Tabari
Terug naar surah 7, ayah 59

Tafseer van De Hoogten · Al-A'raaf · 7:59

لَقَدْ أَرْسَلْنَا نُوحًا إِلَىٰ قَوْمِهِۦ فَقَالَ يَٰقَوْمِ ٱعْبُدُوا۟ ٱللَّهَ مَا لَكُم مِّنْ إِلَٰهٍ غَيْرُهُۥٓ إِنِّىٓ أَخَافُ عَلَيْكُمْ عَذَابَ يَوْمٍ عَظِيمٍۢ

Voorzeker, Wij zonden Nôeh tot zijn volk en hij zei: "O mijn volk, aanbidt Allah, er is voor jullie geen god dan Hij: voorwaar, ik vrees voor jullie de bestraffing van een geweldige Dag."

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: لَقَدْ أَرْسَلْنَا نُوحًا إِلَى قَوْمِهِ فَقَالَ يَا قَوْمِ اعْبُدُوا اللَّهَ مَا لَكُمْ مِنْ إِلَهٍ غَيْرُهُ إِنِّي أَخَافُ عَلَيْكُمْ عَذَابَ يَوْمٍ عَظِيمٍ (59) ("Voorwaar, Wij hebben Nūḥ tot zijn volk gezonden, en hij zei: O mijn volk, aanbidt Allah; jullie hebben geen god buiten Hem. Voorwaar, ik vrees voor jullie de bestraffing van een geweldige Dag.")

    Abū Jaʿfar zei: Onze Heer, verheven is Zijn lof, heeft tegenover hen die met dit vers worden aangesproken gezworen dat Hij Nūḥ tot zijn volk heeft gezonden om hen te waarschuwen voor Zijn geweld en hun Zijn ongenoegen vrees aan te jagen wegens hun aanbidding van een ander dan Hem. Toen zei hij tegen wie van hen ongelovig was: O mijn volk, aanbidt Allah, aan wie de aanbidding toekomt, vernedert jullie voor Hem door gehoorzaamheid, onderwerpt jullie aan Hem in ootmoed, en laat de aanbidding na van al wat buiten Hem is, van de deelgenoten en de goden, want jullie hebben geen aanbeden wezen dat de aanbidding van jullie waardig is, buiten Hem. Voorwaar, ik vrees voor jullie, indien jullie dat niet doen, "de bestraffing van een geweldige Dag", dat wil zeggen: de bestraffing van een Dag waarop jullie beproeving geweldig zal zijn doordat zij over jullie komt met het ongenoegen van jullie Heer.

    * * *

    En de lezers (qarāʾa) verschilden in de lezing van Zijn uitspraak: "ghayruhu" (buiten Hem).

    Sommige mensen van Medina en Kūfa lazen dat als: (mā lakum min ilāhin ghayrihi), met de genitief (khafḍ) van "ghayr", als bijvoeglijke bepaling (naʿt) bij "ilāh" (god).

    * * *

    En een groep van de mensen van Medina, Basra en Kūfa lazen het als: (mā lakum min ilāhin ghayruhu), met de nominatief (rafʿ) van "ghayr", waarbij men het terugvoerde op de naamvalspositie van "min", omdat de positie ervan de nominatief is: indien men het (het woord "min") uit het zinsverband zou wegnemen, zou het zinsverband in de nominatief staan, en zou men zeggen: "mā lakum ilāhun ghayru llāh" ("jullie hebben geen god buiten Allah"). Want de Arabieren — [vanwege wat beschreven is, namelijk dat wat door de spraak gekend wordt] — voegen het woord "min" daarin in of laten het weg, en zij voegen het soms in bij dergelijke spraak en laten het er soms uit weg, terwijl zij datgene waarmee zij het zelfstandig naamwoord waarop het inwerkte als bepaling hebben gekwalificeerd, terugvoeren op de letterlijke vorm ervan. Wanneer men dus de genitief gebruikt, dan is dat op grond van één enkele zinsstructuur, omdat het een bepaling is bij "de god". Maar wanneer men de nominatief gebruikt, dan is dat op grond van twee zinsstructuren: "mā lakum ghayruhu min ilāh" ("jullie hebben geen ander dan Hem als god"). En dit is een uitspraak die de mensen van de Arabische taalkunde als zwak beschouwen.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله : لَقَدْ أَرْسَلْنَا نُوحًا إِلَى قَوْمِهِ فَقَالَ يَا قَوْمِ اعْبُدُوا اللَّهَ مَا لَكُمْ مِنْ إِلَهٍ غَيْرُهُ إِنِّي أَخَافُ عَلَيْكُمْ عَذَابَ يَوْمٍ عَظِيمٍ (59) قال أبو جعفر: أقسم ربنا جل ثناؤه للمخاطبين بهذه الآية: أنه أرسل نوحًا إلى قومه، منذرَهم بأسَه، ومخوِّفَهم سَخَطه، على عبادتهم غيره، فقال لمن كفر منهم: يا قوم، اعبدوا الله الذي له العبادة، وذِلُّوا له بالطاعة، واخضعوا له بالاستكانة، ودعوا عبادة ما سواه من الأنداد والآلهة، فإنه ليس لكم معبودٌ يستوجب عليكم العبادةَ غيرُه، فإني أخاف عليكم إن لم تفعلوا ذلك " عذابَ يوم عظيم " ، يعني: عذابَ يوم يعظم فيه بلاؤكم بمجيئه إياكم بسخط ربِّكم. * * * وقد اختلفت القَرَأة في قراءة قوله: " غيره ". فقرأ ذلك بعض أهل المدينة والكوفة: ( مَا لَكُمْ مِنْ إلَهٍ غَيْرِهِ )، بخفض " غير " على النعت لـ" إله ". * * * وقرأه جماعة من أهل المدينة والبصرة والكوفة: ( مَا لَكُمْ مِنْ إِلَهٍ غَيْرُه )، برفع " غير "، ردًّا لها على موضع " من "، لأن موضعها رفع، لو نـزعت من الكلام لكان الكلام رفعًا، وقيل: " ما لكم إله غيرُ الله ". (8) فالعرب [ لما وصفت من أن المعلوم بالكلام ] (9) أدخلت " من " فيه أو أخرجت، وأنها تدخلها أحيانًا في مثل هذا من الكلام، وتخرجها منه أحيانًا، تردّ ما نعتت به الاسم الذي عملت فيه على لفظه، فإذا خفضت، فعلى كلام واحد، لأنها نعت لـ" الإله ". وأما إذا رفعت، فعلى كلامين: " ما لكم غيره من إله "، وهذا قول يستضعفه أهل العربية. ------------------ الهوامش : (8) انظر معاني القرآن للفراء 1: 382 ، 383. (9) هكذا جاءت العبارة في المطبوعة والمخطوطة ، وفي الكلام سقط لا شك فيه ، لم أستطع أن أرده إلى أصله ، ولذلك وضعت هذه العبارة بين القوسين. والظاهر أن السقط طويل ، لأن أبا جعفر خالف هنا في هذا السياق ما درج عليه من ذكر أولي القراءتين بالصواب عنده.