * * * {ثم وليتم مدبرين} (en jullie je toen omdraaiden en de rug toekeerden), [zich afkerend] van jullie vijand, op de vlucht. "Mudbirīn" (de rug toekerend), Hij zegt: jullie keerden hun de ruggen toe, en dat is de nederlaag. De Gezegende en Verhevene bericht hun dat de o

  73. heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Rahman ibn Jubayr heeft ons verteld, hij zei: toen de profeet van Allah Ayyub, moge Allah hem zegenen en vrede schenken, beproefd werd in zijn bezit, zijn kinderen … verdienen wat zij hem te eten kon geven. Toen benijdde de Satan haar daarom, en hij ging naar de lieden van het brood en het geroosterde vlees die haar aalmoezen plachten te geven

    Toon meer ↓

    De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: { وَوَهَبْنَا لَهُ أَهْلَهُ وَمِثْلَهُمْ مَعَهُمْ رَحْمَةً مِنَّا وَذِكْرَى لأُولِي الأَلْبَابِ } (En Wij schonken hem zijn familie en nog eens evenveel daarbij, als een barmhartigheid van Ons en als een vermaning voor de bezitters van verstand) (43). De uitleggers (ahl al-taʾwīl) verschilden van mening over de betekenis van Zijn uitspraak { وَوَهَبْنَا لَهُ أَهْلَهُ وَمِثْلَهُمْ مَعَهُمْ } (En Wij schonken hem zijn familie en nog eens evenveel daarbij). Wij hebben hun meningsverschil daarover en de juiste opvatting daaromtrent volgens ons reeds vermeld in de Surah van de Profeten (al-Anbiyāʾ), op een wijze die het overbodig maakt dit op deze plaats te herhalen. De uitleg van de uitspraak is dus: en hij waste zich en dronk, en Wij verlosten hem van de beproeving waarin hij verkeerde, en Wij schonken hem zijn familie — echtgenote en kind — { وَمِثْلَهُمْ مَعَهُمْ رَحْمَةً مِنَّا } (en nog eens evenveel daarbij, als een barmhartigheid van Ons) jegens hem en als mededogen, { وَذِكْرَى } (en als een vermaning) — Hij zegt: en als een herinnering voor de bezitters van verstand, opdat zij daaruit een les trekken en zich laten vermanen. En reeds heeft Yūnus mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Nāfiʿ ibn Yazīd heeft mij bericht, op gezag van ʿUqayl, op gezag van Ibn Shihāb, op gezag van Anas ibn Mālik, dat de Boodschapper van Allah, moge Allah hem zegenen en vrede schenken, zei: "Voorwaar, de profeet van Allah Ayyūb verkeerde achttien jaar in zijn beproeving, en zowel verre als nabije verwanten verlieten hem, behalve twee mannen van zijn broeders die tot zijn meest vertrouwde broeders behoorden; zij gingen 's morgens en 's avonds naar hem toe. Toen zei de een tot zijn metgezel: weet, bij Allah, Ayyūb heeft waarlijk een zonde begaan zoals niemand van de werelden die begaan heeft. Zijn metgezel zei tot hem: en wat is dat dan? Hij zei: sinds achttien jaar heeft Allah zich niet over hem ontfermd om weg te nemen wat hem treft. Toen zij dan naar hem toe gingen, kon de man zich niet inhouden totdat hij dit aan hem vermeldde. Toen zei Ayyūb: ik weet niet wat je zegt, behalve dat Allah weet dat ik langs twee mannen placht te gaan die met elkaar twistten en daarbij Allah noemden, waarop ik naar mijn huis terugkeerde en voor hen beiden een verzoening (boetedoening) bracht, uit afkeer ervan dat Allah anders dan in het juiste genoemd zou worden." Hij zei: "En hij placht naar buiten te gaan voor zijn behoefte, en wanneer hij die verricht had, hield zijn vrouw hem bij de hand totdat hij terugkwam. Toen hij op zekere dag langer wegbleef dan zij verwachtte — en aan Ayyūb was op zijn plaats geopenbaard: { ارْكُضْ بِرِجْلِكَ هَذَا مُغْتَسَلٌ بَارِدٌ وَشَرَابٌ } (stamp met je voet; dit is koel water om je te wassen en om te drinken) — vond zij dat hij talmde, en zij ging hem tegemoet, uitkijkend. Toen kwam hij naar haar toe, terwijl Allah de beproeving die hem trof had weggenomen, en hij was in de beste ged

  74. Profeet van Allah, opdat zij beiden [Musa en Harun] hun mening kunnen vormen! Zo namen zij van elkaar het verbond aan om het te verbergen. Vervolgens keerden zij terug, en tien van hen gingen heen … gezien had van [de zaak van] "ʿUj". Maar twee mannen onder hen verzwegen het, en zij gingen naar Musa en Harun en berichtten hun het verhaal. Dat is wat Allah bedoelt wanneer Hij zegt

    Toon meer ↓

    De uitspraak over de uitleg van Zijn woord, machtig is Zijn gedachtenis: {وَلَقَدْ أَخَذَ اللَّهُ مِيثَاقَ بَنِي إِسْرَائِيلَ وَبَعَثْنَا مِنْهُمُ اثْنَيْ عَشَرَ نَقِيبًا} ("En Allah heeft waarlijk het verbond van de kinderen van Israël aangenomen, en Wij hebben uit hen twaalf opzichters gezonden"). Abū Jaʿfar zei: Dit vers werd neergezonden als een mededeling van Allah, verheven is Zijn lof, aan Zijn Profeet, moge Allah hem zegenen en vrede schenken, en aan de gelovigen in hem, over de aard van diegenen van de joden die voornemens waren hun handen naar hen uit te strekken. Zoals: 11567 — Al-Ḥārith ibn Muḥammad heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-ʿAzīz heeft ons verteld, hij zei: Mubārak heeft ons verteld, op gezag van al-Ḥasan over Zijn woord: "En Allah heeft waarlijk het verbond van de kinderen van Israël aangenomen", hij zei: de joden van de Mensen van het Boek. * * * = En dat datgene wat zij voornemens waren aan verraad en verbreking van het verbond dat tussen hen en hem bestond, behoort tot hun eigenschappen en de eigenschappen van hun voorgangers, hun aard en de aard van hun voorvaderen vanouds = en als argument voor Zijn Profeet, moge Allah hem zegenen en vrede schenken, tegen de joden, doordat Hij hem op de hoogte stelde van wat zij — en niet de Arabieren — wisten van hun verborgen aangelegenheden en hun verholen kennis = en als een berisping voor de joden vanwege hun volharding in de dwaling en hun vasthouden aan het ongeloof, ondanks hun kennis van de onjuistheid van datgene waarop zij volharden. Allah zegt tot Zijn Profeet, moge Allah hem zegenen en vrede schenken: Acht niet groot de zaak van diegenen van deze joden die voornemens waren hun handen naar jullie uit te strekken met wat zij jegens jullie van plan waren, en evenmin de zaak van het verraad dat zij jegens jullie beraamden en wilden, want dat behoort tot de aard van hun voorgangers en hun voorvaderen; zij gaan niet verder dan dat zij op de weg van hun eersten en het pad van hun voorgangers zijn. Vervolgens begon Hij, machtig is Zijn gedachtenis, de mededeling over enige van hun verraderlijke daden, hun verraad, hun vermetelheid jegens hun Heer en hun verbreking van het verbond dat hun Schepper met hen had gesloten, ondanks Zijn gunsten waarmee Hij hen had begunstigd en Zijn eerbewijzen waarvoor Hij hun de dankbaarheid had opgelegd. Zo zei Hij: en Allah heeft waarlijk het verbond aangenomen van de voorgangers van diegenen die voornemens waren hun handen naar jullie uit te strekken van de joden van de kinderen van Israël — o gezelschap van gelovigen — om het jegens Hem na te komen met Zijn verbonden, en Hem te gehoorzamen in wat Hij hun gebood en verbood, zoals: 11568 — Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Ādam al-ʿAsqalānī heeft ons verteld, hij zei: Abū Jaʿfar al-Rāzī heeft ons verteld, op gezag van al-Rabīʿ, op gezag van Abū al-ʿĀliya over Zijn woord: "En Allah heeft waarlijk het verbond van de kinderen van Israël aangenomen", hij zei: Allah nam hun verbonden aan dat

  75. Jaʿfar zei: al-fuqm is de zijkant van de mondhoek - en de slang ging langs de bewakers en ging binnen zonder dat zij wisten van wat Allah aan zaken wilde. Hij sprak … ander een vijand." Abu Jaʿfar zei: Deze berichten zijn - van degenen onder de metgezellen, de Volgers (tabiʿun) en anderen aan wie wij ze hebben toegeschreven - overgeleverd betreffende de wijze waarop Iblis, de vijand van Allah

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak, de Verhevene: {فَأَزَلَّهُمَا الشَّيْطَانُ عَنْهَا} ("Toen deed Satan hen beiden daarvan afglijden") Abū Jaʿfar zei: De reciteurs (de qurrāʾ) verschilden van mening over de lezing daarvan. De meesten van hen lazen het als "fa-azallahumā" met verdubbeling van de lām (tashdīd), in de betekenis van: hij bracht hen beiden tot afglijden (istazallahumā). Dit is afgeleid van je uitspraak: "zalla al-rajul fī dīnihi" — wanneer een man in zijn godsdienst struikelt en een fout begaat, en zo iets doet wat hem niet toegestaan was te doen. En "azallahu ghayruhu" — wanneer een ander voor hem de aanleiding veroorzaakt waardoor hij afglijdt, in zijn godsdienst of in zijn wereldse leven. Daarom heeft Allah, de Verhevene zij Zijn gedachtenis, het uitgaan van Adam en zijn echtgenote uit het paradijs aan Iblīs toegeschreven, en zei Hij: {فَأَخْرَجَهُمَا} — dat wil zeggen Iblīs — {مِمَّا كَانَا فِيهِ} ("en zo deed hij hen beiden vertrekken uit datgene waarin zij verkeerden"), omdat hij degene was die voor hen de zonde veroorzaakte waarvoor Allah hen bestrafte door hen uit het paradijs te verdrijven. Anderen lazen het als "fa-azālahumā", in de betekenis van het verwijderen (izālah) van iets van iets anders, en dat is het terzijde stellen ervan. Er is van Ibn ʿAbbās overgeleverd, betreffende de uitleg van Zijn uitspraak "fa-azallahumā", het volgende: 741 — Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: Al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, die zei: Ibn ʿAbbās zei betreffende de uitleg van Zijn uitspraak, de Verhevene: "fa-azallahumā al-shayṭān" — hij zei: hij verleidde hen beiden (aghwāhumā). De meest juiste van de twee lezingen is de lezing van wie las: "fa-azallahumā", omdat Allah, verheven zij Zijn lof, in het volgende tekstgedeelte dat hierop volgt heeft bericht dat Iblīs hen beiden deed vertrekken uit datgene waarin zij verkeerden. En dat is nu juist de betekenis van Zijn uitspraak "fa-azālahumā". Daarom is er geen grond — aangezien de betekenis van izālah (verwijdering) de betekenis is van terzijde stellen en doen vertrekken — om te zeggen: "fa-azālahumā al-shayṭān ʿanhā fa-akhrajahumā mimmā kānā fīhi" (Satan verwijderde hen beiden daarvan en deed hen vertrekken uit datgene waarin zij verkeerden), want dan zou het zijn als Zijn uitspraak: "Satan verwijderde hen beiden daarvan en verwijderde hen beiden uit datgene waarin zij verkeerden." Maar het begrijpelijke is dat men zegt: Iblīs deed hen beiden afglijden van de gehoorzaamheid aan Allah — zoals Hij, verheven zij Zijn lof, zei: "fa-azallahumā al-shayṭān", en zoals de reciteurs het hebben gelezen — en zo deed hij hen beiden, door hen te doen afglijden, vertrekken uit het paradijs. Indien iemand tot ons zou zeggen: En hoe was het afglijden waartoe Iblīs Adam en zijn echtgenote bracht, dat hem zelfs hun verdrijving uit het paradijs werd toegeschreven? Dan wordt geantwoord: De geleerden (ʿulamāʾ) hebben daarover uitspraken ge

  76. zijn metgezellen bespraken de belofte die Allah aan Ibrahim had gedaan dat Hij in zijn nageslacht profeten en koningen zou maken. Sommigen zeiden: de Israelieten verwachten dit zonder te twijfelen; zij dachten dat het Jusuf … ging naar haar moeder en berichtte haar het nieuws. Haar moeder came, en zodra zij hem in haar schoot legde sprong hij naar haar borst totdat zijn zijden vol waren. Boodschappers gingen spoedend naar

