Tafseer van De Wegen van Opgang · Al-Ma'aarij · 70:35
Zij zijn degenen die in de Tuinen (het Paradijs) geëerd zullen worden.
En Zijn woord: أُولَئِكَ فِي جَنَّاتٍ مُكْرَمُونَ ("Zij zijn het die in tuinen geëerd worden") — Hij, machtig en verheven, zegt: dezen, die deze daden verrichten, zijn in tuinen geëerd; Allah eert hen met Zijn eerbetoon.
De uitspraak over de uitleg van Zijn woord, de Verhevene: فَمَالِ الَّذِينَ كَفَرُوا قِبَلَكَ مُهْطِعِينَ (36) ("Wat is er dan met degenen die ongelovig zijn, dat zij naar jou toe komen gesneld, hun blik strak gericht (36)")
Hij, verheven zij Zijn vermelding, zegt: wat is er aan de hand met degenen die ongelovig zijn aan Allah, dat zij naar jou toe gesneld komen, o Muḥammad, met strak gerichte blik (muhṭiʿīn). Wij hebben reeds eerder de betekenis van al-ihṭāʿ uitgelegd, en wat de mensen van de uitleg daarover gezegd hebben, op een wijze die het overbodig maakt dat te herhalen op deze plaats — behalve dat wij op deze plaats iets vermelden van wat wij daar niet vermeld hebben.