Tabari
Terug naar surah 77, ayah 3

Tafseer van De Gezondenen · Al-Mursalaat · 77:3

وَٱلنَّٰشِرَٰتِ نَشْرًۭا

En bij de verspreid verspreidenden.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    Zijn woord: وَالنَّاشِرَاتِ نَشْرًا ("Bij hen die verspreiden, verspreidend"). De uitleggers verschillen van mening over de uitleg hiervan. Sommigen van hen zeiden: met "hen die verspreiden, verspreidend" wordt de wind bedoeld.

    * Vermelding van wie dat zei:

    Abū Kurayb heeft ons verteld, hij zei: al-Muḥāribī heeft ons verteld, op gezag van al-Masʿūdī, op gezag van Salama ibn Kuhayl, op gezag van Abū al-ʿUbaydayn, dat hij Ibn Masʿūd vroeg over النَّاشِرَاتِ نَشْرًا ("hen die verspreiden, verspreidend"); hij zei: de wind.

    Khallād ibn Aslam heeft ons verteld, hij zei: al-Naḍr ibn Shumayl heeft ons bericht, hij zei: al-Masʿūdī heeft ons bericht, op gezag van Salama ibn Kuhayl, op gezag van Abū al-ʿUbaydayn, op gezag van Ibn Masʿūd, het gelijke daarvan.

    Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Mihrān heeft ons verteld, op gezag van Sufyān, op gezag van Salama ibn Kuhayl, op gezag van Muslim, op gezag van Abū al-ʿUbaydayn, hij zei: ik vroeg ʿAbd Allāh ibn Masʿūd, en hij vermeldde het gelijke daarvan.

    Abū Kurayb heeft ons verteld, hij zei: Wakīʿ heeft ons verteld, op gezag van Sufyān, op gezag van Salama ibn Kuhayl, op gezag van Muslim al-Baṭīn, op gezag van Abū al-ʿUbaydayn, hij zei: ik vroeg ʿAbd Allāh, en hij vermeldde het gelijke daarvan.

    Hij zei: Wakīʿ heeft ons verteld, op gezag van Sufyān, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid: وَالنَّاشِرَاتِ نَشْرًا ("Bij hen die verspreiden, verspreidend"), hij zei: de wind.

    Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Mihrān heeft ons verteld, op gezag van Sufyān, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, het gelijke daarvan.

    Ibn al-Muthannā heeft ons verteld, hij zei: ʿUbayd Allāh ibn Muʿādh heeft ons verteld, hij zei: mijn vader heeft ons verteld, op gezag van Shuʿba, op gezag van Ismāʿīl al-Suddī, op gezag van Abū Ṣāliḥ de metgezel van al-Kalbī, over Zijn woord: وَالنَّاشِرَاتِ نَشْرًا ("Bij hen die verspreiden, verspreidend"), hij zei: het zijn de winden.

    Ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft ons verteld, hij zei: Ibn Thawr heeft ons verteld, op gezag van Maʿmar, op gezag van Qatāda: وَالنَّاشِرَاتِ نَشْرًا ("Bij hen die verspreiden, verspreidend"), hij zei: de winden.

    En anderen zeiden: het is de regen.

    * Vermelding van wie dat zei:

    ʿAbd al-Ḥamīd ibn Bayān heeft ons verteld, hij zei: Muḥammad ibn Yazīd heeft ons verteld, op gezag van Ismāʿīl, hij zei: ik vroeg Abū Ṣāliḥ over Zijn woord: وَالنَّاشِرَاتِ نَشْرًا ("Bij hen die verspreiden, verspreidend"), hij zei: de regen.

    Abū Kurayb heeft ons verteld, hij zei: Jābir ibn Nūḥ heeft ons verteld, op gezag van Ismāʿīl, op gezag van Abū Ṣāliḥ: وَالنَّاشِرَاتِ نَشْرًا ("Bij hen die verspreiden, verspreidend"), hij zei: het is de regen.

    Hij zei: Wakīʿ heeft ons verteld, op gezag van Ismāʿīl, op gezag van Abū Ṣāliḥ, het gelijke daarvan.

    En anderen zeiden: nee, het zijn de engelen die de geschriften verspreiden.