    Toon meer ↓

    De uitleg van de woorden van Allah de Verhevene: { إِذْ تَمْشِي أُخْتُكَ فَتَقُولُ هَلْ أَدُلُّكُمْ عَلَى مَنْ يَكْفُلُهُ فَرَجَعْنَاكَ إِلَى أُمِّكَ كَيْ تَقَرَّ عَيْنُهَا وَلا تَحْزَنَ وَقَتَلْتَ نَفْسًا فَنَجَّيْنَاكَ مِنَ الْغَمِّ وَفَتَنَّاكَ فُتُونًا فَلَبِثْتَ سِنِينَ فِي أَهْلِ مَدْيَنَ ثُمَّ جِئْتَ عَلَى قَدَرٍ يَا مُوسَى } (20:40) (Toen uw zuster liep en zei: zal ik u wijzen op iemand die hem kan verzorgen? Zo brachten Wij u terug naar uw moeder, opdat haar oog verkoelings mocht vinden en zij niet zou treuren. En u doodde een persoon, maar Wij redden u van het verdriet. En Wij beproefden u met zware beproevingen. Toen verbleeft u jaren bij de mensen van Midjan. Vervolgens bent u gekomen op het vastgestelde tijdstip, o Mozes.) Zijn woord { إِذْ تَمْشِي أُخْتُكَ فَتَقُولُ هَلْ أَدُلُّكُمْ عَلَى مَنْ يَكْفُلُهُ } (20:40): Allah de Verhevene zegt: toen uw zuster liep, u volgend, totdat zij u vond, en vervolgens naar degenen ging die voor u een voedstermoeder zochten, en zei: zal ik u wijzen op iemand die hem kan verzorgen? Wat er na Zijn woord { إِذْ تَمْشِي أُخْتُكَ } had moeten staan, is weggelaten, omdat de context voldoende aanwijzing geeft. De reden waarom de zuster van Mozes dit tegen hen zei, is wat Mūsā ibn Hārūn ons heeft verteld, hij zei: ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, die zei: toen zijn moeder hem in de rivier wierp, { قَالَتْ لأخْتِهِ قُصِّيهِ } (zei zij tot zijn zuster: volg hem). Toen het huis van farao hem oppikte en vrouwen zochten die hem konden zogen, weigerde hij bij een van de vrouwen te drinken. De vrouwen wedijverden om dit te doen teneinde bij farao in aanzien te staan door de voeding; maar hij weigerde te nemen. Zijn zuster zei: { هَلْ أَدُلُّكُمْ عَلَى أَهْلِ بَيْتٍ يَكْفُلُونَهُ لَكُمْ وَهُمْ لَهُ نَاصِحُونَ } (Zal ik u wijzen op een huishouden dat hem voor u verzorgt en hem oprecht gezind is?) Zij grepen haar vast en zeiden: jij kent dit kind al — wijs ons naar zijn familie. Zij zei: ik ken hem niet, ik zei slechts dat zij de koning trouw zijn. Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Ibn Isḥāq, die zei: de moeder van Mozes zei tot zijn zuster: volg hem en kijk wat zij met hem doen. Zij ging op pad, { فَبَصُرَتْ بِهِ عَنْ جُنُبٍ وَهُمْ لا يَشْعُرُونَ } (zij zag hem van terzijde, terwijl zij het niet beseften). Het kind had de borst nodig, men zocht voedstermoeders voor hem en riep vrouwen bijeen; maar hij dronk bij geen enkele vrouw. Dit verontrustte hen, en voedstermoeder na voedstermoeder werd gebracht, maar hij nam niets van hen aan. Zijn zuster zei tot hen, toen zij zag hoe bezorgd zij waren en hoe groot hun verlangen was: { هَلْ أَدُلُّكُمْ عَلَى أَهْلِ بَيْتٍ يَكْفُلُونَهُ لَكُمْ وَهُمْ لَهُ نَاصِحُونَ } (Zal ik u wijzen op een huishouden dat hem voor u verzorgt en hem oprecht gezind is?) — namelijk omdat zij de hoge positie van het kind bij u kennen en uw verlangen naar het genoegen van de koning. Met Zijn woord { هَل

  77. gedood worden?" Een man van zijn metgezellen zei: "Ik, o profeet van Allah!" En die man werd gedood, en Allah behoedde Zijn profeet en verhief hem tot Zich. 10782 - Al-Hasan ibn Yahya heeft … zijn metgezellen zei: "Ik, o profeet van Allah." En zijn gelijkenis werd op hem geworpen, en hij werd gedood, en Allah verhief Zijn profeet tot Zich. 10787 - Muhammad ibn ʿAmr heeft ons verteld

    Toon meer ↓

    Uitleg van Zijn woord: {وَقَوْلِهِمْ إِنَّا قَتَلْنَا الْمَسِيحَ عِيسَى ابْنَ مَرْيَمَ رَسُولَ اللَّهِ وَمَا قَتَلُوهُ وَمَا صَلَبُوهُ وَلَكِنْ شُبِّهَ لَهُمْ} ("En vanwege hun zeggen: 'Wij hebben de Messias, ʿĪsā de zoon van Maryam, de boodschapper van Allah, gedood' — terwijl zij hem niet gedood hebben en hem niet gekruisigd hebben, maar het werd hun zo voorgesteld." (4:157)) Abū Jaʿfar zei: De Verhevene in lof bedoelt daarmee: en vanwege hun zeggen: "Wij hebben de Messias, ʿĪsā de zoon van Maryam, de boodschapper van Allah, gedood." Vervolgens loochende Allah hen in hun bewering en zei: "terwijl zij hem niet gedood hebben en hem niet gekruisigd hebben, maar het werd hun zo voorgesteld", dat wil zeggen: zij hebben ʿĪsā niet gedood en hem niet gekruisigd, maar het werd hun zo voorgesteld. De mensen van de uitleg (taʾwīl) verschilden van mening over de aard van de gelijkenis die de Joden in de zaak van ʿĪsā werd voorgesteld. Sommigen zeiden: toen de Joden hem en zijn metgezellen omsingelden, omringden zij hen terwijl zij de herkenning van ʿĪsā in zijn eigen persoon niet konden vaststellen, omdat zij allen werden veranderd in de gedaante van ʿĪsā. Daardoor raakten degenen die ʿĪsā wilden doden in verwarring over wie van hen ʿĪsā was en wie niet, en een van degenen die met ʿĪsā in het huis waren, ging naar hen uit, en zij doodden hem in de veronderstelling dat hij ʿĪsā was. Vermelding van wie dat zei: 10779 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Yaʿqūb al-Qummī heeft ons verteld, op gezag van Hārūn ibn ʿAntara, op gezag van Wahb ibn Munabbih, die zei: ʿĪsā werd benaderd terwijl er zeventien van de discipelen bij hem in een huis waren, en zij omsingelden hen. Toen zij bij hen binnenkwamen, veranderde Allah hen allen in de gedaante van ʿĪsā, en zij zeiden tegen hen: "Jullie hebben ons betoverd! Laat ons ʿĪsā tevoorschijn brengen, of wij doden jullie allemaal!" Toen zei ʿĪsā tegen zijn metgezellen: "Wie van jullie verkoopt vandaag zichzelf in ruil voor het paradijs?" Een man van hen zei: "Ik!" En hij ging naar hen uit en zei: "Ik ben ʿĪsā" — en Allah had hem in de gedaante van ʿĪsā veranderd —, en zij grepen hem, doodden hem en kruisigden hem. Vanaf dat moment werd het hun zo voorgesteld en meenden zij dat zij ʿĪsā hadden gedood, en de Christenen meenden eveneens dat hij ʿĪsā was. En Allah verhief ʿĪsā op die dag. En er is van Wahb ibn Munabbih een ander verhaal overgeleverd dan dit, en dat is wat volgt: 10780 — Al-Muthannā heeft het mij verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: Ismāʿīl ibn ʿAbd al-Karīm heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Ṣamad ibn Maʿqil heeft mij verteld dat hij Wahb hoorde zeggen: Toen Allah ʿĪsā de zoon van Maryam, vrede zij met hem, te kennen gaf dat hij uit deze wereld zou heengaan, werd hij angstig voor de dood en viel deze hem zwaar. Hij riep de discipelen en bereidde voor hen een maaltijd en zei: "Wees vannacht bij mij aanwezig, want ik heb iets met jullie nodig." Toen zij die nacht bij hem samenkwamen, ga

  78. Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: {En waarlijk, Allah is Alhorend, Alwetend} - wanneer Allah Zijn profeet in zijn slaap de polytheisten (mushrikin) als gering toont, en wanneer Allah de gelovigen hen toont, toen … beslissen wat Hij besloten had aan onderlinge strijd, en uw overwinning, o gelovigen, over uw vijanden van de polytheisten en uw zege op hen, opdat het woord van Allah het hoogste zou zijn

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: {وَإِذْ يُرِيكُمُوهُمْ إِذِ الْتَقَيْتُمْ فِي أَعْيُنِكُمْ قَلِيلا وَيُقَلِّلُكُمْ فِي أَعْيُنِهِمْ لِيَقْضِيَ اللَّهُ أَمْرًا كَانَ مَفْعُولا وَإِلَى اللَّهِ تُرْجَعُ الأُمُورُ} (44) (En toen Hij hen u toonde, toen gij elkaar ontmoette, als gering in uw ogen, en u gering maakte in hun ogen, opdat Allah een zaak zou voltrekken die geschieden moest. En tot Allah keren alle zaken terug. (44)) Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: {En waarlijk, Allah is Alhorend, Alwetend} — wanneer Allah Zijn profeet in zijn slaap de polytheïsten (mushrikīn) als gering toont, en wanneer Allah de gelovigen hen toont, toen zij hen ontmoetten, als gering in hun ogen, terwijl hun aantal in werkelijkheid talrijk was; en Hij maakt de gelovigen gering in hun (de polytheïsten') ogen, opdat zij de voorbereiding tegen hen zouden nalaten, zodat hun kracht voor de gelovigen gemakkelijk te overwinnen werd. Zoals: 16156 - Ibn Bazīʿ al-Baghdādī heeft mij verteld, hij zei: Isḥāq ibn Manṣūr heeft ons verteld, op gezag van Isrāʾīl, op gezag van Abū Isḥāq, op gezag van Abū ʿUbayda, op gezag van ʿAbd Allāh, die zei: Voorzeker werden zij gering gemaakt in onze ogen op de dag van Badr, totdat ik tegen een man naast mij zei: "Zie jij hen als zeventig?" Hij zei: "Ik zie hen als honderd." Hij zei: Toen namen wij een man van hen gevangen en wij zeiden: "Hoeveel zijn jullie?" Hij zei: "Duizend." 16157 - Aḥmad ibn Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: Abū Aḥmad heeft ons verteld, hij zei: Isrāʾīl heeft ons verteld, op gezag van Abū Isḥāq, op gezag van Abū ʿUbayda, op gezag van ʿAbd Allāh, op soortgelijke wijze. 16158 - Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: Al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, over Zijn uitspraak: "En toen Hij hen u toonde, toen gij elkaar ontmoette, als gering in uw ogen" — Ibn Masʿūd zei: Zij werden gering gemaakt in onze ogen, totdat ik tegen een man zei: "Acht jij dat zij honderd zullen zijn?" 16159 - Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft mij verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, die zei: Sommige mensen van de polytheïsten zeiden: "De karavaan is reeds teruggekeerd, keer dus terug." Toen zei Abū Jahl: "Nu Muḥammad en zijn metgezellen voor jullie zijn verschenen! Keer niet terug totdat jullie hen met wortel en tak uitroeien." En hij zei: "O volk, dood hen niet met het wapen, maar grijp hen levend en bind hen met touwen!" — dit zei hij vanwege de macht die hij in zichzelf waande. * * * En Zijn uitspraak: "opdat Allah een zaak zou voltrekken die geschieden moest" — de Verhevene, wiens lof verheven is, zegt: Ik maakte u, o gelovigen, gering in de ogen van de polytheïsten, en Ik toonde hen u als gering in uw ogen, opdat Allah tussen u zou beslissen wat Hij besloten had aan onderlinge strijd, en uw overwinning, o gelovigen, over uw vijanden van de polytheïsten en uw zege op hen, opdat h

  79. Allah deed hen sterven, daarna deed Hij hen herleven en gebood hun strijd te voeren tegen hun vijand. Dat is Zijn woord: {وَقَاتِلُوا فِي سَبِيلِ اللَّهِ وَاعْلَمُوا أَنَّ اللَّهَ سَمِيعٌ عَلِيمٌ} ("En voert strijd … Toen stierven zij, totdat zij waren omgekomen en hun lichamen vergaan waren. Toen kwam langs hen een profeet, Hizqil genaamd; toen hij hen zag, bleef hij bij hen staan en begon over

    Toon meer ↓

    De uitleg van Zijn woord: {أَلَمْ تَرَ إِلَى الَّذِينَ خَرَجُوا مِنْ دِيَارِهِمْ وَهُمْ أُلُوفٌ حَذَرَ الْمَوْتِ فَقَالَ لَهُمُ اللَّهُ مُوتُوا ثُمَّ أَحْيَاهُمْ} ("Heb je niet gezien naar hen die hun woningen verlieten, terwijl zij met duizenden waren, uit vrees voor de dood? Toen zei Allah tot hen: 'Sterft!' Daarna deed Hij hen herleven.") Abū Jaʿfar zei: De Verhevene — Wiens lof verheven is — bedoelt met "Heb je niet gezien", oftewel: heb je niet geweten, o Mohammed? Dit behoort tot het "zien met het hart", niet het "zien met het oog", want onze Profeet Mohammed ﷺ heeft hen die Allah in dit bericht over hen vermeldt niet meegemaakt. En het "zien met het hart" betekent: hetgeen hij innerlijk waarnam en waarvan hij kennis had. De betekenis daarvan is dus: heb je niet geweten, o Mohammed, van hen die hun woningen verlieten terwijl zij met duizenden waren? * * * Vervolgens verschilden de exegeten van mening over de uitleg van Zijn woord: "terwijl zij met duizenden waren" (wa-hum ulūf). Sommigen zeiden: het slaat op het aantal, in de betekenis van het meervoud van "duizend" (alf). * Vermelding van wie dit zei: 5596 — Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: mijn vader heeft ons verteld — en ʿAmr ibn ʿAlī heeft ons verteld, hij zei: Wakīʿ heeft ons verteld — hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van Maysara al-Nahdī, op gezag van al-Minhāl ibn ʿAmr, op gezag van Saʿīd ibn Jubayr, op gezag van Ibn ʿAbbās, betreffende Zijn woord: "Heb je niet gezien naar hen die hun woningen verlieten terwijl zij met duizenden waren, uit vrees voor de dood": zij waren met vierduizend en zij trokken eruit, op de vlucht voor de pest. Zij zeiden: "Laten wij naar een land gaan waar geen dood is!" Totdat zij op een bepaalde plaats waren aangekomen, zei Allah tot hen: "Sterft!" Toen kwam een van de profeten langs hen, en hij smeekte zijn Heer hen te doen herleven, en Hij deed hen herleven. En hij reciteerde dit vers: {إِنَّ اللَّهَ لَذُو فَضْلٍ عَلَى النَّاسِ وَلَكِنَّ أَكْثَرَ النَّاسِ لا يَشْكُرُونَ} ("Voorwaar, Allah is vol genade jegens de mensen, maar de meeste mensen zijn niet dankbaar.") 5597 — Aḥmad ibn Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: Abū Aḥmad heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van Maysara al-Nahdī, op gezag van al-Minhāl, op gezag van Saʿīd ibn Jubayr, op gezag van Ibn ʿAbbās: "Heb je niet gezien naar hen die hun woningen verlieten terwijl zij met duizenden waren, uit vrees voor de dood." Hij zei: zij waren met vierduizend en trokken eruit op de vlucht voor de pest, en Allah deed hen sterven. Toen kwam een van de profeten langs hen en smeekte zijn Heer hen te doen herleven opdat zij Hem zouden aanbidden, en Hij deed hen herleven. 5598 — Muḥammad ibn Sahl ibn ʿAskar heeft ons verteld, hij zei: Ismāʿīl ibn ʿAbd al-Karīm heeft ons bericht, hij zei: ʿAbd al-Ṣamad heeft mij verteld dat hij Wahb ibn Munabbih hoorde zeggen: Sommige mensen van de kinderen Israëls werden getroffen door beproeving en zwaarte van de tijd, en zij bekl

