Tafseer van De Hoogten · Al-A'raaf · 7:65
En tot de 'Âd (zonden Wij) hun broeder Hôed, Hij zei: "O mijn volk aanbidt Allah, er is voor jullie geen god dan Hij, zullen jullie dan niet (Allah) vrezen?"
De uitleg van Zijn woord: وَإِلَى عَادٍ أَخَاهُمْ هُودًا قَالَ يَا قَوْمِ اعْبُدُوا اللَّهَ مَا لَكُمْ مِنْ إِلَهٍ غَيْرُهُ أَفَلا تَتَّقُونَ (65) ("En tot ʿĀd [zonden Wij] hun broeder Hūd. Hij zei: O mijn volk, aanbidt Allah, jullie hebben geen god buiten Hem. Zullen jullie dan niet godvrezend zijn?") (7:65)
Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: En voorwaar, Wij zonden tot ʿĀd hun broeder Hūd — en daarom staat "Hūdan" in de accusatief (naṣb), omdat het in nevenschikking is verbonden met "Nūḥ", vrede zij met hen beiden = Hūd zei: O mijn volk, aanbidt Allah, en wijdt Hem alleen de aanbidding toe, en stelt naast Hem geen andere god, want er is voor jullie geen god buiten Hem = "Zullen jullie dan niet godvrezend zijn?", dat wil zeggen: jullie Heer, zodat jullie voor Hem op je hoede zijn en Zijn bestraffing vrezen wegens jullie aanbidding van een ander dan Hem, terwijl Hij jullie Schepper en jullie Onderhouder is en geen ander dan Hij dat is.
* * *