Tafseer van De Hoogten · Al-A'raaf · 7:191
Maken zij (beelden tot) deelgenoten die niets (kunnen) scheppen en die (zelf) geschapen zijn?
Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: أَيُشْرِكُونَ مَا لا يَخْلُقُ شَيْئًا وَهُمْ يُخْلَقُونَ (Kennen zij als deelgenoten toe wat niets schept, terwijl zij zelf geschapen worden?) (191)
Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: Kennen zij in de aanbidding van Allah deelgenoten toe, en aanbidden zij naast Hem = "wat niets schept", terwijl Allah hen schept en doet ontstaan? Voorwaar, de zuivere aanbidding komt slechts de Schepper toe, niet het geschapene.
* * *
Ibn Zayd placht hierover te zeggen, zoals: -
15532 - Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei: Er werd aan Ādam en Ḥawwāʾ een kind geboren, en zij noemden het "ʿAbd Allāh" (dienaar van Allah). Toen kwam Iblīs tot hen en zei: Hoe hebben jullie je zoon genoemd, o Ādam en o Ḥawwāʾ? Hij zei: en eerder was hun al een kind geboren dat zij "ʿAbd Allāh" hadden genoemd, en dat was gestorven. Dus zeiden zij: wij hebben het "ʿAbd Allāh" genoemd. Toen zei Iblīs: Denken jullie dat Allah Zijn dienaar bij jullie zal laten? Nee, bij Allah, Hij zal hem zeker wegnemen zoals Hij de vorige heeft weggenomen! Maar ik zal jullie wijzen op een naam die jullie zal blijven zolang jullie blijven: noem hem "ʿAbd Shams" (dienaar van de zon)! Hij zei: dat is de uitspraak van Allah, geheiligd en verheven is Hij: (Kennen zij als deelgenoten toe wat niets schept, terwijl zij zelf geschapen worden?) Schept de zon dan iets, zodat zij een dienaar zou hebben? Voorwaar, zij is slechts geschapen! En de Boodschapper van Allah ﷺ heeft gezegd: "Hij heeft hen tweemaal bedrogen: hij bedroog hen in het paradijs, en hij bedroog hen op aarde."
* * *
Er is gezegd: (terwijl zij zelf geschapen worden), waarbij Hij hun voornaamwoord op de wijze van het voornaamwoord van de Kinderen van Ādam heeft uitgebracht, (Kennen zij als deelgenoten toe wat...), waarbij Hij hun vermelding heeft uitgebracht met "mā" (wat) en niet met "man" (wie), op de wijze van het bericht over anderen dan de Kinderen van Ādam, omdat datgene wat zij aanbaden slechts een steen, of hout, of koper was, of iets van de zaken waarover men bericht met "mā" en niet met "man". Daarom werd er over gezegd "mā", en vervolgens werd er gezegd "wa-hum" (en zij), waarbij hun aanduiding werd uitgebracht op de wijze van de aanduiding van de Kinderen van Ādam, omdat het bericht erover, namelijk over de verheerlijking ervan door de polytheïsten (mushrikīn), gelijkstaat aan het bericht over de verheerlijking van mensen onderling.