  80. Allah en voor de Boodschapper was, dat was voor de verwantschap van de Profeet ﷺ, en de Profeet ﷺ nam van het vijfde deel niets. En toen Allah Zijn Boodschapper ﷺ tot Zich … moge Allah met hem tevreden zijn, het aandeel van de verwantschap terug aan de moslims, en hij ging het besteden op de weg van Allah, omdat de Boodschapper van Allah ﷺ gezegd had: wij worden

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: {wa-ʿlamū annamā ghanimtum min shayʾin} ("En weet dat van wat jullie aan oorlogsbuit hebben buitgemaakt"). Abū Jaʿfar zei: Dit is een onderricht van Allah, machtig en verheven, aan de gelovigen over de verdeling van hun oorlogsbuit (ghanāʾim) wanneer zij die buitmaken. De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: En weet, o gelovigen, dat wat jullie aan buit (ghanīma) hebben buitgemaakt. * * * De mensen van kennis verschilden van mening over de betekenis van "al-ghanīma" (oorlogsbuit) en "al-fayʾ" (de fayʾ-buit). Sommigen van hen zeiden: het zijn twee betekenissen, elk van beide is iets anders dan de andere. * Vermelding van wie dat gezegd heeft: 16087 — Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: Ḥumayd ibn ʿAbd al-Raḥmān heeft ons verteld, op gezag van al-Ḥasan ibn Ṣāliḥ, hij zei: Ik vroeg ʿAṭāʾ ibn al-Sāʾib over dit vers: "wa-ʿlamū annamā ghanimtum min shayʾin fa-anna li-Llāhi khumusahu", en over dit vers: {mā afāʾa Allāhu ʿalā rasūlihi} [Sūrat al-Ḥashr: 7] ("wat Allah aan Zijn Boodschapper als fayʾ heeft toegekend"). Ik zei: wat is "al-fayʾ", en wat is "al-ghanīma"? Hij zei: wanneer de moslims de polytheïsten (mushrikīn) en hun land overwinnen en het met geweld (ʿanwatan) innemen, dan is wat zij innemen aan bezit dat zij overwonnen hebben "ghanīma"; en wat het land betreft, dat is in dit Sawād-gebied van ons "fayʾ". * * * En anderen zeiden: "al-ghanīma" is wat met geweld is ingenomen, en "al-fayʾ" is wat door een verdrag (ṣulḥ) is verkregen. * Vermelding van wie dat gezegd heeft: 16088 — Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: mijn vader heeft ons verteld, op gezag van Sufyān al-Thawrī, hij zei: "al-ghanīma" is wat de moslims met geweld door strijd hebben verworven; daarin is het vijfde deel (al-khums), en de vier vijfden ervan zijn voor wie aan de strijd heeft deelgenomen. En "al-fayʾ" is dat waarover men met hen tot een verdrag is gekomen zonder strijd; daarin is geen vijfde deel, het is voor wie Allah genoemd heeft. * * * En anderen zeiden: "al-ghanīma" en "al-fayʾ" hebben één en dezelfde betekenis. En zij zeiden: dit vers in "al-Anfāl" heft Zijn uitspraak op: {mā afāʾa Allāhu ʿalā rasūlihi min ahli al-qurā fa-li-Llāhi wa-li-l-rasūl} het vers [Sūrat al-Ḥashr: 7]. * Vermelding van wie dat gezegd heeft: 16089 — Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Aʿlā heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over Zijn uitspraak: {mā afāʾa Allāhu ʿalā rasūlihi min ahli al-qurā fa-li-Llāhi wa-li-l-rasūli wa-li-dhī al-qurbā wa-l-yatāmā wa-l-masākīni wa-bni al-sabīl}, hij zei: de fayʾ was voor dezen, vervolgens werd dat opgeheven in "Sūrat al-Anfāl", en Hij zei: "wa-ʿlamū annamā ghanimtum min shayʾin fa-anna li-Llāhi khumusahu wa-li-l-rasūli wa-li-dhī al-qurbā wa-l-yatāmā wa-l-masākīni wa-bni al-sabīl". Zo hief dit op wat daarvóór was in "Sūrat al-Anfāl", en Hij maakte het vijfde deel voor wie de fayʾ toekwam in "Sūrat al-Ḥashr", en de rest daarvan voor wie erv

  81. vooraanstaanden uit het volk van Mozes tot Mozes, toen zij werden aangespoord tot de strijd tegen hun vijand en hun de hulp van Allah werd beloofd indien zij hen zouden bestoken … Sufyan, op gezag van Mukhariq, op gezag van Tariq: dat al-Miqdad ibn al-Aswad tot de Profeet, moge Allah hem zegenen en vrede schenken, zei: "Wij zeggen niet zoals de Banu Israʾil zeiden

    Toon meer ↓

    De uitleg van de uitspraak van de Verhevene, wiens gedachtenis machtig is: {قَالُوا يَا مُوسَى إِنَّا لَنْ نَدْخُلَهَا أَبَدًا مَا دَامُوا فِيهَا فَاذْهَبْ أَنْتَ وَرَبُّكَ فَقَاتِلا إِنَّا هَاهُنَا قَاعِدُونَ} (24) (Zij zeiden: "O Mozes, wij zullen haar nooit binnengaan, zolang zij daarin zijn. Ga jij dan met jouw Heer en strijd jullie beiden; wij blijven hier zitten." (24)) Abū Jaʿfar zei: Dit is een bericht van Allah, machtig is Zijn gedachtenis, over de uitspraak van de vooraanstaanden uit het volk van Mozes tot Mozes, toen zij werden aangespoord tot de strijd tegen hun vijand en hun de hulp van Allah werd beloofd indien zij hen zouden bestoken en bij hen de poort van hun stad zouden binnengaan. Zij zeiden tot hem: "Wij zullen haar nooit binnengaan", waarmee zij bedoelen: wij zullen hun stad nooit binnengaan. De "hā en alif" in Zijn uitspraak "Wij zullen haar nooit binnengaan" verwijst naar "de stad". En met hun uitspraak "nooit" bedoelen zij: de dagen van ons leven. "Zolang zij daarin zijn" bedoelt: zolang de geweldenaars (al-jabbārūn) gevestigd zijn in die stad die Allah voor hen heeft voorgeschreven en die zij is opgedragen binnen te gaan. "Ga jij dan met jouw Heer en strijd jullie beiden; wij blijven hier zitten", dat wil zeggen: wij komen niet met jou mee, o Mozes, indien jij naar hen toe gaat om hen te bestrijden, maar wij laten jou alleen gaan, jij en jouw Heer, en strijdt gij beiden tegen hen. Sommigen van hen zeiden hierover: de betekenis van de woorden is niet "ga jij, en laat jouw Heer met jou meegaan en strijdt jullie beiden", maar de betekenis is: ga jij, o Mozes, en laat jouw Heer jou helpen. Want het gaan komt Allah, machtig is Zijn gedachtenis, niet toe. Dit zou echter slechts nodig zijn om er een uitweg voor te zoeken, indien het een bericht over een gelovig volk was. Maar wat betreft een volk dat tegen Allah, machtig is Zijn gedachtenis, en Zijn boodschapper in verzet komt, is er geen reden om een uitweg te zoeken voor wat zij zeiden aangaande Allah, machtig en verheven is Hij, en wat zij over Hem verzonnen, behalve datgene wat overeenkomt met hun ongeloof (kufr) en hun dwaling. Er is overgeleverd van al-Miqdād dat hij tot de boodschapper van Allah, moge Allah hem zegenen en vrede schenken, het tegenovergestelde zei van wat het volk van Mozes tot Mozes zei. 11682 - Sufyān ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: mijn vader heeft ons verteld — en Hannād heeft ons verteld, hij zei: Wakīʿ heeft ons verteld — op gezag van Sufyān, op gezag van Mukhāriq, op gezag van Ṭāriq: dat al-Miqdād ibn al-Aswad tot de Profeet, moge Allah hem zegenen en vrede schenken, zei: "Wij zeggen niet zoals de Banū Isrāʾīl zeiden: 'Ga jij met jouw Heer en strijdt jullie beiden; wij blijven hier zitten', maar wij zeggen: ga jij met jouw Heer en strijdt jullie beiden; wij strijden met jullie mee." 11683 - Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, hij zei: Er is ons verhaald dat d

  82. mooiste mensen behoort, maar zij bedrijft ontucht. Hij zei: Breng haar bij mij. Zij ging naar haar toe en zei: Er is een man gekomen die veel rijkdom heeft, en hij heeft … iets kwaads overkomt", hij zegt: en als hun ontbering in het levensonderhoud, een nederlaag door de vijand, verwondingen en pijn ten deel vallen, "zeggen zij" tegen jou, o Muhammad: "dit komt van jou", door jouw

    Toon meer ↓

    De uitleg van Zijn woord: {أَيْنَمَا تَكُونُوا يُدْرِكْكُمُ الْمَوْتُ وَلَوْ كُنْتُمْ فِي بُرُوجٍ مُشَيَّدَةٍ} ("Waar jullie ook zijn, de dood zal jullie achterhalen, al bevonden jullie je in opgetrokken vestingtorens" — 4:78). Abū Jaʿfar zei: Hij — verheven is Zijn lof — bedoelt daarmee: waar jullie ook zijn, de dood zal jullie bereiken zodat jullie sterven, "al bevonden jullie je in opgetrokken vestingtorens". Hij zegt: Wees niet bevreesd voor de dood, vlucht niet weg uit de gewapende strijd (qitāl), en wees niet zwak bij het treffen met jullie vijand uit vrees voor jullie eigen leven voor het doden en de dood. Want de dood staat tegenover jullie waar jullie ook zijn, en hij bereikt jullie eigen ziel waar jullie ook zijn, al zouden jullie je daartegen verschansen in onneembare vestingen. * * * De geleerden van de uitleg verschilden over de betekenis van Zijn woord: "al bevonden jullie je in opgetrokken vestingtorens". Sommigen van hen zeiden: hiermee worden versterkte burchten bedoeld. *Vermelding van wie dat zei: 9957 — Bishr ibn Muʿādh heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: "al bevonden jullie je in opgetrokken vestingtorens", hij zegt: in versterkte burchten. 9958 — ʿAlī ibn Sahl heeft mij verteld, hij zei: Muʾammal ibn Ismāʿīl heeft ons verteld, hij zei: Abū Hammām heeft ons verteld, hij zei: Kathīr Abū al-Faḍl heeft ons verteld, op gezag van Mujāhid, die zei: Onder degenen die vóór jullie leefden was er een vrouw, en zij had een loonarbeider. Zij baarde een meisje. Zij zei tegen haar loonarbeider: Haal vuur voor ons. Hij ging naar buiten en trof bij de deur een man aan. De man zei tegen hem: Wat heeft deze vrouw gebaard? Hij zei: Een meisje. Hij zei: Welnu, dit meisje zal niet sterven voordat zij ontucht heeft bedreven met honderd mannen, en haar loonarbeider zal met haar trouwen, en haar dood zal door een spin geschieden. De loonarbeider zei toen bij zichzelf: Wil ík haar dan, nadat zij met honderd mannen ontucht heeft bedreven?! Hij nam een mes, ging naar binnen en sneed de buik van het meisje open. Zij werd behandeld en genas, en zij groeide op, en zij bedreef ontucht. Zij ging naar een van de kusten van de zee en bleef daar ontucht bedrijven. De man verbleef zo lang als Allah wilde, en kwam toen naar die kust met veel rijkdom bij zich. Hij zei tegen een vrouw uit de bewoners van de kust: Zoek voor mij de mooiste vrouw in het dorp uit, zodat ik met haar kan trouwen! Zij zei: Hier is een vrouw die tot de mooiste mensen behoort, maar zij bedrijft ontucht. Hij zei: Breng haar bij mij. Zij ging naar haar toe en zei: Er is een man gekomen die veel rijkdom heeft, en hij heeft mij zus-en-zo gezegd, en ik heb hem zus-en-zo gezegd. Zij zei: Ik heb de ontucht opgegeven, maar als hij wil, zal ik met hem trouwen! Hij trouwde toen met haar, en zij viel zeer bij hem in de smaak. Terwijl hij op een dag bij haar was, vertelde hij haar over zijn aangelegenheid, en zij zei: Ik be

  83. ʿUyayna heeft ons verteld, op gezag van ʿAmr, op gezag van Jabir, hij zei: De Profeet ﷺ kwam bij ʿAbd Allah ibn Ubayy toen deze reeds in zijn grafkuil was gelegd. Toen haalde … Boodschapper van Allah ﷺ geroepen om het gebed over hem te verrichten. Hij stond op en ging naar hem toe. Toen hij bij hem stilstond, voornemens om het gebed te verrichten, draaide

