Tafseer van De Ontrukkenden · An-Naazi'aat · 79:11
Als wij vergruisde beenderen zijn geworden?"
Zijn woord: أَئِذَا كُنَّا عِظَامًا نَخِرَةً (Wanneer wij vergane beenderen zijn?). De Koranreciteurs zijn van mening verschild over de recitatie daarvan. De meeste reciteurs van Medina, de Ḥijāz en Basra lazen het نَخِرَةً (nakhira) in de betekenis van: vergaan, verteerd. En de meeste reciteurs van Kufa lazen het ( نَاخِرَةً ) (nākhira) met een alif, in de betekenis van: dat zij hol zijn, waarin de wind snuift wanneer hij erdoorheen gaat. Sommige van de geleerden van de Arabische taal uit Kufa zeiden: nākhira en nakhira zijn gelijk in betekenis, zoals ṭāmiʿ en ṭamiʿ (begerig), en bākhil en bakhil (gierig). Het meest welsprekende van de twee taalvormen is volgens ons, en het meest bekende bij ons, نَخِرَةً (nakhira), zonder alif, in de betekenis van: vergaan. Behalve dat de versuiteinden ervóór en erná met de alif kwamen, en daarom verkies ik het dat nākhira daarbij wordt aangesloten, opdat het overeenstemt met de overige versuiteinden. Ware dat niet zo, dan zou de meer geliefde van de twee recitaties bij mij het weglaten van de alif daaruit zijn.
* Vermelding van wie zei dat نَخِرَةً (nakhira) betekent: vergaan:
Muḥammad ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: mijn oom heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās: أَئِذَا كُنَّا عِظَامًا نَخِرَةً (Wanneer wij vergane beenderen zijn?). De nakhira is het vergankelijke, het verteerde.
Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld; en al-Ḥārith heeft mij verteld, hij zei: al-Ḥasan heeft ons verteld, hij zei: Warqāʾ heeft ons verteld — beiden op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid: عِظَامًا نَخِرَةً (vergane beenderen). Hij zei: vergruisd.
Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: أَئِذَا كُنَّا عِظَامًا (Wanneer wij beenderen zijn?) — uit loochening van de opstanding — ( نَاخِرَةً ) (verteerd): vergaan. Zij zeiden: تِلْكَ إِذًا كَرَّةٌ خَاسِرَةٌ (Dat zou dan een verlieslatende terugkeer zijn). Hij, verheven is Zijn lof, zegt over de uitspraak van dezen die de opstanding loochenen, dat zij zeiden: "die" — zij bedoelen die terugkeer levend na de dood; "dan" — zij bedoelen nu; "terugkeer" — zij bedoelen een herleving; "verlieslatend" — zij bedoelen verliesgevend.
En overeenkomstig hetgeen wij daarover hebben gezegd, hebben de mensen van de uitleg (taʾwīl) gezegd.
* Vermelding van wie dat zei: