Tafseer van De Wegen van Opgang · Al-Ma'aarij · 70:39
Nee! Voorwaar, Wij hebben hen geschapen van wat zij weten.
En Zijn woord kallā innā khalaqnāhum mimmā yaʿlamūn (Nee, voorwaar, Wij hebben hen geschapen uit datgene wat zij weten). De Machtige en Verhevene zegt: het is niet zoals deze ongelovigen (kuffār) begeren, namelijk dat ieder van hen een tuin van gelukzaligheid zou binnentreden.
En Zijn woord innā khalaqnāhum mimmā yaʿlamūn (voorwaar, Wij hebben hen geschapen uit datgene wat zij weten). De Glorierijke en Machtige zegt: Wij hebben hen geschapen uit een vuile zaadvloeistof. Slechts hij onder hen verdient het binnentreden van het Paradijs (janna) die het verdient door gehoorzaamheid, niet door het loutere feit dat hij geschapen is. Hoe kunnen zij dan het binnentreden van het Paradijs begeren terwijl zij zondaars en ongelovigen zijn?
En Bishr heeft ons reeds verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over zijn woord innā khalaqnāhum mimmā yaʿlamūn (voorwaar, Wij hebben hen geschapen uit datgene wat zij weten): je bent slechts uit iets vuils geschapen, o zoon van Ādam, vrees daarom Allah.