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: { وَلا تُصَلِّ عَلَى أَحَدٍ مِنْهُمْ مَاتَ أَبَدًا وَلا تَقُمْ عَلَى قَبْرِهِ إِنَّهُمْ كَفَرُوا بِاللَّهِ وَرَسُولِهِ وَمَاتُوا وَهُمْ فَاسِقُونَ } (9:84) (En verricht nooit het gebed over een van hen die sterft, en sta niet bij zijn graf; voorwaar, zij waren ongelovig jegens Allah en Zijn Boodschapper en zij stierven terwijl zij verdorvenen (fāsiqūn) waren) (9:84). Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens lof wordt vermeld, zegt tot Zijn Profeet Muḥammad ﷺ: En verricht, o Muḥammad, nimmer het gebed over een van deze hypocrieten (munāfiqūn) die sterft, degenen die achterbleven van het uittrekken met jou = (en sta niet bij zijn graf), Hij zegt: en neem niet de zorg op je van zijn begrafenis en zijn ter-aarde-bestelling. Dit is van de uitspraak van degene die zegt: "die-en-die nam de zaak van die-en-die op zich", wanneer hij zijn zaak voor hem afhandelt. * * * = (voorwaar, zij waren ongelovig jegens Allah), Hij zegt: voorwaar, zij ontkenden de eenheid van Allah en het boodschapperschap van Zijn Boodschapper = en zij stierven terwijl zij buiten de islam stonden, afgescheiden van het gebod en het verbod van Allah. * * * Er is vermeld dat dit vers werd neergezonden toen de Profeet ﷺ het gebed verrichtte over ʿAbd Allāh ibn Ubayy. * Vermelding van wie dat zei: 17050 – Muḥammad ibn al-Muthannā, Sufyān ibn Wakīʿ en Suwwār ibn ʿAbd Allāh hebben ons verteld, zij zeiden: Yaḥyā ibn Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van ʿUbayd Allāh, hij zei: Nāfiʿ heeft mij bericht, op gezag van Ibn ʿUmar, hij zei: De zoon van ʿAbd Allāh ibn Ubayy ibn Salūl kwam tot de Boodschapper van Allah toen zijn vader gestorven was, en hij zei: Geef mij jouw hemd zodat ik hem daarin kan omhullen, en verricht het gebed over hem en vraag om vergeving voor hem. = Toen gaf hij hem zijn hemd = en wanneer jullie klaar zijn, stel mij dan op de hoogte. Toen hij wilde het gebed over hem verrichten, [trok] ʿUmar hem [terug] en zei: Heeft Allah jou niet verboden het gebed over de hypocrieten te verrichten? Hij zei: Veeleer heeft Hij mij de keuze gegeven en gezegd: { اسْتَغْفِرْ لَهُمْ أَوْ لا تَسْتَغْفِرْ لَهُمْ } (Vraag om vergeving voor hen of vraag niet om vergeving voor hen). Hij zei: en hij verrichtte het gebed over hem. Hij zei: Toen zond Allah, gezegend en verheven, neer: (En verricht nooit het gebed over een van hen die sterft, en sta niet bij zijn graf). Hij zei: Daarop liet hij het gebed over hen achterwege. 17051 – Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: Abū Usāma heeft ons verteld, op gezag van ʿUbayd Allāh, op gezag van Ibn ʿUmar, hij zei: Toen ʿAbd Allāh ibn Ubayy ibn Salūl stierf, kwam zijn zoon ʿAbd Allāh tot de Profeet ﷺ en vroeg hem of hij hem zijn hemd wilde geven om zijn vader daarin te omhullen, en hij gaf het hem. Daarna vroeg hij hem het gebed over hem te verrichten. Toen stond ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb — moge Allah tevreden over hem zijn — op en greep het gewaad van de Profeet ﷺ vast, en zei: O zoon van Salūl! Verricht jij het geb

  84. Walid. De Profeet ﷺ zei: "Je hebt niets gedaan." Hij zei: "Je bent van hem gevrijwaard." Hij wees met zijn hand naar de holte van al-ʿAs. De Profeet ﷺ zei: "Je hebt niets gedaan … Zamʿa. De Profeet ﷺ zei: "Je hebt niets gedaan." Hij zei: "Je bent van hem gevrijwaard." Hij wees met zijn vinger naar het hoofd van al-Aswad. De Profeet ﷺ zei: "Laat mij mijn

    Toon meer ↓

    Allah, de Verhevene, zegt tot Zijn Profeet Muḥammad ﷺ: Voorwaar, Wij hebben jou, o Muḥammad, gevrijwaard van de spotters — degenen die met jou spotten en jou bespotten. Wees vrijmoedig met het bevel van Allah en vrees niets buiten Allah, want Allah zal jou beschermen tegen wie jou vijandig gezind is en jou kwaad aandoet, zoals Hij jou heeft gevrijwaard van de spotters. De aanvoerders van de spotters waren bekende mannen van Quraysh. Vermelding van hun namen: Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, hij zei: Muḥammad ibn Isḥāq heeft ons verteld: De groten van de spotters waren, zoals Yazīd ibn Rūmān mij vertelde op gezag van ʿUrwa ibn al-Zubayr, vijf mannen van zijn volk — mannen van aanzien en rang onder hun volk. Van de Banū Asad ibn ʿAbd al-ʿUzzā ibn Quṣayy: al-Aswad ibn al-Muṭṭalib, de vader van Zamʿa — over wie de Gezant van Allah ﷺ, naar wat mij is bereikt, had gebeden toen hem zijn belediging en spot bereikte, en zei: "O Allah, maak hem blind en laat hem zijn kind verliezen." Van de Banū Zuhra: al-Aswad ibn ʿAbd Yaghūth ibn Wahb ibn ʿAbd Manāf ibn Zuhra. Van de Banū Makhzūm: al-Walīd ibn al-Mughīra ibn ʿAbd Allāh ibn Makhzūm. Van de Banū Sahm ibn ʿAmr ibn Huṣayṣ ibn Kaʿb ibn Luʾayy: al-ʿĀṣ ibn Wāʾil ibn Hishām ibn Saʿīd ibn Saʿd ibn Sahm. Van Khuzāʿa: al-Ḥārith ibn al-Ṭulāṭila ibn ʿAmr ibn al-Ḥārith ibn ʿAmr ibn Malkān. Toen zij volhardden in het kwaad en de Gezant van Allah ﷺ steeds meer bespotten, zond Allah, de Verhevene, neer: { فَاصْدَعْ بِمَا تُؤْمَرُ وَأَعْرِضْ عَنِ الْمُشْرِكِينَ * إِنَّا كَفَيْنَاكَ الْمُسْتَهْزِئِينَ } — tot Zijn woord { فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ }. Muḥammad ibn Isḥāq zei: Yazīd ibn Rūmān heeft mij verteld, op gezag van ʿUrwa ibn al-Zubayr of een andere geleerde: Jibrīl kwam tot de Gezant van Allah ﷺ terwijl zij rondliepen om het Huis (al-Bayt). Hij stond op en de Gezant van Allah ﷺ stond naast hem. Al-Aswad ibn al-Muṭṭalib liep langs: hij gooide een groen blad in zijn gezicht, en hij werd blind. Al-Aswad ibn ʿAbd Yaghūth liep langs: hij wees naar zijn buik, en zijn buik zwol op van waterzucht, en hij stierf eraan. Al-Walīd ibn al-Mughīra liep langs: hij wees naar het spoor van een oude wond aan de onderkant van zijn enkel die hij twee jaar daarvoor had opgelopen, terwijl hij zijn kleed (sibāl) — dat wil zeggen zijn izār (heupkleed) — versleepte. Een man van Khuzāʿa was namelijk bezig zijn pijlen te beplukken en een van zijn pijlen raakte zijn kleed en kraste zijn been, hoewel het maar een kleinigheid was — maar het brak open en doodde hem. Al-ʿĀṣ ibn Wāʾil al-Sahmī liep langs: hij wees naar de holte van zijn voet, en hij reed op een ezel de Ṭāʾif in, maar trapte op een doornstruik (shibriqa), zodat een doorn in de holte van zijn voet drong en hem doodde. Abū Jaʿfar zei: Al-shibriqa is wat bekend staat als al-ḥasak; en al-ḥaban is de geelzucht (het gele water). Al-Ḥārith ibn al-Ṭulāṭila liep langs: hij wees naar zijn hoofd, en hij snoot pus uit zijn neus totdat het hem doodde. Ibn Ḥumayd heef

  85. Talha, op gezag van Abu Hurayra, op gezag van de Profeet ﷺ, die zei: Toen Allah openbaarde {وَأَنْذِرْ عَشِيرَتَكَ الْأَقْرَبِينَ}, zei de profeet van Allah ﷺ: "O menigte van Quraysh! Red jullie zelf … Qabisa ibn Mukhariq: dat zij beiden zeiden: Allah openbaarde aan Zijn profeet ﷺ: {وَأَنْذِرْ عَشِيرَتَكَ الْأَقْرَبِينَ}. En zij vertelden ons dat de profeet van Allah ﷺ een rots beklom op een berg, daarna klom

    Toon meer ↓

    Allah, verheven is Zijn lof, zegt tot Zijn profeet Muhammad ﷺ: {وَأَنْذِرْ عَشِيرَتَكَ الْأَقْرَبِينَ} — waarschuw jouw naaste verwanten uit jouw volk, die het dichtst bij jou staan in bloedverwantschap, en schrik hen af voor Onze bestraffing dat die over hen neerkomt wegens hun ongeloof. Er wordt vermeld dat toen dit vers neerdaalde, de Profeet ﷺ begon met de zonen van zijn grootvader ʿAbd al-Muṭṭalib en zijn eigen kinderen; hij schrikte hen af en waarschuwde hen. * Vermelding van de overlevering daaromtrent: Aḥmad ibn al-Miqdam heeft mij verteld, hij zei: Muḥammad ibn ʿAbd al-Raḥmān heeft ons verteld, hij zei: Hishām ibn ʿUrwa heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van ʿĀʾisha, die zei: Toen dit vers neerdaalde — {وَأَنْذِرْ عَشِيرَتَكَ الْأَقْرَبِينَ} — zei de Boodschapper van Allah ﷺ: "O Ṣafiyya, dochter van ʿAbd al-Muṭṭalib! O Fāṭima, dochter van Muḥammad! O zonen van ʿAbd al-Muṭṭalib! Waarlijk, ik vermag niets voor jullie jegens Allah. Vraag mij wat jullie willen van mijn bezit." Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: mijn vader en Yūnus ibn Bukayr hebben mij verteld, op gezag van Hishām ibn ʿUrwa, op gezag van zijn vader, op gezag van ʿĀʾisha, op gezag van de Boodschapper van Allah ﷺ, met vergelijkbare inhoud. Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Ḥakkām heeft ons verteld, hij zei: ʿAnbasa heeft ons verteld, op gezag van Hishām ibn ʿUrwa, op gezag van zijn vader, die zei: Toen {وَأَنْذِرْ عَشِيرَتَكَ الْأَقْرَبِينَ} neerdaalde, stond de Profeet ﷺ op en zei: "O Fāṭima, dochter van Muḥammad! O Ṣafiyya, dochter van ʿAbd al-Muṭṭalib!" Daarna noemde hij iets vergelijkbaars als de overlevering van Ibn al-Miqdam. Yūnus ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft mij verteld, hij zei: Salāma heeft ons verteld, hij zei: ʿAqīl heeft gezegd: al-Zuhrī heeft mij verteld, hij zei: Saʿīd ibn al-Musayyab en Abū Salama ibn ʿAbd al-Raḥmān hebben gezegd: Abū Hurayra zei: De Boodschapper van Allah ﷺ zei, toen over hem neerdaalde {وَأَنْذِرْ عَشِيرَتَكَ الْأَقْرَبِينَ}: "O menigte van Quraysh! Koop jullie zelf vrij van Allah — ik baat jullie niets jegens Allah. O Banū ʿAbd Manāf! Ik baat jullie niets jegens Allah. O ʿAbbās, zoon van ʿAbd al-Muṭṭalib! Ik baat jou niets jegens Allah. O Fāṭima, dochter van de Boodschapper van Allah! Ik baat jou niets jegens Allah. Vraag mij wat jij wilt — ik baat jou niets jegens Allah." Muḥammad ibn ʿAbd al-Malik heeft mij verteld, hij zei: Abū al-Yamān heeft ons verteld, hij zei: Shuʿayb heeft ons bericht op gezag van al-Zuhrī, die zei: Saʿīd ibn al-Musayyab en Abū Salama ibn ʿAbd al-Raḥmān hebben mij bericht dat Abū Hurayra zei: De Boodschapper van Allah ﷺ zei, toen over hem werd geopenbaard {وَأَنْذِرْ عَشِيرَتَكَ الْأَقْرَبِينَ}: "O menigte van Quraysh! Koop jullie zelf vrij van Allah." Daarna noemde hij iets vergelijkbaars als de overlevering van Yūnus via Salāma; maar hij voegde er aan toe: "O Ṣafiyya, tante van de Boodschapper van Allah! Ik baat jou niets jegens Allah." En hij noemde Fāṭima niet in zijn overlevering. Yūn

  86. Qatada placht te vertellen dat al-Hasan hem verteld had: dat zij reisden en op veldtocht gingen, maar niet van hun bezittingen besteedden - of hij zei: maar daarbij niet besteedden - en Allah beval … tegen al-Baraʾ ibn ʿAzib: o Abu ʿUmara, de man die duizend van de vijand ontmoet en hen aanvalt terwijl hij in zijn eentje is, behoort hij tot wie bedoeld worden met: "en stort jullie

    Toon meer ↓

    De uitleg van de woorden van de Verhevene: { وَأَنْفِقُوا فِي سَبِيلِ اللَّهِ وَلا تُلْقُوا بِأَيْدِيكُمْ إِلَى التَّهْلُكَةِ وَأَحْسِنُوا إِنَّ اللَّهَ يُحِبُّ الْمُحْسِنِينَ } (195) ("En besteedt op de weg van Allah en stort jullie niet met eigen hand in het verderf, en handelt voortreffelijk; voorwaar, Allah heeft de weldoeners lief.") (2:195) Abū Jaʿfar zei: De uitleggers verschillen van mening over de uitleg van dit vers, en over wie bedoeld wordt met Zijn woord: "en stort jullie niet met eigen hand in het verderf". Sommigen van hen zeiden: hiermee wordt bedoeld: "en besteedt op de weg van Allah" — en "de weg van Allah" is Zijn pad waarlangs Hij bevolen heeft te trekken naar Zijn vijand onder de polytheïsten (mushrikīn) om jihād tegen hen te voeren en hen te bestrijden — "en stort jullie niet met eigen hand in het verderf": Hij zegt: en laat het besteden op de weg van Allah niet na, want Allah zal jullie daarvoor met een beloning vergoeden en jullie ook spoedig (in dit leven) onderhouden. * Vermelding van wie dit zei: 3144 — Abū al-Sāʾib Salm ibn Junāda en al-Ḥasan ibn ʿArafa hebben mij verteld; zij beiden zeiden: Abū Muʿāwiya heeft ons verteld, op gezag van al-Aʿmash, op gezag van Sufyān, op gezag van Ḥudhayfa: "en stort jullie niet met eigen hand in het verderf", hij zei: dat betekent: in het nalaten van het besteden. 3145 — Muḥammad ibn Bashshār heeft mij verteld; hij zei: ʿAbd al-Raḥmān heeft ons verteld; hij zei: Shuʿba heeft ons verteld = en Ibn al-Muthannā heeft ons verteld; hij zei: Ibn Abī ʿAdī heeft ons verteld, op gezag van Shuʿba, op gezag van al-Aʿmash, op gezag van Abū Wāʾil, op gezag van Ḥudhayfa = en Muḥammad ibn Khalaf al-ʿAsqalānī heeft mij verteld; hij zei: Ādam heeft ons verteld; hij zei: Abū Jaʿfar al-Rāzī heeft ons verteld, op gezag van al-Aʿmash = en Aḥmad ibn Isḥāq heeft ons verteld; hij zei: Abū Aḥmad heeft ons verteld; hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van ʿĀṣim = allen, op gezag van Shaqīq, op gezag van Ḥudhayfa, die zei: het is het nalaten van het besteden op de weg van Allah. 3146 — Ibn al-Muthannā heeft ons verteld; hij zei: Muḥammad ibn Jaʿfar heeft ons verteld; hij zei: Shuʿba heeft ons verteld, op gezag van Manṣūr, op gezag van Abū Ṣāliḥ, op gezag van ʿAbd Allāh ibn ʿAbbās, dat hij over dit vers zei: "en stort jullie niet met eigen hand in het verderf", hij zei: besteed op de weg van Allah, ook al heb je niets dan een mishqaṣ — of: een pijl — Shuʿba is degene die hierover twijfelt. 3147 — Ibn al-Muthannā heeft ons verteld; hij zei: Ibn Abī ʿAdī heeft ons verteld, op gezag van Shuʿba, op gezag van Manṣūr, op gezag van Abū Ṣāliḥ — degene over wie al-Kalbī overleverde — op gezag van Ibn ʿAbbās, die zei: ook al heb je niets dan een pijl of een mishqaṣ, besteed het. 3148 — Ibn Bashshār heeft mij verteld; hij zei: Yaḥyā heeft ons verteld, op gezag van Sufyān, op gezag van Manṣūr, op gezag van Abū Ṣāliḥ, op gezag van Ibn ʿAbbās: "en stort jullie niet met eigen hand in het verderf", hij zei: in het

