Tafseer van De Hoogten · Al-A'raaf · 7:192
En die hen niet kunnen helpen en die zichzelf niet (kunnen) helpen?
De uitleg over de uitspraak van de Verhevene: وَلا يَسْتَطِيعُونَ لَهُمْ نَصْرًا وَلا أَنْفُسَهُمْ يَنْصُرُونَ (192) (En zij zijn niet in staat hun hulp te bieden, noch kunnen zij zichzelf helpen.) (192)
Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: Kennen deze polytheïsten (mushrikīn) in de aanbidding van Allah deelgenoten toe aan datgene wat niets schept van de schepping van Allah, en niet in staat is hen te helpen indien Allah hun kwaad zou willen of een bestraffing over hen zou doen neerdalen, en evenmin in staat is, indien Hij het kwaad zou willen, zichzelf te helpen of het onheil van zichzelf af te wenden? En de aanbidder aanbidt immers slechts datgene wat hij aanbidt om er nut van te verwerven of om er onheil mee af te wenden van zichzelf; en hun goden die zij aanbidden en die zij deelgenoot maken in de aanbidding van Allah, baten hen niet en schaden hen niet, ja, zij verwerven zelfs voor zichzelf geen nut en wenden van zichzelf geen onheil af. Zijn zij dan niet nog verder verwijderd van het baten van iets anders dan zichzelf of het afwenden van onheil daarvan? De Gezegende en Verhevene doet Zijn schepselen zich verwonderen over de geweldige dwaling van dezen die in hun aanbidding van Allah een ander dan Hem deelgenoot maken.
* * *