Tafseer van De Sterrenbeelden · Al-Burooj · 85:15
Bezitter van de Troon, de Meest Vrijgevige.
Zijn uitspraak: ذُو الْعَرْشِ الْمَجِيدُ ("Heer van de glorieuze Troon"). De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: de Heer van de edelmoedige Troon.
En in overeenstemming met wat wij hierover gezegd hebben, hebben de geleerden van de uitleg (ahl al-taʾwīl) gesproken.
* Vermelding van wie dat gezegd heeft:
ʿAlī heeft mij verteld, hij zei: Abū Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī, op gezag van Ibn ʿAbbās, over Zijn uitspraak: ذُو الْعَرْشِ الْمَجِيدُ ("Heer van de glorieuze Troon"), hij zei: de Edelmoedige.
En de reciteurs (qurrāʾ) verschilden van mening over de lezing van Zijn uitspraak: الْمَجِيدُ ("de Glorieuze"). De meerderheid van de reciteurs van Medina, Mekka en Basra, alsook sommige Kūfanen, lazen het in de nominatief (rafʿ), als terugverwijzing naar Zijn uitspraak: ذُو الْعَرْشِ ("Heer van de Troon"), zodat het tot de eigenschappen van Allah, de Verhevene wiens vermelding verheven is, behoort. Maar de meerderheid van de reciteurs van Kūfa las het in de genitief (khafḍ), zodat het tot de eigenschappen van de Troon behoort.
En het juiste oordeel hierover is volgens ons dat het twee bekende lezingen zijn; met welke van beide de reciteur dan ook reciteert, hij heeft gelijk.