Tafseer van Noeh (Noach) · Nooh · 71:21
Nôeh zei: "Mijn Heer, zij gehoorzamen mij niet, en zij volgen degene wiens bezit en kinderen voor hen slechts verlies vermeerdert.
En Zijn uitspraak: (Nūḥ zei: Mijn Heer, waarlijk zij waren ongehoorzaam aan mij) — en zo gingen zij in tegen mijn bevel, en zij wezen af wat ik hun aanbood aan leiding en juiste richting (en zij volgden hem wiens bezit en kinderen hem slechts verlies vermeerderden) — Hij zegt: en zij volgden in hun ongehoorzaamheid aan mij degene die hen daartoe opriep, namelijk hem wiens bezit en kinderen talrijk waren, doch de overvloed van zijn bezit en kinderen vermeerderde hem slechts verlies, verwijdering van Allah, en afwijking van de hoofdweg van het pad.
En de lezers verschilden van mening over de lezing van Zijn uitspraak: (en zijn kinderen — wa-waladuhu). De meeste lezers van Medina lazen het: (wa-waladuhu) met een fatḥa op de wāw en de lām, en zo lazen zij dat door de gehele Koran heen. En de meeste lezers van Kūfa lazen dat met een ḍamma op de wāw en een sukūn op de lām, en eveneens elke vermelding van "kind" (walad) vanaf Sūrat Maryam tot het einde van de Koran. En Abū ʿAmr las alles wat daarvan in de Koran voorkomt met een fatḥa op de wāw en de lām, behalve dit ene woord in Sūrat Nūḥ, want dat las hij met een ḍamma op de wāw.
En het juiste van de uitspraak hierover is naar onze mening dat al deze lezingen bekende lezingen zijn, nauw verwant in betekenis, dus met welke daarvan de lezer ook leest, hij is correct.