Tafseer van De Hoogten · Al-A'raaf · 7:45
Degenen die (de mensen) afhouden van de Weg van Allah en die wensen dat hij krom was. En zij geloven niet in het Hiernamaals.
Uitleg van de uitspraak van de Verhevene: الَّذِينَ يَصُدُّونَ عَنْ سَبِيلِ اللَّهِ وَيَبْغُونَهَا عِوَجًا وَهُمْ بِالآخِرَةِ كَافِرُونَ ("Diegenen die afhouden van de weg van Allah en haar krom wensen, en die in het Hiernamaals ongelovig zijn") (45).
Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens lof verheven is, zegt: de omroeper tussen de mensen van het Paradijs en het Vuur zegt: أَنْ لَعْنَةُ اللَّهِ عَلَى الظَّالِمِينَ ("dat de vervloeking van Allah op de onrechtplegers (ẓālimīn) rust"), diegenen die ongelovig waren in Allah en afhielden van Zijn weg (5) = (en haar krom wensen), Hij zegt: zij trachtten de weg van Allah = en dat is Zijn godsdienst (6) = "te veranderen en te wijzigen, weg van de rechtheid die Allah haar heeft gegeven" (7) = (en die in het Hiernamaals ongelovig zijn), Hij zegt: en zij verwerpen het aanbreken van het Uur en de opwekking in het Hiernamaals en de beloning en de bestraffing daarin.
* * *
De Arabieren zeggen voor de afwijking in de godsdienst en de weg: "ʿiwaj" met een kasra op de "ʿayn", en voor de neiging van de man naar iets en zijn genegenheid daarvoor: "ʿāja ilayhi yaʿūju ʿiyājan wa-ʿawajan wa-ʿiwajan", met de kasra van de "ʿayn" en de fatḥa, (8) zoals de dichter zei: (9)
Sta beiden stil, opdat wij de woonplaatsen van het geslacht van Laylā bevragen, met een neiging (ʿiwaj) ertoe en een afwending. (10)
Al-Farrāʾ vermeldde dat Abū al-Jarrāḥ het hem voordroeg met de kasra van de "ʿayn" in "ʿiwaj". Wat betreft hetgeen aangeboren is in de mens, daarvoor zegt men: "ʿawaj sāqihi" (de kromming van zijn been), met de fatḥa van de "ʿayn".
--------------------
De voetnoten:
(5) Zie de uitleg van "al-ṣadd" in het voorgaande 10:565, aantekening 2, en de verwijzingen aldaar.
(6) Zie de uitleg van "sabīl Allāh" in het voorgaande van de taalkundige indexen (sabala).
(7) Zie de uitleg van "baghā" in het voorgaande, blz. 286, aantekening 1, en de verwijzingen aldaar.
(8) Zie de uitleg van "al-ʿiwaj" in het voorgaande 7:53, 54, en Majāz al-Qurʾān van Abū ʿUbayda 1:98.
(9) Ik heb de spreker ervan niet kunnen achterhalen.
(10) Al-Lisān (ʿwj), en zijn overlevering luidt: * matā ʿiwajun ilayhā wa-anthināʾu * En in de gedrukte editie staat: "Sta beiden stil, opdat wij wenen", en dat komt voort uit de slechte lezing van de uitgever van het handschrift; en het juiste is wat ik heb vastgesteld, zoals ook in de overlevering van al-Lisān.