Tafseer van Het Bewijs · Al-Bayyina · 98:6
Voorwaar, degenen die ongelovig zijn onder de Lieden van de Schrift en de veelgodenaanbidders zullen in het vuur van de Hel eeuwig levenden zijn. Zij zijn degenen die de slechtste schepsels zijn.
Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak, de Verhevene:
إِنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا مِنْ أَهْلِ الْكِتَابِ وَالْمُشْرِكِينَ فِي نَارِ جَهَنَّمَ خَالِدِينَ فِيهَا أُولَئِكَ هُمْ شَرُّ الْبَرِيَّةِ (Voorwaar, de ongelovigen onder de Mensen van het Boek en de polytheïsten zullen in het Vuur van de hel zijn, daarin eeuwig verblijvend; zij zijn de slechtsten van de schepping) (98:6)
Allah, verheven is Zijn vermelding, zegt: voorwaar, degenen die ongelovig waren aan Allah en aan Zijn boodschapper Mohammed ﷺ en zo zijn profeetschap loochenden — onder de Joden, de Christenen en de polytheïsten (mushrikīn) tezamen — zij zijn (fī nāri jahannam khālidīna fīhā) (in het Vuur van de hel, daarin eeuwig verblijvend) — Hij zegt: daarin blijvend en verwijlend (abadan) (voor eeuwig); zij komen er niet uit en zij sterven er niet in. (ulāʾika hum sharru al-bariyya) (zij zijn de slechtsten van de schepping) — Allah, verheven is Zijn lofprijzing, zegt: dezen die ongelovig waren onder de Mensen van het Boek en de polytheïsten, zij zijn het slechtste van wat Allah heeft voortgebracht en geschapen.
De Arabieren spreken al-bariyya niet uit met een hamza, en met het achterwege laten van de hamza erin lazen de Koranlezers van de steden het, behalve iets wat vermeld wordt van Nāfiʿ ibn Abī Nuʿaym, want sommigen hebben van hem overgeleverd dat hij het mét hamza placht uit te spreken, en hij bracht het in verband met de uitspraak van Allah: مِنْ قَبْلِ أَنْ نَبْرَأَهَا [al-Ḥadīd: 22] (voordat Wij haar schiepen), en dat het de vorm faʿīla daarvan is. Wat betreft degenen die het niet met hamza uitspraken: hun achterwege laten van de hamza daarin heeft twee mogelijke verklaringen. De ene is dat zij de hamza erin achterwege lieten, zoals zij die achterwege lieten bij al-malak (de engel), wat de vorm mafʿal is van alaka of laʾaka, en zoals bij yarā, tarā en narā, wat de vorm yafʿal is van raʾaytu. De andere is dat zij het opvatten als de vorm faʿīla van al-barā, wat het stof is. Er is van de Arabieren bij wijze van gehoorde overlevering overgeleverd: "bi-fīka al-barā", waarmee zij bedoelen: het stof.