Tafseer van De Hoogten · Al-A'raaf · 7:57
En Hij is Degene Die de winden zendt als aankondigers van verheugende tijdingen, voorafgaand aan Zijn Barmhartigheid (regen). Zodat wanneer zij de zware wolken hebben opgeheven, Wij die naar een dorre streek drijven, waarna Wij daaruit water doen neerdalen, waarmee Wij dan allerlei soorten vruchten voortbrengen. Zo wekken Wij de doden op. Hopelijk laten jullie je vermanen.
Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: وَهُوَ الَّذِي يُرْسِلُ الرِّيَاحَ بُشْرًا بَيْنَ يَدَيْ رَحْمَتِهِ حَتَّى إِذَا أَقَلَّتْ سَحَابًا ثِقَالا سُقْنَاهُ لِبَلَدٍ مَيِّتٍ فَأَنْزَلْنَا بِهِ الْمَاءَ فَأَخْرَجْنَا بِهِ مِنْ كُلِّ الثَّمَرَاتِ كَذَلِكَ نُخْرِجُ الْمَوْتَى لَعَلَّكُمْ تَذَكَّرُونَ (7:57) (En Hij is het die de winden zendt als verkondigers van goede tijding vóór Zijn barmhartigheid uit, totdat zij, wanneer zij zware wolken dragen, deze door Ons gedreven worden naar een dood land, en Wij daarmee het water doen neerdalen, en Wij daarmee allerlei vruchten voortbrengen. Zó brengen Wij de doden voort; opdat gij u zoudt laten vermanen.)
Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens lof verheven is, zegt: Voorwaar, uw Heer is Allah, die de hemelen en de aarde, de zon, de maan en de sterren heeft geschapen, onderworpen aan Zijn bevel. Hij is het die de winden zendt, verspreid (nashran), vóór Zijn barmhartigheid uit.
* * *
En "al-nashr", met fatḥa op de "nūn" en sukūn op de "shīn", betekent in de taal van de Arabieren, met betrekking tot de winden, de aangename, zacht waaiende winden die de wolken doen ontstaan. Evenzo is bij hen elke aangename wind "nashr". Daartoe behoort het vers van Imruʾ al-Qays:
Het is alsof de wijn, en de neerslag van de regenwolk, en de geur van de lavendel, en de geur van de wierook (qutur)...
* * *
Volgens deze lezing lazen de meeste lezers van de Kūfa het, behalve ʿĀṣim ibn Abī al-Najūd, want hij placht het te lezen als "bushran", waarbij over hem hierin verschil bestaat.
* * *
Sommigen overleverden dit van hem als (بُشْرًا), met de "bāʾ" en een ḍamma daarop, en sukūn op de "shīn".
En sommigen met de "bāʾ" en een ḍamma daarop en een ḍamma op de "shīn".
En hij placht zijn lezing aldus uit te leggen op grond van Zijn uitspraak: وَمِنْ آيَاتِهِ أَنْ يُرْسِلَ الرِّيَاحَ مُبَشِّرَاتٍ [Surah Al-Rūm: 46] (En tot Zijn tekenen behoort dat Hij de winden zendt als brengers van goede tijding), die goede tijding van de regen brengen; en dat het een meervoud is van "bashīr" (verkondiger) die goede tijding van de regen brengt, samengetrokken tot "bushuran", zoals "al-nadhīr" (waarschuwer) wordt samengetrokken tot "nudhuran".
* * *
Wat betreft de lezers van Medina en de meeste Mekkanen en Basriërs: zij lazen dit als (وَهُوَ الَّذِي يُرْسِل الرِّيَاحَ نُشُرَا), met ḍamma op de "nūn" en de "shīn", in de betekenis van het meervoud van "nashūr", meervoud van "nashran", zoals "al-ṣabūr" wordt samengetrokken tot "ṣuburan" en "al-shakūr" tot "shukuran".
* * *
En sommige geleerden van de taal der Arabieren plachten te zeggen: de betekenis ervan, wanneer het zó gelezen wordt, is dat het de wind is die uit alle richtingen waait en uit alle hoeken komt.
* * *
En sommigen plachten te zeggen: wanneer het met ḍamma op de nūn gelezen wordt, dan behoort de shīn ervan een sukūn te krijgen, want dat is een dialect met de betekenis van "al-nashr" met fatḥa. En hij zei: de Arabieren plaatsen soms een ḍamma op de nūn van "al-nushr", en soms een fatḥa, met één en dezelfde betekenis. Hij zei: de verschillen onder de lezers hierin zijn naar gelang de verschillen in hun dialecten daarin. En hij placht te zeggen: het is gelijk aan "al-khasf" en "al-khusf", met fatḥa op de khāʾ en met ḍamma.
* * *
Abū Jaʿfar zei: En het juiste oordeel hierover is dat men zegt: de lezing van wie het las als (نَشْرًا) en (نُشُرًا), met fatḥa op de "nūn" en sukūn op de "shīn", en met ḍamma op de "nūn" en de "shīn", zijn twee lezingen die bekend zijn onder de lezers van de steden.
... ... .... ...... ..... ..... ...... ...... ...... ..... ..... ... ... ...... ..... ..... ... ... [onleesbaar; tekstuele lacune].
Dus houd ik niet van het lezen daarmee, ook al heeft het een correcte betekenis en een begrijpelijke uitleg wat betreft betekenis en grammatica, om de reden die wij genoemd hebben.
* * *
Wat betreft Zijn uitspraak: "vóór Zijn barmhartigheid uit" (bayna yaday raḥmatihi), Hij zegt: vóór Zijn barmhartigheid en ervoor.
