Tafseer van De Hoogten · Al-A'raaf · 7:151
Hij (Môesa) zei: "Mijn Heer, vergeef mij en mijn broeder en doe ons Uw Barmhartigheid binnengaan. En U bent de Barmhartigste der Erbarmers."
De uitleg van Zijn woord: قَالَ رَبِّ اغْفِرْ لِي وَلأَخِي وَأَدْخِلْنَا فِي رَحْمَتِكَ وَأَنْتَ أَرْحَمُ الرَّاحِمِينَ (7:151) (Hij zei: "Mijn Heer, vergeef mij en mijn broeder, en doe ons binnentreden in Uw barmhartigheid, en Gij zijt de Barmhartigste der barmhartigen.")
Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens lof is genoemd, zegt: Mūsā zei, toen het verontschuldiging van zijn broeder hem duidelijk werd en hij wist dat deze niet nalatig was geweest in de plicht die op hem rustte vanuit het bevel van Allah, met betrekking tot het bedrijven van datgene wat de onwetenden deden, te weten de aanbidding van het kalf: "Mijn Heer, vergeef mij" — vergeving zoekend voor zijn handelen tegenover zijn broeder, en voor zijn broeder voor een eerder verzuim dat tussen hem en Allah was geweest: bedek onze zonden met een bedekking van U waarmee Gij ze verbergt = "en doe ons binnentreden in Uw barmhartigheid", Hij zegt: en wees barmhartig jegens ons met Uw barmhartigheid die Uw gelovige dienaren omvat, want Gij zijt barmhartiger jegens Uw dienaren dan ieder die zich over iets ontfermt.