  87. jullie Heer), dat wil zeggen: door jullie smeekbede, toen zij keken naar de talrijkheid van hun vijand en de geringheid van hun eigen aantal - "en Hij verhoorde jullie", door de smeekbede van de Boodschapper … Profeet ﷺ, en daarin bevond zich Abu Bakr, moge Allah tevreden over hem zijn, en Mikaʾil, vrede zij met hem, daalde neer met duizend engelen aan de linkerflank van de Profeet ﷺ, en ik bevond

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: {إِذْ تَسْتَغِيثُونَ رَبَّكُمْ فَاسْتَجَابَ لَكُمْ أَنِّي مُمِدُّكُمْ بِأَلْفٍ مِنَ الْمَلائِكَةِ مُرْدِفِينَ} (9) (Toen jullie hulp afsmeekten bij jullie Heer en Hij jullie verhoorde: Ik zal jullie versterken met duizend engelen die elkaar opvolgen. (9)) Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: {وَيُبْطِلَ الْبَاطِلَ} (en opdat Hij het valse zou tenietdoen), op het moment dat jullie hulp afsmeken bij jullie Heer — zo is "toen" (idh) verbonden met "Hij doet teniet" (yubṭil). * * * En de betekenis van Zijn uitspraak: {تستغيثون ربكم} (jullie smeken hulp af bij jullie Heer): jullie zoeken bij Hem bescherming tegen jullie vijand, en jullie roepen Hem aan om de overwinning op hen — "en Hij verhoorde jullie", dus Hij beantwoordde jullie smeekbede (1), met: Ik zal jullie versterken met duizend engelen, de een achter de ander aansluitend, de een de ander volgend. (2) * * * En in de geest van wat wij hierover gezegd hebben, hebben de uitleggers (ahl al-taʾwīl) zich uitgesproken, en de overlevering daarover is gekomen van de metgezellen van de Boodschapper van Allah ﷺ. * Vermelding van de berichten daarover: 15734 — Muḥammad ibn ʿUbayd al-Muḥāribī heeft mij verteld, hij zei: ʿAbd Allāh ibn al-Mubārak heeft ons verteld, op gezag van ʿIkrima ibn ʿAmmār, hij zei: Simāk al-Ḥanafī heeft mij verteld, hij zei: ik hoorde Ibn ʿAbbās zeggen: ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb, moge Allah tevreden over hem zijn, heeft mij verteld, hij zei: Toen het de dag van Badr was, en de Boodschapper van Allah ﷺ keek naar de polytheïsten (mushrikīn) en hun aantal, en hij keek naar zijn metgezellen, iets meer dan driehonderd, wendde hij zich naar de qibla en begon te smeken, zeggend: "O Allah, vervul voor mij wat U mij beloofd hebt! O Allah, indien U deze schare van de mensen van de islam laat omkomen, zult U op aarde niet aanbeden worden!" Hij hield daarmee niet op totdat zijn mantel afgleed. Abū Bakr al-Ṣiddīq, moge Allah tevreden over hem zijn, nam hem en legde diens mantel weer over hem heen, en omarmde hem vervolgens van achteren (3), en zei toen: "Het is voor u genoeg, o Profeet van Allah, mijn vader en mijn moeder zijn voor u losprijs — uw aanroeping van uw Heer; want Hij zal voor u vervullen wat Hij u beloofd heeft!" Toen openbaarde Allah: {إذ تستغيثون ربكم فاستجاب لكم أني ممدكم بألف من الملائكة مردفين} (Toen jullie hulp afsmeekten bij jullie Heer en Hij jullie verhoorde: Ik zal jullie versterken met duizend engelen die elkaar opvolgen). (4) 15735 — Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī, op gezag van Ibn ʿAbbās, hij zei: Toen de twee scharen zich in slaglinie hadden opgesteld, zei Abū Jahl: "O Allah, wie van ons het meest in zijn recht staat, sta hem bij!" En de Boodschapper van Allah ﷺ hief zijn hand en zei: "O Heer, indien U deze schare laat omkomen, zult U op aarde nooit meer aanbeden worden!" 15736 — Muḥammad ibn Saʿd he

  88. geneigd waren, en zij gingen met de Boodschapper van Allah ﷺ mee op de weg die hij ging, en zij lieten ʿAbd Allah ibn Ubayy ibn Salul en de hypocrieten die met hem waren achter … standvastigheid op de waarheid, en deelde mee dat Hij hun Beschermer is en hun Helper tegen hun vijanden onder de ongelovigen, zoals: 7732 - Ibn Humayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld

    Toon meer ↓

    De uitleg van Zijn woord: {إِذْ هَمَّتْ طَائِفَتَانِ مِنْكُمْ أَنْ تَفْشَلا وَاللَّهُ وَلِيُّهُمَا وَعَلَى اللَّهِ فَلْيَتَوَكَّلِ الْمُؤْمِنُونَ} (122) ("Toen twee groepen onder jullie geneigd waren de moed te verliezen, terwijl Allah hun Beschermer is; en op Allah moeten de gelovigen vertrouwen" (3:122)). Abū Jaʿfar zei: Hij, verheven is Zijn lof, bedoelt hiermee: en Allah is Alhorend, Alwetend, op het moment dat twee groepen onder jullie geneigd waren de moed te verliezen. De twee groepen die geneigd waren de moed te verliezen — ons is overgeleverd dat het de Banū Salima en de Banū Ḥāritha waren. *Vermelding van wie dat heeft gezegd: 7720 — Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, op gezag van ʿĪsā, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid over het woord van Allah: "Toen twee groepen onder jullie geneigd waren de moed te verliezen". Hij zei: Het waren de Banū Ḥāritha, die zich in de richting van Uḥud bevonden, en de Banū Salima, die zich in de richting van Salʿ bevonden; en dat was op de dag van de Gracht (al-Khandaq). * * * Abū Jaʿfar zei: Wij hebben reeds eerder voldoende aangetoond dat dit op de dag van Uḥud was, zodat herhaling overbodig is. * * * 7721 — Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over zijn woord: "Toen twee groepen onder jullie geneigd waren de moed te verliezen", de vers; en dat was op de dag van Uḥud. De twee groepen waren de Banū Salima en de Banū Ḥāritha, twee stammen van de Anṣār, die geneigd waren tot een bepaalde zaak, maar Allah behoedde hen daarvoor. Qatāda zei: En ons is overgeleverd dat zij, toen deze vers werd geopenbaard, zeiden: "Niets verheugt ons meer dan dat wij wél geneigd waren tot wat wij van plan waren, want Allah heeft ons meegedeeld dat Hij onze Beschermer is." 7722 — Mij is verteld op gezag van ʿAmmār, hij zei: Ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van al-Rabīʿ, over zijn woord: "Toen twee groepen onder jullie geneigd waren", de vers; en dat was op de dag van Uḥud. De twee groepen waren de Banū Salima en de Banū Ḥāritha, twee stammen van de Anṣār. En hij vermeldde iets gelijk aan de uitspraak van Qatāda. 7723 — Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, hij zei: De Boodschapper van Allah ﷺ trok uit naar Uḥud met duizend man, en hij had hun de overwinning beloofd als zij standvastig zouden zijn. Toen keerde ʿAbd Allāh ibn Ubayy ibn Salūl terug met driehonderd man. Abū Jābir al-Salamī volgde hen en riep hen op, maar toen zij hem overstemden, zeiden zij tegen hem: "Wij menen niet dat er gevochten zal worden, en als jij naar ons luistert keer je met ons terug." En Allah, machtig en verheven, zei: "Toen twee groepen onder jullie geneigd waren de moed te verliezen" — en dat waren de Banū Salima en de Banū Ḥāritha — zij waren geneigd terug te keren toe

  89. ʿIsa, de zoon van Maryam. Toen geloofden zij in hem en gingen met hem mee. Dat is de uitspraak van Allah, machtig en verheven: "Wie zijn mijn helpers tot Allah? De discipelen zeiden: wij zijn … zijn metgezellen en helpers zijn "hawari" werd genoemd. Daarom zei de Profeet ﷺ: 7128 - "Voorwaar, elke profeet heeft een hawari (vertrouweling), en mijn hawari is al-Zubayr." (69) * * * - Hij bedoelt zijn vertrouweling. En de Arabieren

    Toon meer ↓

    De uitleg van de uitspraak van Allah: { فَلَمَّا أَحَسَّ عِيسَى مِنْهُمُ الْكُفْرَ قَالَ مَنْ أَنْصَارِي إِلَى اللَّهِ قَالَ الْحَوَارِيُّونَ نَحْنُ أَنْصَارُ اللَّهِ آمَنَّا بِاللَّهِ وَاشْهَدْ بِأَنَّا مُسْلِمُونَ } (52) (En toen ʿĪsā ongeloof bij hen bespeurde, zei hij: "Wie zijn mijn helpers tot Allah?" De discipelen zeiden: "Wij zijn de helpers van Allah, wij geloven in Allah, en getuig dat wij ons hebben overgegeven.") Abū Jaʿfar zei: Met Zijn uitspraak, verheven zij Zijn lof: "En toen ʿĪsā ongeloof bij hen bespeurde", bedoelt Hij: toen ʿĪsā ongeloof bij hen aantrof. * * * "Al-iḥsās" (het bespeuren) betekent het aantreffen, het waarnemen, en daartoe behoort de uitspraak van Allah, machtig en verheven: { هَلْ تُحِسُّ مِنْهُمْ مِنْ أَحَدٍ } [Surah Maryam: 98] (Bespeur je nog ook maar één van hen?). Wat betreft "al-ḥass", zonder "alif", dat betekent het vernietigen en het doden, en daartoe behoort Zijn uitspraak: { إِذْ تَحُسُّونَهُمْ بِإِذْنِهِ } [Surah Āl ʿImrān: 152] (toen jullie hen met Zijn toestemming neersloegen). "Al-ḥass" betekent ook genegenheid en mededogen, en daartoe behoort de uitspraak van al-Kumayt: "Is er iemand die om de woning weende en hoopt dat zij medelijden met hem heeft, of dat de woning aan het wenen wordt gebracht door het overvloedige water van de traan?" (56) Met zijn uitspraak "an taḥissa lahu" bedoelt hij: dat zij mededogen met hem heeft. * * * De uitleg van de woorden is dan: toen ʿĪsā — bij de Kinderen van Isrāʾīl naar wie Allah hem had gezonden — ontkenning van zijn profeetschap aantrof, en loochening van zijn woord, en afkering van datgene waartoe hij hen had opgeroepen uit de zaak van Allah, zei hij: "Wie zijn mijn helpers tot Allah?", waarmee hij bedoelt: ʿĪsā zei: wie zijn mijn helpers tegen degenen die het bewijs van Allah loochenen (57) en zich afkeren van Zijn religie en het profeetschap van Zijn profeet ontkennen — "tot Allah", machtig en verheven? * * * Met zijn uitspraak "tot Allah" (ilā Allāh) bedoelt hij: "met Allah" (maʿa Allāh). Het is alleen passend om te zeggen "ilā Allāh" in de betekenis van "maʿa Allāh", omdat het de gewoonte van de Arabieren is dat wanneer zij iets bij iets anders voegen en vervolgens over beide willen berichten door het ene met het andere samen te nemen waaraan het is toegevoegd, zij soms in plaats van "maʿa" (met) het woord "ilā" (tot/naar) plaatsen, en soms berichten zij over beide met "maʿa". Zo zegt men: "al-dhawd ilā al-dhawd ibil" (de kudde [gevoegd] bij de kudde [vormt] kamelen), in de betekenis: wanneer je de ene kudde bij de andere voegt, worden zij kamelen. Maar wanneer het ene ding mét het andere is, zeggen zij het niet met "ilā", en plaatsen zij in plaats van "maʿa" niet "ilā". Het is niet toegestaan om te zeggen: "qadima fulānun wa-ilayhi mālun" (die-en-die kwam, en bij hem ilā vermogen), in de betekenis: en bij hem was vermogen. (58) * * * En in overeenstemming met wat wij hebben gezegd over de uitleg van Zijn uitspraak "Wie zijn mijn helpers tot

  90. heeft de Profeet hem genomen!" Waarop Allah, machtig en verheven, neerzond: {وما كان لنبي أن يغُل} "en het past een profeet niet ontrouw te zijn" - [Saʿid zei: jawel, bij Allah, de profeet wordt verduisterd … profeten, en wie ontrouw is, is geen profeet. En wij hebben dat enkel verkozen, omdat Allah, machtig en verheven, na Zijn uitspraak {وما كان لنبي أن يغل} "en het past een profeet niet ontrouw

