Tafseer van De Hoogten · Al-A'raaf · 7:66
De vooraanstaanden onder zijn volk, die ongelovig waren, zeiden: "Voorwaar, wij zien dat jij in dwaasheid verkeert; en voorwar, wij menen zeker dat jij tot de leugenaars behoort."
De uitleg van Zijn woord: قَالَ الْمَلأُ الَّذِينَ كَفَرُوا مِنْ قَوْمِهِ إِنَّا لَنَرَاكَ فِي سَفَاهَةٍ وَإِنَّا لَنَظُنُّكَ مِنَ الْكَاذِبِينَ (7:66) (De vooraanstaanden van zijn volk die ongelovig waren zeiden: "Voorwaar, wij zien u inderdaad in dwaasheid, en voorwaar, wij achten u inderdaad een van de leugenaars.")
Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens lof is genoemd, zegt — berichtend over hetgeen waarmee zijn volk, dat ongelovig was aan Allah, Hūd antwoordde: "De vooraanstaanden die ongelovig waren zeiden", dat wil zeggen: zij die de eenheid van Allah loochenden en Zijn boodschap aan hen ontkenden,
= "Voorwaar, wij zien u inderdaad", o Hūd, "in dwaasheid", waarmee zij bedoelen: in dwaling weg van de waarheid en het juiste, doordat gij onze religie en de aanbidding van onze goden verlaat = "en voorwaar, wij achten u inderdaad een van de leugenaars."