Tabari
Terug naar surah 72, ayah 5

Tafseer van De Djinn · Al-Jinn · 72:5

وَأَنَّا ظَنَنَّآ أَن لَّن تَقُولَ ٱلْإِنسُ وَٱلْجِنُّ عَلَى ٱللَّهِ كَذِبًۭا

En dat wij dachten dat de mens en de Djinn nooit leugens over Allah zouden vertellen.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    Ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft mij verteld, hij zei: Ibn Thawr heeft ons verteld, op gezag van Maʿmar, hij zei: Qatāda reciteerde: (En dat onze dwaas tegen Allah buitensporigheden placht te spreken, en dat wij dachten dat mensen en djinn nooit een leugen tegen Allah zouden spreken) en hij zei: bij Allah, de dwaas van de djinn was Hem ongehoorzaam, zoals de dwaas van de mensen Hem ongehoorzaam was.

    En wat de "buitensporigheid" (shaṭaṭ) van het spreken betreft: dat is wat een overtreding inhield.

    En in overeenstemming met wat wij hierover hebben gezegd, spraken de exegeten.

    * Vermelding van wie dat heeft gezegd:

    Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons verteld, hij zei: Ibn Zayd zei, over Zijn uitspraak: (En dat onze dwaas tegen Allah buitensporigheden placht te spreken) — hij zei: onrecht.

    En Zijn uitspraak: (en dat wij dachten dat mensen en djinn nooit een leugen tegen Allah zouden spreken) — Hij zegt: zij zeiden: en wij vermoedden dat de kinderen van Adam en de djinn nooit een leugen tegen Allah zouden spreken in hun uitspraak. En "vermoeden" (ẓann) betekent hier "twijfel". Deze groep van de djinn ontkende slechts dat zij geweten had dat iemand het zou wagen tegen Allah te liegen, toen zij de Koran hoorde, omdat zij vóórdat zij hem hoorden en vóórdat zij wisten dat Allah de leugen verwerpt van hen die beweren dat Allah een echtgenote en een kind heeft, en andere betekenissen van ongeloof, in de veronderstelling verkeerden dat Iblīs waarachtig was in datgene waartoe hij de kinderen van Adam opriep aan vormen van ongeloof. Maar toen zij de Koran hoorden, wisten zij met zekerheid dat hij in dat alles een leugenaar was geweest, en daarom zeiden zij: (En dat onze dwaas tegen Allah buitensporigheden placht te spreken), en zo noemden zij hem een dwaas.

    Toon originele Arabische tekst
    حدثني ابن عبد الأعلى، قال: ثنا ابن ثور، عن معمر، قال: تلا قتادة: (وَأَنَّهُ كَانَ يَقُولُ سَفِيهُنَا عَلَى اللَّهِ شَطَطًا وَأَنَّا ظَنَنَّا أَنْ لَنْ تَقُولَ الإنْسُ وَالْجِنُّ عَلَى اللَّهِ كَذِبًا ) فقال: عصاه والله سفيه الجنّ، كما عصاه سفيه الإنس. وأما الشَّطط من القول، فإنه ما كان تعدِّيًا. وبنحو الذي قلنا في ذلك قال أهل التأويل. * ذكر من قال ذلك: حدثني يونس، قال: ثنا ابن وهب، قال، قال ابن زيد، في قوله: (وَأَنَّهُ كَانَ يَقُولُ سَفِيهُنَا عَلَى اللَّهِ شَطَطًا ) قال: ظلمًا. وقوله: (وَأَنَّا ظَنَنَّا أَنْ لَنْ تَقُولَ الإنْسُ وَالْجِنُّ عَلَى اللَّهِ كَذِبًا ) يقول: قالوا: وأنا حسبنا أن لن تقول بنو آدم والجنّ على الله كذبا من القول، والظنّ هاهنا بمعنى الشك، وإنما أنكر هؤلاء النفر من الجنّ أن تكون علمت أن أحدًا يجترئ على الكذب على الله لما سمعت القرآن، لأنهم قبل أن يسمعوه وقبل أن يعلموا تكذيب الله الزاعمين أن لله صاحبة وولدًا، وغير ذلك من معاني الكفر كانوا يحسبون أن إبليس صادق فيما يدعو بني آدم إليه من صنوف الكفر؛ فلما سمعوا القرآن أيقنوا أنه كان كاذبا في كلّ ذلك، فلذلك قالوا: (وَأَنَّهُ كَانَ يَقُولُ سَفِيهُنَا عَلَى اللَّهِ شَطَطًا ) فسموه سفيهًا.