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: {وَمَا كَانَ لِنَبِيٍّ أَنْ يَغُلَّ} (En het past een profeet niet ontrouw te zijn / verduisterd te worden) (3:161). De reciteurs hebben over de lezing daarvan van mening verschild. Een groep reciteurs van de Ḥijāz en Irak heeft het gelezen: {وَمَا كَانَ لِنَبِيٍّ أَنْ يَغُلَّ} met de betekenis: dat hij zijn metgezellen ontrouw zou zijn betreffende dat wat Allah hun aan buit heeft toegekend uit de bezittingen van hun vijanden. Sommigen van de reciteurs van deze lezing hebben als bewijs aangevoerd dat dit vers op de boodschapper van Allah ﷺ werd neergezonden betreffende een mantel die werd vermist uit de buit van het volk op de dag van Badr, waarop sommigen die bij de Profeet ﷺ waren zeiden: "Misschien heeft de boodschapper van Allah ﷺ hem genomen!" En zij hebben daarover overleveringen overgeleverd, waaronder dat: 8136 — Mohammed ibn ʿAbd al-Malik ibn Abī l-Shawārib heeft het ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Wāḥid ibn Ziyād heeft ons verteld, hij zei: Khuṣayf heeft ons verteld, hij zei: Miqsam heeft ons verteld, hij zei: Ibn ʿAbbās heeft mij verteld: dat dit vers {وما كان لنبي أن يغل} "en het past een profeet niet ontrouw te zijn", werd neergezonden betreffende een rode mantel die op de dag van Badr werd vermist. Hij zei: Sommige mensen zeiden: hij heeft hem genomen! Hij zei: Zij spraken daar veel over, waarop Allah, machtig en verheven, neerzond: {وما كان لنبي أن يغل ومن يغلل يأت بما غل يوم القيامة} "en het past een profeet niet ontrouw te zijn, en wie ontrouw is zal datgene waarin hij ontrouw was op de Dag der Opstanding meebrengen". 8137 — Ibn Abī l-Shawārib heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Wāḥid heeft ons verteld, hij zei: Khuṣayf heeft ons verteld, hij zei: Ik vroeg Saʿīd ibn Jubayr: hoe lees je dit vers, {وما كان لنبي أن يغُل} "yaghulla" of {يُغَل} "yughalla"? Hij zei: nee, eerder "yaghulla"; want bij Allah, de profeet werd verduisterd (van) en gedood. 8138 — Isḥāq ibn Ibrāhīm ibn Ḥabīb ibn al-Shahīd heeft mij verteld, hij zei: ʿAttāb ibn Bishr heeft ons verteld, op gezag van Khuṣayf, op gezag van Miqsam, op gezag van Ibn ʿAbbās: {وما كان لنبي أن يغل} "en het past een profeet niet ontrouw te zijn", hij zei: dat was betreffende een rode mantel die werd vermist tijdens de veldtocht van Badr, waarop sommige mensen van de metgezellen van de Profeet ﷺ zeiden: "Misschien heeft de Profeet hem genomen!" Waarop Allah, machtig en verheven, neerzond: {وما كان لنبي أن يغُل} "en het past een profeet niet ontrouw te zijn" — [Saʿīd zei: jawel, bij Allah, de profeet wordt verduisterd (van) en gedood]. 8139 — Abū Kurayb heeft ons verteld, hij zei: Khallād heeft ons verteld, op gezag van Zuhayr, op gezag van Khuṣayf, op gezag van ʿIkrima, op gezag van Ibn ʿAbbās, hij zei: Er was een mantel die op de dag van Badr werd vermist, en zij zeiden: "De boodschapper van Allah ﷺ heeft hem genomen!" Waarop Allah, machtig en verheven, neerzond: {وما كان لنبيّ أن يغُلّ} "en het past een profeet niet ontrouw te zijn". 81

  91. doden - en zij was van de mooiste mensen, en was rijk en bezat veel goederen - en hij ging daarop in. = En ʿUnayza bint Ghanm riep "Qudar ibn Salif ibn Jundaʿ … wijzen. Toen zei een man van de metgezellen van Salih, genaamd "Maydaʿ ibn Hirm": O profeet van Allah, zij pijnigen ons om hen op jou te wijzen; zullen wij hen op jou wijzen

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: {وَإِلَى ثَمُودَ أَخَاهُمْ صَالِحًا قَالَ يَا قَوْمِ اعْبُدُوا اللَّهَ مَا لَكُمْ مِنْ إِلَهٍ غَيْرُهُ قَدْ جَاءَتْكُمْ بَيِّنَةٌ مِنْ رَبِّكُمْ هَذِهِ نَاقَةُ اللَّهِ لَكُمْ آيَةً فَذَرُوهَا تَأْكُلْ فِي أَرْضِ اللَّهِ وَلا تَمَسُّوهَا بِسُوءٍ فَيَأْخُذَكُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ} (73) ("En tot Thamūd [zonden Wij] hun broeder Ṣāliḥ. Hij zei: O mijn volk, aanbidt Allah; jullie hebben geen god buiten Hem. Reeds is er een duidelijk bewijs van jullie Heer tot jullie gekomen. Dit is de kamelin van Allah, voor jullie als teken. Laat haar dus eten op de aarde van Allah en raakt haar niet met kwaad aan, anders zal een pijnlijke bestraffing jullie grijpen." (7:73)) Abū Jaʿfar zei: De Verhevene in vermelding zegt: En Wij zonden waarlijk tot Thamūd hun broeder Ṣāliḥ. * * * En "Thamūd" is Thamūd ibn Ghāthir ibn Iram ibn Sām ibn Nūḥ, en hij is de broeder van Jadīs ibn Ghāthir. Hun woonplaatsen waren al-Ḥijr, tussen de Ḥijāz en Syrië (al-Shaʾm), tot aan Wādī al-Qurā en wat daaromheen lag. * * * En de betekenis van de woorden is: En tot de zonen van Thamūd [zonden Wij] hun broeder Ṣāliḥ. * * * En "Thamūd" werd slechts ondeclineerbaar gemaakt omdat "Thamūd" een stam is, zoals "Bakr" een stam is, en evenzo "Tamīm". * * * (Hij zei: O mijn volk, aanbidt Allah; jullie hebben geen god buiten Hem) — Hij zegt: Ṣāliḥ zei tot Thamūd: O mijn volk, aanbidt Allah alleen, Hij heeft geen deelgenoot; er is voor jullie geen god die het jullie toegestaan is te aanbidden buiten Hem. En reeds is er tot jullie een bewijs en een argument gekomen voor de waarheid van wat ik zeg, en voor de waarachtigheid van datgene waartoe ik oproep, namelijk het zuiver toekennen van de eenheid (tawḥīd) aan Allah, het Hem alleen toebehoren van de aanbidding zonder iets anders, en de bevestiging dat ik Zijn boodschapper ben. En mijn duidelijke bewijs voor wat ik zeg, en de waarheid van datgene waarmee ik tot jullie ben gekomen van bij mijn Heer, en mijn argument daarvoor, is deze kamelin die Allah uit deze heuvel heeft voortgebracht, als bewijs voor mijn profeetschap en de waarachtigheid van mijn woorden. Want jullie weten dat dat behoort tot de wonderen die niemand kan voortbrengen, behalve Allah. * * * En Ṣāliḥ riep slechts, naar wat mij heeft bereikt, de kamelin als getuige aan voor de juistheid van zijn profeetschap bij zijn volk Thamūd, omdat zij hem daarom hadden gevraagd als teken en aanwijzing voor de waarheid van zijn woorden. * Vermelding van wie dat zei, en vermelding van de reden waarom het volk van Ṣāliḥ de kamelin doodde: 14810 - Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Isrāʾīl heeft ons bericht, op gezag van ʿAbd al-ʿAzīz ibn Rufayʿ, op gezag van Abū al-Ṭufayl, die zei: Thamūd zei tot Ṣāliḥ: Breng ons een teken als je tot de waarachtigen behoort! Hij zei: Toen zei Ṣāliḥ tot hen: Gaat uit naar een heuvel in het land! Toen gingen zij uit, en zie, zij begon te wee-en zoals een zwangere vr

  92. hierheen tot mij, o zoon van mijn broer, want bij jou is het bericht!" Hij zei: Toen ging hij bij hem zitten terwijl de mensen om hem heen stonden, en hij zei: "O zoon … versterken indien zij standvastig zouden zijn in Zijn gehoorzaamheid en in de strijd tegen Zijn vijanden, en Hem zouden vrezen door het mijden van wat Hij verboden heeft - dat Hij hen in al hun oorlogen

    Toon meer ↓

    De uitleg van Zijn woord: {إِذْ تَقُولُ لِلْمُؤْمِنِينَ أَلَنْ يَكْفِيَكُمْ أَنْ يُمِدَّكُمْ رَبُّكُمْ بِثَلاثَةِ آلافٍ مِنَ الْمَلائِكَةِ مُنْزَلِينَ} (124) (Toen u tot de gelovigen zei: "Is het niet voldoende voor u dat uw Heer u zou versterken met drieduizend neergezonden engelen?" (3:124)) Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens lof verheven is, bedoelt: en waarlijk, Allah heeft u te Badr geholpen toen u zwak en gering in aantal was, toen u tot de gelovigen onder uw metgezellen die in u geloofden zei: "Is het niet voldoende voor u dat uw Heer u zou versterken met drieduizend neergezonden engelen?" En dat was op de dag van Badr. * * * Vervolgens verschilden de geleerden van uitleg (ahl al-taʾwīl) over de aanwezigheid van de engelen op de dag van Badr in hun strijd: op welke dag werd hun dat beloofd? Sommigen van hen zeiden: Allah, machtig en verheven, had de gelovigen op de dag van Badr beloofd hen met Zijn engelen te versterken indien de vijand hen onverwijld zou overvallen; maar dezen kwamen niet tot hen, en zij werden niet versterkt. * Vermelding van wie dat zei: 7743 — Ḥumayd ibn Masʿada heeft mij verteld, hij zei: Bishr ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Dāwūd heeft ons verteld, op gezag van ʿĀmir, die zei: De moslims werd verteld dat Kurz ibn Jābir al-Muḥāribī de polytheïsten (mushrikīn) ging versterken. Hij zei: Dat viel de moslims zwaar, en er werd tot hen gezegd: "Is het niet voldoende voor u dat uw Heer u zou versterken met drieduizend neergezonden engelen? Ja zeker! Indien u standvastig bent en (Allah) vreest, en zij u onverwijld overvallen, dan zal uw Heer u versterken met vijfduizend gemerkte engelen." Hij zei: Toen bereikte de nederlaag Kurz, en hij keerde terug, en hij versterkte hen niet met de vijfduizend. 7744 — Ibn al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: ʿAbd al-Aʿlā heeft ons verteld, hij zei: Dāwūd heeft ons verteld, op gezag van ʿĀmir, die zei: Toen het de dag van Badr was, bereikte de Boodschapper van Allah ﷺ — vervolgens vermeldde hij iets dergelijks, behalve dat hij zei: "en zij u onverwijld overvallen" — dat wil zeggen: Kurz en zijn metgezellen — "dan zal uw Heer u versterken met vijfduizend gemerkte engelen." Hij zei: Toen bereikte de nederlaag Kurz en zijn metgezellen, en hij versterkte hen niet, en de vijfduizend werden niet neergezonden. Daarna werden zij versterkt met duizend, zodat het vierduizend engelen waren bij de moslims. 7745 — Muḥammad ibn Sinān heeft mij verteld, hij zei: Abū Bakr al-Ḥanafī heeft ons verteld, op gezag van ʿAbbād, op gezag van al-Ḥasan, over Zijn woord: "Toen u tot de gelovigen zei: Is het niet voldoende voor u dat uw Heer u zou versterken met drieduizend engelen", de gehele aya. Hij zei: Dit was de dag van Badr. 7746 — Yaʿqūb heeft mij verteld, hij zei: Ibn ʿUlayya heeft ons verteld, op gezag van Dāwūd, op gezag van al-Shaʿbī, die zei: De moslims werd verteld dat Kurz ibn Jābir al-Muḥāribī de polytheïsten te Badr wilde versterken. Hij zei: Dat viel de moslims zwaar; toen zo

  93. أَتُرِيدُ أَنْ تَقْتُلَنِي كَمَا قَتَلْتَ نَفْسًا بِالأَمْسِ } - en zo herkenden zij dat het Musa was; hij ging van hen weg in angst, uitkijkend. Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazid heeft ons verteld … vijanden van de godsdienst van Faraʿun, een ongelovige; { فَاسْتَغَاثَهُ الَّذِي مِنْ شِيعَتِهِ عَلَى الَّذِي مِنْ عَدُوِّهِ } - en Musa was begiftigd met een indrukwekkend lichaam en een sterke vuist; hij laaide op bij hun vijand

    Toon meer ↓

    De uitleg van het woord van de Allerhoogste: { وَدَخَلَ الْمَدِينَةَ عَلَى حِينِ غَفْلَةٍ مِنْ أَهْلِهَا فَوَجَدَ فِيهَا رَجُلَيْنِ يَقْتَتِلانِ هَذَا مِنْ شِيعَتِهِ وَهَذَا مِنْ عَدُوِّهِ فَاسْتَغَاثَهُ الَّذِي مِنْ شِيعَتِهِ عَلَى الَّذِي مِنْ عَدُوِّهِ فَوَكَزَهُ مُوسَى فَقَضَى عَلَيْهِ قَالَ هَذَا مِنْ عَمَلِ الشَّيْطَانِ إِنَّهُ عَدُوٌّ مُضِلٌّ مُبِينٌ } ('En hij betrad de stad op een ogenblik van achteloosheid van haar bewoners. Hij trof daarin twee mannen die slaags waren met elkaar: deze behoorde tot zijn aanhang, en gene was zijn vijand. Diegene die tot zijn aanhang behoorde riep zijn hulp in tegen diegene die zijn vijand was. Mūsā sloeg hem met zijn vuist en maakten daarmee een einde aan hem. Hij zei: Dit is van het werk van de satan. Voorwaar, hij is een duidelijke misleidende vijand') (vers 15) De Allerhoogste zegt: { وَدَخَلَ } Mūsā { الْمَدِينَةَ } — de stad Manf (Memphis) in Egypte — { عَلَى حِينِ غَفْلَةٍ مِنْ أَهْلِهَا } — en dat was op het middaguur. De geleerden verschilden van mening over de reden waarom Mūsā op dat tijdstip de stad betrad. Sommigen zeiden: hij betrad haar op het spoor van Faraʿūn, omdat Faraʿūn was uitgegaan terwijl Mūsā er niet bij was; toen Mūsā arriveerde en hoorde dat hij was uitgereden, reed hij ook weg en volgde zijn spoor; het middagrust-uur vond hem in deze stad. Vermelding van wie dat zei: Mūsā heeft ons verteld, hij zei: ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, die zei: toen Mūsā groot was geworden, reed hij op de rijtuigen van Faraʿūn en droeg dezelfde kleding als hij; en men riep hem slechts 'Mūsā, de zoon van Faraʿūn'. Vervolgens reed Faraʿūn uit in een rijtuig terwijl Mūsā er niet bij was; toen Mūsā er aankwam, zei men hem: Faraʿūn is uitgereden. Hij reed hem na en het middagsuur overviel hem in een land dat Manf wordt genoemd; hij betrad het op het middaguur, terwijl de markten gesloten waren en er niemand op straat was; dat is de stad waarover Allah zegt: { وَدَخَلَ الْمَدِينَةَ عَلَى حِينِ غَفْلَةٍ مِنْ أَهْلِهَا }. Anderen zeiden: hij betrad haar heimelijk, uit vrees voor Faraʿūn en zijn volk, omdat hij met hen in hun godsdienst was ingegaan en hun handelwijze had afgekeurd. Vermelding van wie dat zei: Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Ibn Isḥāq, die zei: toen Mūsā zijn volle wasdom bereikte en volgroeid was, gaf Allah hem oordeelsvermogen en kennis; en hij had bij de Israëlieten een aanhang die naar hem luisterde, hem gehoorzaamde en om hem heen bijeenkwam. Toen zijn oordeel rijpte en hij begreep op welke Waarheid hij stond, achtte hij het in zijn godsdienst juist om te breken met Faraʿūn en zijn volk vanwege hun toestand; hij sprak, stelde zich vijandig op en keurde af, totdat men over hem sprak en men hem beangstigd had en hij hen vreesde — zodat hij geen stad van Faraʿūn kon binnengaan zonder angst en heimelijkheid; op een dag betrad hij haar op een ogenblik van achteloosheid van haar bewoners. We

