Tafseer van De Hoogten · Al-A'raaf · 7:23
Zij zeiden: "Onze Heer, wij hebben onszelf onrecht aangedaan en wanneer U ons niet vergeeft en ons geen genade schenkt, dan zullen wij zeker tot de verliezers behoren."
Uitleg over de woorden van Allah: قَالا رَبَّنَا ظَلَمْنَا أَنْفُسَنَا وَإِنْ لَمْ تَغْفِرْ لَنَا وَتَرْحَمْنَا لَنَكُونَنَّ مِنَ الْخَاسِرِينَ (23) ("Zij beiden zeiden: Onze Heer, wij hebben onszelf onrecht aangedaan, en als U ons niet vergeeft en Zich niet over ons ontfermt, zullen wij zeker tot de verliezers behoren").
Abū Jaʿfar zei: Dit is een bericht van Allah, verheven is Zijn lof, over Adam en Eva [Ḥawwāʾ] aangaande dat waarmee zij Hem antwoordden, hun erkenning ten laste van zichzelf van de zonde, en hun vraag aan Hem om vergeving en barmhartigheid — in tegenstelling tot het antwoord van de vervloekte Iblīs aan Hem.
En de betekenis van Zijn woorden (qālā rabbanā ẓalamnā anfusanā): Adam en Eva zeiden tot hun Heer: O onze Heer, wij hebben onszelf kwaad berokkend door het slechte dat wij onszelf hebben aangedaan met de ongehoorzaamheid aan U en het ingaan tegen Uw gebod, en met onze gehoorzaamheid aan onze vijand en Uw vijand, in datgene waarin het ons niet toekwam hem te gehoorzamen, namelijk het eten van de boom waarvan U ons het eten verboden hebt = (wa-in lam taghfir lanā), hij zegt: en als U onze zonde niet voor ons bedekt en haar niet voor ons toedekt, en onze schande daardoor niet achterwege laat door ons ervoor te bestraffen = "wa-tarḥamnā", door U over ons te ontfermen en ervan af te zien ons ervoor ter verantwoording te roepen = (la-nakūnanna mina al-khāsirīn), Hij bedoelt: dan zullen wij zeker tot de ondergaanden behoren.
* * *
En wij hebben de betekenis van "al-khāsir" (de verliezer) reeds eerder uiteengezet, met de getuigenissen ervoor en de overlevering erover, op een wijze die het overbodig maakt het op deze plaats te herhalen.
* * *
14411- Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Maʿmar heeft ons bericht, op gezag van Qatāda, hij zei: Adam, vrede zij met hem, zei: O Heer, wat denkt U, als ik berouw toon en U om vergeving vraag? Hij zei: Dan zal Ik je het paradijs binnenleiden. Wat Iblīs betreft, hij vroeg Hem niet om berouw, maar vroeg om uitstel; en zo gaf Hij ieder van beiden wat hij vroeg.
14412- Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr ibn ʿAwn heeft ons verteld, hij zei: Hushaym heeft ons bericht, op gezag van Juwaybir, van al-Ḍaḥḥāk, over Zijn woorden (rabbanā ẓalamnā anfusanā wa-in lam taghfir lanā), de ayah. Hij zei: Dit zijn de woorden die Adam van zijn Heer ontving.
-------------------
(1) Aldus in het handschrift en de gedrukte editie; mogelijk is het juiste: "wij hebben het onrecht aan onszelf bedreven". Zie de uitleg van "al-ẓulm" (onrecht) eerder in de taalkundige indexen (ẓ-l-m).
(2) Zie de uitleg van "al-maghfira" (vergeving) eerder in de taalkundige indexen (gh-f-r).
(3) Zie de uitleg van "al-raḥma" (barmhartigheid) eerder in de taalkundige indexen (r-ḥ-m).
(4) Zie de uitleg van "al-khasāra" (het verlies) eerder, blz. 315, voetnoot 1, en de verwijzingen aldaar.