    * Vermelding van wie dat zei:

    Aḥmad ibn Hishām heeft ons verteld, hij zei: ʿUbayd Allāh ibn Mūsā heeft ons verteld, op gezag van Isrāʾīl, op gezag van al-Suddī, op gezag van Abū Ṣāliḥ: وَالنَّاشِرَاتِ نَشْرًا ("Bij hen die verspreiden, verspreidend"), hij zei: de engelen die de geschriften verspreiden.

    De meest juiste van de uitspraken hierover is volgens ons dat men zegt: Allah, verheven is Zijn vermelding, heeft gezworen bij hen die verspreiden, verspreidend, en Hij heeft daarvan niets in het bijzonder uitgezonderd boven iets anders. De wind verspreidt de wolken, de regen doet de aarde ontluiken (verspreidt), en de engelen verspreiden de geschriften, en er is geen aanwijzing langs enige weg waaraan men zich zou moeten onderwerpen dat hiermee het ene zonder het andere bedoeld is. Dit geldt dus voor alles wat verspreidt.

    Toon originele Arabische tekst
    وقوله: ( وَالنَّاشِرَاتِ نَشْرًا ) اختلف أهل التأويل في تأويل ذلك، فقال بعضهم: عُني بالناشرات نَشْرًا: الريح. * ذكر من قال ذلك: حدثنا أبو كُريب، قال: ثنا المحاربي، عن المسعودي، عن سَلَمة بن كهيل، عن أبي العُبيدين أنه سأل ابن مسعود عن ( النَّاشِرَاتِ نَشْرًا ) قال: الريح. حدثنا خلاد بن أسلم، قال: أخبرنا النضر بن شميل، قال: أخبرنا المسعودي، عن سَلَمة بن كهيل، عن أبي العُبيدين، عن ابن مسعود، مثله. حدثنا ابن حميد، قال: ثنا مهران، عن سفيان، عن سلمة بن كهيل، عن مسلم، عن أبي العُبيدين، قال: سألت عبد الله بن مسعود، فذكر مثله. حدثنا أبو كُريب، قال: ثنا وكيع، عن سفيان، عن سَلَمة بن كهيل، عن مسلم البطين، عن أبي العُبيدين، قال: سألت عبد الله، فذكر مثله. قال: ثنا وكيع، عن سفيان، عن ابن أبي نجيح، عن مجاهد ( وَالنَّاشِرَاتِ نَشْرًا ) قال: الريح. حدثنا ابن حميد، قال: ثنا مهران، عن سفيان، عن ابن أبي نجيح، عن مجاهد، مثله. حدثنا ابن المثنى، قال: ثنا عبيد الله بن معاذ، قال: ثنا أبي، عن شعبة، عن إسماعيل السدي، عن أبي صالح صاحب الكلبي، في قوله: ( وَالنَّاشِرَاتِ نَشْرًا ) قال: هي الرياح. حدثنا ابن عبد الأعلى، قال: ثنا ابن ثور، عن معمر، عن قتادة ( وَالنَّاشِرَاتِ نَشْرًا ) قال: الرياح. وقال آخرون: هي المطر. * ذكر من قال ذلك: حدثنا عبد الحميد بن بيان، قال: ثنا محمد بن يزيد، عن إسماعيل، قال: سألت أبا صالح، عن قوله: ( وَالنَّاشِرَاتِ نَشْرًا ) قال المطر. حدثنا أبو كُريب، قال: ثنا جابر بن نوح، عن إسماعيل، عن أبي صالح ( وَالنَّاشِرَاتِ نَشْرًا ) قال: هي المطر. قال: ثنا وكيع، عن إسماعيل، عن أبي صالح، مثله. وقال آخرون: بل هي الملائكة التي تنشرُ الكتب. * ذكر من قال ذلك: حدثنا أحمد بن هشام، قال: ثنا عبيد الله بن موسى، عن إسرائيل، عن السدي، عن أبي صالح ( وَالنَّاشِرَاتِ نَشْرًا ) قال: الملائكة تنشرُ الكتب. وأولى الأقوال في ذلك عندنا بالصواب أن يقال: إن الله تعالى ذكره أقسم بالناشرات نشرا، ولم يَخْصُص شيئا من ذلك دون شيء، فالريح تنشر السحاب، والمطر ينشر الأرض، والملائكة تنشر الكتب، ولا دلالة من وجه يجب التسليم له على أن المراد من ذلك بعض دون بعض، فذلك على كل ما كان ناشرا.