  94. Ibrahim en Ishaq en wie er voor hen was van Uw profeten en Uw boodschappers. Er is gezegd dat geen enkele profeet voor Yusuf de dood had gewenst. *Vermelding … voegen. Geen enkele profeet had ooit om de dood gevraagd behalve Yusuf." Ibn Jurayj zei: in een deel van de Koran [staat] onder de profeten [ook] "doe mij sterven." 19942 - Bishr heeft ons verteld

    Toon meer ↓

    De uitleg van het woord van Allah, de Verhevene: { رَبِّ قَدْ آتَيْتَنِي مِنَ الْمُلْكِ وَعَلَّمْتَنِي مِنْ تَأْوِيلِ الأَحَادِيثِ فَاطِرَ السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضِ أَنْتَ وَلِيِّي فِي الدُّنْيَا وَالآخِرَةِ تَوَفَّنِي مُسْلِمًا وَأَلْحِقْنِي بِالصَّالِحِينَ } (101) Abū Jaʿfar zei: de Verhevene zegt: Yūsuf sprak, nadat Allah voor hem zijn ouders en zijn broers had samengebracht en hem naar de wereld toe had uitgespreid met de eerbewijzen die Hij hem schonk en hem macht had verleend in het land, terwijl hij verlangde naar zijn rechtschapen voorvaderen: { رب قد آتيتني من الملك } — dat wil zeggen: van de heerschappij over Egypte; { وعلمتني من تأويل الأحاديث } — dat wil zeggen: van de droomduiding, als het tellen van de weldaden van Allah over hem en als dankbaarheid jegens Hem daarvoor; { فاطر السماوات والأرض } — Hij zegt: o Schepper van de hemelen en de aarde, o hun Maker en Bewerker; { أنت وليي في الدنيا والآخرة } — Hij zegt: U bent mijn Beschermheer in mijn wereldse leven jegens mijn vijanden en wie mij kwaad wil, door Uw steun; U voedt mij daarin met Uw gunst; en U behartigt mijn belangen in het Hiernamaals door Uw gunst en Uw barmhartigheid. { تَوَفَّنِي مُسْلِمًا } — Hij zegt: neem mij tot U als moslim. { وَأَلْحِقْنِي بِالصَّالِحِينَ } — Hij zegt: voeg mij bij de rechtschapen voorvaderen van mij: Ibrāhīm en Isḥāq en wie er vóór hen was van Uw profeten en Uw boodschappers. Er is gezegd dat geen enkele profeet vóór Yūsuf de dood had gewenst. *Vermelding van wie dat zei:* 19940 — Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: { رب قد آتيتني من الملك وعلمتني من تأويل الأحاديث } — de Āya; Ibn ʿAbbās placht te zeggen: "De eerste profeet die Allah om de dood vroeg was Yūsuf." 19941 — al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, die zei: Ibn ʿAbbās heeft gezegd over Zijn woord: { رب قد آتيتني من الملك } — de Āya — hij zei: "Hij verlangde naar de ontmoeting met zijn Heer en wenste bij Hem en bij zijn voorvaderen te zijn; en hij smeekte Allah om hem te doen sterven en bij hen te voegen. Geen enkele profeet had ooit om de dood gevraagd behalve Yūsuf." Ibn Jurayj zei: in een deel van de Koran [staat] onder de profeten [ook] "doe mij sterven." 19942 — Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over Zijn woord: { توفني مسلمًا وألحقني بالصالحين } — "Nadat zijn gezin bijeen was en zijn oog verheugd was, en hij op dat moment ondergedompeld was in de weelderigheid van de wereld en haar koninkrijk en haar vruchtbaarheid, verlangde hij naar de rechtschapen [mensen] vóór hem. En Ibn ʿAbbās placht te zeggen: geen enkele profeet heeft ooit de dood verlangd vóór Yūsuf." 19943 — al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons bericht, hij zei: ʿAbd Allāh ibn al-Zubayr heeft ons bericht, op gezag van Sufyān, op gezag van Ibn Abī ʿArūb

  95. Profeet ﷺ aanwezig waren, hun vingers in hun oren, uit angst voor de woorden van de Profeet ﷺ, dat over hen iets zou worden geopenbaard, of dat zij met iets zouden worden genoemd … regen, donder en bliksem, op een gebaande weg. Toen het bliksemde, zagen zij de weg en gingen erover voort; maar wanneer de bliksem verdween, raakten zij verbijsterd. Zo is ook de hypocriet: telkens wanneer

    Toon meer ↓

    أو كصيب من السماء (Of als een stortbui uit de hemel) Uiteenzetting over de uitleg van Zijn, de Verhevene, woorden: { أو كصيب من السماء } (Of als een stortbui uit de hemel). Abū Jaʿfar zei: Het woord *al-ṣayyib* is van de vorm *al-faʿīl*, afgeleid van jouw uitdrukking: "de regen *ṣāba*, *yaṣūbu*, *ṣawban*" — wanneer hij naar beneden komt en neerdaalt, zoals de dichter zei: "Jij behoort niet tot een mens, maar tot een engel, die neerdaalt uit het luchtruim van de hemel, neerstortend (*yaṣūb*)." En zoals ʿAlqama ibn ʿAbada zei: "Het is alsof over hen een wolk neerregende (*ṣāba*), waarvan de bliksemschichten voor hun vogels een kruipende beweging hebben. Stel mij dan niet gelijk aan een dwaas; de waterstromen van de wolk worden gedrenkt wanneer zij neerstort (*taṣūb*)." Hij bedoelt: wanneer zij neerdaalt. In oorsprong is het woord *ṣayyūb*, maar toen aan de *wāw* een rustende (sukūn-dragende) *yāʾ* voorafging, werden beide samen tot één verdubbelde *yāʾ*, zoals men zegt *sayyid* van *sāda yasūdu*, en *jayyid* van *jāda yajūdu*. Zo handelen de Arabieren met de *wāw* wanneer deze beweeglijk is en er een rustende *yāʾ* aan voorafgaat: zij maken beide samen tot één verdubbelde *yāʾ*. En in overeenstemming met wat wij hierover hebben gezegd, hebben de exegeten (ahl al-taʾwīl) gesproken. 342 — Muḥammad ibn Ismāʿīl al-Aḥmasī heeft mij verteld, hij zei: Muḥammad ibn ʿUbayd heeft ons verteld, hij zei: Hārūn ibn ʿAntara heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās, betreffende Zijn woorden: { أو كصيب من السماء } (Of als een stortbui uit de hemel), hij zei: De regen. 343 — En ʿAbbās ibn Muḥammad heeft mij verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft ons verteld, hij zei: Ibn Jurayj zei: ʿAṭāʾ zei tegen mij: *Al-ṣayyib* is de regen. 344 — En al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya ibn Ṣāliḥ heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī, op gezag van Ibn ʿAbbās, hij zei: *Al-ṣayyib* is de regen. 345 — En Mūsā heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, in een bericht dat hij aanhaalde op gezag van Abū Mālik en van Abū Ṣāliḥ, op gezag van Ibn ʿAbbās, en van Murra, op gezag van Ibn Masʿūd, en van enkele lieden onder de metgezellen van de Profeet ﷺ: *Al-ṣayyib* is de regen. * En Muḥammad ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: Mijn vader Saʿd heeft mij verteld, hij zei: Mijn oom al-Ḥusayn heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van zijn grootvader, op gezag van Ibn ʿAbbās, het gelijke daarvan. 346 — En Bishr ibn Muʿādh heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, op gezag van Saʿīd, op gezag van Qatāda: { أو كصيب } (Of als een stortbui), hij zei: De regen. * En al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Maʿmar heeft ons meegedeeld, op gezag van Qatāda, het gelijke daarvan. 347 — En Muḥammad ibn ʿAmr al-Bāhilī en ʿAmr ibn ʿAlī hebben mij verteld, zij beiden zeiden: Abū ʿĀṣim h

  96. zich vasthouden aan gehoorzaamheid aan Hem. Vervolgens berichtte Hij hun wat Hij zal doen met hun vijanden nadat dezen tot Hem zijn teruggekeerd, en Hij - verheven zij Zijn lof - zei: "en hun verblijfplaats … jullie voor jezelf vooruit hebben gezonden, waarmee jullie Mijn bevel hebben overtreden en waarin jullie de Profeet van Allah ﷺ ongehoorzaam zijn geweest. 8003 - Muhammad ibn al-Husayn heeft mij verteld, hij zei: Ahmad heeft

    Toon meer ↓

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: {سَنُلْقِي فِي قُلُوبِ الَّذِينَ كَفَرُوا الرُّعْبَ بِمَا أَشْرَكُوا بِاللَّهِ مَا لَمْ يُنَزِّلْ بِهِ سُلْطَانًا وَمَأْوَاهُمُ النَّارُ وَبِئْسَ مَثْوَى الظَّالِمِينَ} (151) (Wij zullen in de harten van hen die ongelovig zijn schrik werpen, omdat zij aan Allah deelgenoten hebben toegekend waarvoor Hij geen gezag heeft neergezonden; en hun verblijfplaats is het Vuur, en slecht is de verblijfplaats van de onrechtplegers.) Abū Jaʿfar zegt: Hij — verheven zij Zijn lof — bedoelt daarmee: Allah zal werpen, o gelovigen, "in de harten van hen die ongelovig zijn" aan hun Heer, en die het profeetschap van de Profeet ﷺ loochenden, namelijk degenen onder hen die bij Uhud tegen jullie streden — "de schrik", dat is de angst en de paniek — "omdat zij aan Allah deelgenoten hebben toegekend", dat wil zeggen: vanwege hun toekennen van deelgenoten aan Allah (shirk), hun aanbidding van de afgodsbeelden en hun gehoorzaamheid aan de duivel, waarvoor Ik hun geen bewijsgrond heb verschaft — en dat is "het gezag" (sulṭān) — waarover Hij, machtig en verheven, heeft bericht dat Hij het niet heeft neergezonden voor hun ongeloof (kufr) en hun shirk. Dit is een belofte van Allah — verheven zij Zijn lof — aan de metgezellen van de Boodschapper van Allah ﷺ: de overwinning op hun vijanden en de zege over hen, zolang zij standvastig blijven bij Zijn verbond en zich vasthouden aan gehoorzaamheid aan Hem. Vervolgens berichtte Hij hun wat Hij zal doen met hun vijanden nadat dezen tot Hem zijn teruggekeerd, en Hij — verheven zij Zijn lof — zei: "en hun verblijfplaats is het Vuur", dat wil zeggen: hun toevlucht, waarheen zij op de Dag der Opstanding terugkeren, is het Vuur — "en slecht is de verblijfplaats van de onrechtplegers", Hij zegt: en slecht is het verblijf van de onrechtplegers — die zichzelf onrecht hebben aangedaan door zich datgene te verwerven wat de bestraffing (ʿadhāb) van Allah voor hen noodzakelijk maakte — namelijk het Vuur, zoals: 8002 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Ibn Isḥāq: "Wij zullen in de harten van hen die ongelovig zijn schrik werpen, omdat zij aan Allah deelgenoten hebben toegekend waarvoor Hij geen gezag heeft neergezonden; en hun verblijfplaats is het Vuur, en slecht is de verblijfplaats van de onrechtplegers" — Ik zal in de harten van hen die ongelovig zijn de schrik werpen waarmee Ik jullie tegen hen liet zegevieren, omdat zij aan Mij deelgenoten hebben toegekend waarvoor Ik hun geen bewijsgrond heb verschaft. Dat wil zeggen: denkt dus niet dat zij een uitkomst van overwinning of zege over jullie zullen hebben, zolang jullie je vasthouden en Mijn bevel volgen — wat de tegenslag betreft die jullie van hen trof vanwege zonden die jullie voor jezelf vooruit hebben gezonden, waarmee jullie Mijn bevel hebben overtreden en waarin jullie de Profeet van Allah ﷺ ongehoorzaam zijn geweest. 8003 — Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft mij verteld, hij zei: Aḥmad heeft ons ver

  97. zeker vullen met djinn en mensen tezamen'). Toen dan de mensen werden opgewekt en bijeengebracht, en de vijanden van Allah in groepen naar het Vuur werden gedreven, stortten zij zich in de hel, schare … gezag van Thawr, op gezag van Muhammad ibn Sirin, op gezag van Abu Hurayra, dat de Profeet ﷺ zei: "Het paradijs en het Vuur voerden een woordenwisseling. Het paradijs

