Tafseer van De Hoogten · Al-A'raaf · 7:206
Voorwaar, degenen die bij jouw Heer zijn (de Engelen), zijn niet te hoogmoedig voor de aanbidding van Hem, en zij prijzen Zijn Glorie en voor Hem werpen zij zich neer.
Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: inna alladhīna ʿinda rabbika lā yastakbirūna ʿan ʿibādatihi wa-yusabbiḥūnahu wa-lahu yasjudūn (206) ("Voorwaar, degenen die bij jouw Heer zijn, zijn niet te hoogmoedig om Hem te aanbidden, en zij verheerlijken Hem en voor Hem werpen zij zich neer").
Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: Wees niet te hoogmoedig, o jij die luistert en aandachtig is bij de Koran, om je Heer te aanbidden; en gedenk Hem wanneer de Koran wordt voorgedragen, in deemoed en vrees en zonder luid spreken. Want degenen die bij jouw Heer zijn, namelijk Zijn engelen, zijn niet te hoogmoedig om zich nederig en ootmoedig voor Hem te verootmoedigen, en dat is de "aanbidding" (al-ʿibāda). (wa-yusabbiḥūnahu), Hij zegt: en zij verheerlijken hun Heer door hun nederigheid jegens Hem en hun aanbidding van Hem. (wa-lahu yasjudūn), Hij zegt: en voor Allah verrichten zij het gebed — en dat is hun neerwerping (sujūd). Verricht dan ook jullie het gebed voor Hem, en verheerlijk Hem door de aanbidding, zoals de engelen die bij Hem zijn dat doen.
* * *
Einde van de uitleg van Sūrat al-Aʿrāf.