* * *
En de Arabieren zeggen zó van alles wat vóór iets en ervoor plaatsvindt: "het kwam vóór hem uit" (jāʾa bayna yadayhi), want dat behoort tot hun spraak die in hun berichten over de kinderen van Adam voorkwam, en het gebruik ervan werd onder hen veelvuldig, totdat zij dat ook zeiden over wat geen kind van Adam is en wat geen hand heeft.
* * *
En "de barmhartigheid" (al-raḥma) die Hij, wiens lof verheven is, op deze plaats noemde, is de regen.
* * *
De betekenis van het woord is dus: en Allah is het die de winden zendt, zacht in hun waaien, aangenaam in hun bries, vóór Zijn regen uit die Hij daarmee naar Zijn schepselen drijft, en daarmee zware wolken doet ontstaan, totdat zij, wanneer zij deze dragen — en "al-iqlāl" daarmee is het dragen ervan, zoals men zegt: "de kameel droeg zijn last op (istaqalla al-baʿīr bi-ḥimlihi)" en "hij droeg het (aqallahu)", wanneer hij het droeg en ermee opstond — Allah het dreef om een dood land tot leven te wekken, waarvan de akkers vervallen waren, de drinkplaatsen uitgewist en de bewoners door droogte getroffen, en Hij daarmee de regen deed neerdalen en daarmee allerlei vruchten voortbracht.
* * *
En in overeenstemming met wat wij hierover gezegd hebben, spraken de geleerden van de uitleg (ahl al-taʾwīl).
* Vermelding van wie dat zei:
14782 - Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft mij verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: "En Hij is het die de winden zendt verspreid vóór Zijn barmhartigheid uit", tot aan Zijn uitspraak: "opdat gij u zoudt laten vermanen", hij zei: Voorwaar, Allah zendt de wind, en deze brengt de wolk van tussen de twee horizonten, de rand van hemel en aarde waar zij elkaar ontmoeten, en Hij brengt haar daarvandaan voort, en breidt haar dan uit en spreidt haar in de hemel uit zoals Hij wil, en opent dan de poorten van de hemel, en het water stroomt op de wolk, en dan regent de wolk daarna. En wat betreft "Zijn barmhartigheid", dat is de regen.
* * *
Wat betreft Zijn uitspraak: "Zó brengen Wij de doden voort; opdat gij u zoudt laten vermanen", Hij, de Verhevene wiens lof verheven is, zegt: zoals Wij dit dode land tot leven wekken door het water dat Wij daarop doen neerdalen, dat Wij uit de wolk doen neerdalen, en daarmee de vruchten voortbrengen na zijn dood, zijn droogte en de dorheid bij zijn bewoners, zó brengen Wij de doden levend uit hun graven voort na hun vergaan en het uitwissen van hun sporen — "opdat gij u zoudt laten vermanen". De Verhevene, wiens lof verheven is, zegt tot de polytheïsten (mushrikīn) die deelgenoten aan Hem toekennen, de afgodenaanbidders, die de opwekking na de dood loochenen en die beloning en bestraffing ontkennen: Ik heb voor u, o gij volk, deze gelijkenis gesteld die ik u genoemd heb: het tot leven wekken van het dode land door de regenval die de wolk brengt, die de winden verspreiden waarvan ik de eigenschap beschreven heb, opdat gij lering zoudt trekken en u zoudt laten vermanen en zoudt weten dat wie dat in zijn vermogen heeft, het tot leven wekken van de doden na hun vergaan voor hem gemakkelijk is in zijn vermogen, en het terugbrengen van hen als een welgevormde schepping na hun uitwissing.
* * *
En in overeenstemming met wat wij hierover gezegd hebben, spraken de geleerden van de uitleg.
* Vermelding van wie dat zei:
14783 - Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft mij verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, omtrent zijn uitspraak: "Zó brengen Wij de doden voort; opdat gij u zoudt laten vermanen", en zó zult gij voortgebracht worden, en zó is de opwekking, zoals Wij het gewas door het water voortbrengen.
* * *
14784 - En Abū Hurayra zei: Voorwaar, wanneer de mensen gestorven zijn bij de eerste bazuinstoot, wordt er op hen veertig jaar lang water neergeregend van onder de Troon, dat "het water des levens" (māʾ al-ḥayawān) genoemd wordt, en zij groeien op zoals het gewas uit het water opgroeit. Totdat, wanneer hun lichamen voltooid zijn, de geest in hen geblazen wordt, en dan wordt over hen een sluimering gelegd, zodat zij in hun graven slapen. En wanneer in de bazuin voor de tweede maal geblazen wordt, leven zij, terwijl zij de smaak van de slaap in hun hoofden en hun ogen aantreffen, zoals de slaper aantreft wanneer hij uit zijn slaap ontwaakt. Dan zeggen zij: يَا وَيْلَنَا مَنْ بَعَثَنَا مِنْ مَرْقَدِنَا (O wee ons! Wie heeft ons uit onze slaapplaats opgewekt?), waarop de heraut hen toeroept: هَذَا مَا وَعَدَ الرَّحْمَنُ وَصَدَقَ الْمُرْسَلُونَ [Surah Yā Sīn: 52] (Dit is wat de Erbarmer beloofd heeft, en de boodschappers hebben de waarheid gesproken).
* * *
14785 - Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, omtrent de uitspraak van Allah: "Zó brengen Wij de doden voort", hij zei: Wanneer Allah de doden wil voortbrengen, doet Hij de hemel regenen totdat de aarde zich boven hen openspleet, en dan zendt Hij de geesten, en elke geest keert terug naar zijn lichaam. Zó wekt Allah de doden tot leven door de regen, zoals Hij de aarde tot leven wekt.