    Toon meer ↓

    En Zijn woord ( يَوْمَ نَقُولُ لِجَهَنَّمَ ) "Op de Dag waarop Wij tegen de hel (jahannam) zullen zeggen" — Hij zegt: en Ik ben geen onrechtpleger jegens de dienaren op ( يَوْمَ نَقُولُ لِجَهَنَّمَ هَلِ امْتَلأْتِ ) "de Dag waarop Wij tegen de hel zullen zeggen: Ben jij vol geworden?" — en dat is de Dag der Opstanding. "En de Dag waarop Wij zeggen" hangt samen met "onrechtpleger". De Verhevene — geprezen zij Zijn vermelding — zegt op de Dag der Opstanding tegen de hel (jahannam): ( هَلِ امْتَلأْتِ ) "Ben jij vol geworden?" — vanwege wat aan Zijn belofte aan haar was voorafgegaan dat Hij haar zou vullen met djinn en mensen tezamen. Wat betreft Zijn woord ( هَلْ مِنْ مَزِيدٍ ) "Is er nog meer?", daarover zijn de geleerden van de uitleg (ahl al-taʾwīl) van mening verschild. Sommigen van hen zeiden: de betekenis ervan is: er is geen meer. Zij zeiden: Allah zegt slechts tegen haar "Ben jij vol geworden?" nadat Hij Zijn voet erin heeft gezet, waarop een deel van haar zich tot een ander deel samentrekt en zij zegt "genoeg, genoeg!" vanwege haar benauwdheid. En wanneer Hij, terwijl zij zo is geworden, tegen haar zegt "Ben jij vol geworden?", dan zegt zij op dat moment "hal min mazīd", dat wil zeggen: er is geen meer, vanwege de hevigheid van haar volheid en de samentrekking van haar delen tegen elkaar. * Vermelding van wie dat zei: Muḥammad ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: mijn oom heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās, betreffende Zijn woord ( يَوْمَ نَقُولُ لِجَهَنَّمَ هَلِ امْتَلأْتِ وَتَقُولُ هَلْ مِنْ مَزِيدٍ ). Ibn ʿAbbās zei: "Voorwaar, Allah, de Koning, de Gezegende en Verhevene, Zijn woord was reeds voorafgegaan: لأَمْلأَنَّ جَهَنَّمَ مِنَ الْجِنَّةِ وَالنَّاسِ أَجْمَعِينَ ('Ik zal de hel zeker vullen met djinn en mensen tezamen'). Toen dan de mensen werden opgewekt en bijeengebracht, en de vijanden van Allah in groepen naar het Vuur werden gedreven, stortten zij zich in de hel, schare na schare. Niets werd in de hel geworpen of het verdween erin, en niets vulde haar. Zij zei: 'Hebt Gij niet gezworen dat Gij mij zoudt vullen met djinn en mensen tezamen?' Toen zette Hij Zijn voet erin, en zij zei toen Hij Zijn voet erin zette: 'Genoeg, genoeg, want ik ben vol geworden en er is voor mij geen meer.' Niets had haar gevuld totdat zij de aanraking voelde van wat op haar geplaatst werd; zij trok zich samen toen op haar werd gelegd wat werd gelegd, en zij werd vol, zodat er in haar geen plaats voor een naald was." Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld; en al-Ḥārith heeft mij verteld, hij zei: al-Ḥasan heeft ons verteld, hij zei: Warqāʾ heeft ons verteld — beiden — op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, betreffende Zijn woord ( وَتَقُولُ هَلْ مِنْ مَزِيدٍ ), hij zei: Allah had haar beloofd haar te vullen, en Hij zei: heb Ik mijn belofte aan jou niet vervuld? Z

  98. voor een van Zijn schepselen vanwege een plek of plaats waar degene op wie zij rust naartoe ging. En de berichten van de Boodschapper van Allah ﷺ zijn overvloedig dat hij zei: "Ik heb Medina … toevlucht zou zoeken voor een bestraffing die op hem rust bij het gewijde gebied van de Profeet ﷺ, daar voor de bestraffing gegrepen wordt erin. En ware het niet wat ik vermeldde aangaande de overeenstemming

    Toon meer ↓

    Daarin zijn duidelijke tekenen: de Standplaats van Ibrāhīm Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak — verheven is Hij: { Daarin zijn duidelijke tekenen: de Standplaats van Ibrāhīm } De Koranlezers verschilden over de lezing daarvan. De lezers van de hoofdsteden lazen het: { Daarin zijn duidelijke tekenen (āyāt bayyināt) } in het meervoud van "teken (āya)", in de betekenis: daarin zijn duidelijke tekenen. En Ibn ʿAbbās las dat: "Daarin is een duidelijk teken (āya bayyina)", waarmee hij bedoelde: de Standplaats van Ibrāhīm, doelend op één enkel teken. Vervolgens verschilden de uitleggers over de uitleg van Zijn uitspraak: { Daarin zijn duidelijke tekenen } en wat die tekenen zijn. Sommigen van hen zeiden: de Standplaats van Ibrāhīm en de gewijde plaats (al-Mashʿar al-Ḥarām), en dergelijke. De vermelding van wie dat heeft gezegd: 5885 - Muḥammad ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: mijn oom heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās, over Zijn uitspraak: { Daarin zijn duidelijke tekenen }: de Standplaats van Ibrāhīm en de gewijde plaats (al-Mashʿar). 5886 - Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Maʿmar heeft ons bericht, op gezag van Qatāda en Mujāhid: { Daarin zijn duidelijke tekenen: de Standplaats van Ibrāhīm } — zij beiden zeiden: de Standplaats van Ibrāhīm behoort tot de duidelijke tekenen. En anderen zeiden: de duidelijke tekenen zijn { de Standplaats van Ibrāhīm, en wie het binnentreedt is veilig }. De vermelding van wie dat heeft gezegd: 5887 - Muḥammad ibn Sinān heeft mij verteld, hij zei: Abū Bakr al-Ḥanafī heeft ons verteld, hij zei: ʿAbbād heeft ons verteld, op gezag van al-Ḥasan, over Zijn uitspraak: { Daarin zijn duidelijke tekenen } — hij zei: { de Standplaats van Ibrāhīm, en wie het binnentreedt is veilig }. En anderen zeiden: de duidelijke tekenen, dat is de Standplaats van Ibrāhīm. De vermelding van wie dat heeft gezegd: 5888 - Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, over Zijn uitspraak: { Daarin zijn duidelijke tekenen: de Standplaats van Ibrāhīm } — wat betreft de duidelijke tekenen: dat is de Standplaats van Ibrāhīm. En wat betreft degenen die dat lazen als "Daarin is een duidelijk teken" in het enkelvoud, zij bedoelden met het duidelijke teken: de Standplaats van Ibrāhīm. De vermelding van wie dat heeft gezegd: 5889 - Muḥammad ibn ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, op gezag van ʿĪsā, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid: { Daarin zijn duidelijke tekenen } — hij zei: zijn beide voeten in de Standplaats zijn een duidelijk teken. Hij zegt: { en wie het binnentreedt is veilig } — hij zei: dit is iets anders. * - Mij is verteld op gezag van ʿAmmār, hij zei: Ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op

  99. vroeg Saʿid ibn Jubayr naar Zijn woord: { إِنَّ شَانِئَكَ هُوَ الأبْتَرُ } - hij zei: "uw vijand al-ʿAs ibn Waʾil is van zijn volk afgesneden." Muhammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abu ʿAsim heeft … Shimr ibn ʿAtiyya, hij zei: "ʿUqba ibn Abi Muʿayt placht te zeggen dat er voor de Profeet ﷺ geen kind in leven zou blijven, en dat hij abtar was. Hierover openbaarde Allah dan ook deze

    Toon meer ↓

    En Zijn woord: { إِنَّ شَانِئَكَ هُوَ الأبْتَرُ } (Voorwaar, uw hater is degene die afgesneden is) Met Zijn woord — verheven zij Zijn lof — { إِنَّ شَانِئَكَ } (voorwaar uw hater) bedoelt Hij: wie u haat, o Muḥammad ﷺ, en uw vijand is, { هُوَ الأبْتَرُ } (is degene die afgesneden is). Met al-abtar (de afgesnedene) bedoelt Hij: de geringste, de vernedetste, degene wiens nageslacht is afgesneden, die geen nakomelingen heeft. De mensen van de uitlegging verschilden van mening over wie hier mee bedoeld wordt. Sommigen zeiden: er wordt al-ʿĀṣ ibn Wāʾil al-Sahmī mee bedoeld. * Opgave van wie dat zei: ʿAlī heeft mij verteld, hij zei: Abū Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī, op gezag van Ibn ʿAbbās, over Zijn woord: { إِنَّ شَانِئَكَ هُوَ الأبْتَرُ } — hij zei: "uw vijand." Muḥammad ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: mijn oom heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās, over Zijn woord: { إِنَّ شَانِئَكَ هُوَ الأبْتَرُ } — hij zei: "dat is al-ʿĀṣ ibn Wāʾil." Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van Hilāl ibn Khabbāb, hij zei: ik hoorde Saʿīd ibn Jubayr zeggen over { إِنَّ شَانِئَكَ هُوَ الأبْتَرُ }: "dat is al-ʿĀṣ ibn Wāʾil." Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Mahrān heeft ons verteld, op gezag van Sufyān, op gezag van Hilāl, hij zei: ik vroeg Saʿīd ibn Jubayr naar Zijn woord: { إِنَّ شَانِئَكَ هُوَ الأبْتَرُ } — hij zei: "uw vijand al-ʿĀṣ ibn Wāʾil is van zijn volk afgesneden." Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld; en al-Ḥārith heeft mij verteld, hij zei: al-Ḥasan heeft ons verteld, hij zei: Warqāʾ heeft ons verteld — beiden op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, over Zijn woord: { إِنَّ شَانِئَكَ هُوَ الأبْتَرُ } — hij zei: "al-ʿĀṣ ibn Wāʾil; hij zei: ik ben een hater van Muḥammad, en wie hem haat onder de mensen is de afgesnedene." Ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft ons verteld, hij zei: Ibn Thawr heeft ons verteld, op gezag van Maʿmar, op gezag van Qatāda, over { إِنَّ شَانِئَكَ هُوَ الأبْتَرُ } — hij zei: "dat is al-ʿĀṣ ibn Wāʾil; hij zei: ik ben een hater van Muḥammad, en hij is abtar — hij heeft geen nageslacht. Allah zei: { إِنَّ شَانِئَكَ هُوَ الأبْتَرُ }." Qatāda zei: "al-abtar is de verachtelijke, de nietige, de vernederde." Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over { إِنَّ شَانِئَكَ هُوَ الأبْتَرُ }: "dit is al-ʿĀṣ ibn Wāʾil; het heeft ons bereikt dat hij zei: ik ben de hater van Muḥammad." Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei, over Zijn woord: { إِنَّ شَانِئَكَ هُوَ الأبْتَرُ } — hij zei: "de man die zei: Muḥammad is immers abtar — hij heeft, zoals u ziet, geen nageslacht. Allah zei: { إِنَّ شَانِئَكَ هُوَ الأ

  100. verschaffen van rijdieren, opdat zij zich opmaken voor de strijd (qital) tegen Zijn vijand onder de polytheisten (mushrikin) op Zijn weg. (234) De Verhevene - verheven is Zijn vermelding - zei dus: Wie legt voor zichzelf … daarom dat hij die aan mij geeft opdat ik daarmee mijn tuin volledig maak. Toen zei de Profeet ﷺ tegen hem: Geef die aan hem in ruil voor een palmboom in het paradijs - maar

    Toon meer ↓

    ## De uitleg van Zijn woorden: {مَنْ ذَا الَّذِي يُقْرِضُ اللَّهَ قَرْضًا حَسَنًا فَيُضَاعِفَهُ لَهُ أَضْعَافًا كَثِيرَةً} (Wie is degene die aan Allah een goede lening verstrekt, zodat Hij die voor hem vele malen vermenigvuldigt?) Abū Jaʿfar zei: De Verhevene — verheven is Zijn vermelding — bedoelt daarmee: Wie is degene die uitgeeft op de weg van Allah, en zo iemand bijstaat wiens rijdier verzwakt is, (222) of iemand met gebrek versterkt die de jihād op de weg van Allah heeft beoogd, en aan de behoeftigen onder hen geeft? Dat is de goede lening die de dienaar aan zijn Heer verstrekt. Allah — verheven is Zijn vermelding — heeft dit slechts "lening" (qarḍ) genoemd, omdat de betekenis van "lening" is: dat een man een ander zijn bezit geeft in eigendom, opdat die hem het gelijke ervan teruggeeft wanneer hij het opvraagt. Want aangezien degene die geeft aan de mensen van behoefte en gebrek op de weg van Allah, hun datgene wat hij hun geeft slechts geeft in het verlangen naar wat Allah hem heeft beloofd aan rijke beloning bij Hem op de Dag der Opstanding, heeft Hij het "lening" genoemd — daar de betekenis van "lening" in de taal van de Arabieren is zoals wij hebben beschreven. En de Verhevene — verheven is Zijn vermelding — heeft het slechts "goed" (ḥasan) gemaakt, omdat de gever dat geeft op aansporing van Allah en Zijn aanmoediging daartoe, terwijl hij erop hoopt op beloning bij Hem. Het is dus voor Allah een daad van gehoorzaamheid, en voor de duivels een daad van ongehoorzaamheid. (223) Dat is niet omdat Allah behoefte heeft aan enige van Zijn schepselen, maar het is zoals het gezegde van de Arabieren: "Bij mij hebt u een lening van het goede en een lening van het kwade," voor de zaak die de man vreugde of verdriet brengt, (224) zoals de dichter zei: (225) Elke man zal eens voor zijn lening worden vergolden — met goed of met kwaad, en wordt vergolden naar dat waarmee hij anderen vergold. (226) * * * De "lening" van de mens is dus: wat is voorgegaan aan zijn goede of slechte daden. En dit vers is gelijk aan het vers waarin Allah — verheven is Zijn vermelding — zei: (227) {مَثَلُ الَّذِينَ يُنْفِقُونَ أَمْوَالَهُمْ فِي سَبِيلِ اللَّهِ كَمَثَلِ حَبَّةٍ أَنْبَتَتْ سَبْعَ سَنَابِلَ فِي كُلِّ سُنْبُلَةٍ مِائَةُ حَبَّةٍ وَاللَّهُ يُضَاعِفُ لِمَنْ يَشَاءُ وَاللَّهُ وَاسِعٌ عَلِيمٌ} (Het voorbeeld van hen die hun bezittingen uitgeven op de weg van Allah is als het voorbeeld van een graankorrel die zeven aren voortbrengt, in elke aar honderd korrels; en Allah vermenigvuldigt voor wie Hij wil, en Allah is Alomvattend, Alwetend.) [Surah Al-Baqarah: 261]. * * * En overeenkomstig wat wij daarover hebben gezegd, placht Ibn Zayd te zeggen: 5617 — Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei over Zijn woorden "Wie is degene die aan Allah een goede lening verstrekt": Dit is op de weg van Allah — "zodat Hij die voor hem vele malen vermenigvuldigt", hij zei: voor de ene [gift] zevenhonderdvoudig. 5618 — Al-Ḥasan ib

  101. Toon minder ↑