Tabari
Terug naar surah 7, ayah 152

Tafseer van De Hoogten · Al-A'raaf · 7:152

إِنَّ ٱلَّذِينَ ٱتَّخَذُوا۟ ٱلْعِجْلَ سَيَنَالُهُمْ غَضَبٌۭ مِّن رَّبِّهِمْ وَذِلَّةٌۭ فِى ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا ۚ وَكَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُفْتَرِينَ

Voorwaar, degenen die het kalf (tot hun god) hebben genomen: de toorn van hun Heer zal hen treffen, alsmede vernedering in het wereldse leven. En zo vergelden Wij degenen die leugens verzinnen.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    De uitspraak over de uitleg van Zijn woord: إِنَّ الَّذِينَ اتَّخَذُوا الْعِجْلَ سَيَنَالُهُمْ غَضَبٌ مِنْ رَبِّهِمْ وَذِلَّةٌ فِي الْحَيَاةِ الدُّنْيَا وَكَذَلِكَ نَجْزِي الْمُفْتَرِينَ ("Waarlijk, degenen die het kalf tot god namen, hen zal de toorn van hun Heer treffen en vernedering in het wereldse leven; en zo vergelden Wij de verzinners") (7:152).

    Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens lof is vermeld, zegt: "Waarlijk, degenen die het kalf namen" als god = "hen zal de toorn (ghaḍab) van hun Heer treffen", doordat Allah hun dat snel toebrengt = "en vernedering (dhilla)", en dat is de schande, als bestraffing van Allah voor hen vanwege hun ongeloof in hun Heer = "in het wereldse leven", in het nabije van het wereldse leven, vóór het toekomstige van het hiernamaals.

    * * *

    Ibn Jurayj placht hierover te zeggen wat hier volgt:

    15147 - Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: Al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, over Zijn woord: "Waarlijk, degenen die het kalf namen, hen zal de toorn van hun Heer treffen en vernedering in het wereldse leven; en zo vergelden Wij de verzinners", hij zei: dit geldt voor wie van degenen die het kalf tot god namen, stierf vóórdat Mūsā – vrede zij met hem – terugkeerde, en voor wie van hen vluchtte toen Mūsā hun beval dat zij elkaar zouden doden.

    * * *

    Abū Jaʿfar zei: Wat Ibn Jurayj gezegd heeft – hoewel het een uitspraak is die een zekere grond heeft – is in strijd met de duidelijke betekenis van het Boek van Allah, tezamen met de uitleg van de meeste geleerden van de uitleg. Want Allah heeft het bericht algemeen gemaakt over allen die het kalf tot god namen, dat de toorn van hun Heer hen zal treffen en vernedering in het wereldse leven. En de berichten van de geleerden van de uitleg onder de metgezellen (ṣaḥāba) en de Volgers (tābiʿūn) ondersteunen elkaar erin dat Allah, toen Mūsā – vrede zij met hem – tot de kinderen van Israël terugkeerde, de aanbidders van het kalf hun daad vergaf door middel van datgene waarover Hij berichtte aangaande de uitspraak van Mūsā – vrede zij met hem – in Zijn Boek, namelijk Zijn woord: وَإِذْ قَالَ مُوسَى لِقَوْمِهِ يَا قَوْمِ إِنَّكُمْ ظَلَمْتُمْ أَنْفُسَكُمْ بِاتِّخَاذِكُمُ الْعِجْلَ فَتُوبُوا إِلَى بَارِئِكُمْ فَاقْتُلُوا أَنْفُسَكُمْ ("En toen Mūsā tot zijn volk zei: O mijn volk, waarlijk gij hebt uzelf onrecht aangedaan door het kalf tot god te nemen, wendt u dan in berouw tot uw Schepper en doodt uzelf") [Surah Al-Baqarah: 54], en zij deden wat hun profeet – moge Allah hem zegenen en vrede schenken – hun gebood. Het bevel van Allah aan hen met datgene wat Hij hun gebood, namelijk dat de een de ander zou doden, was vanwege Zijn toorn op hen wegens hun aanbidding van het kalf. En het doden van de een door de ander was een schande en vernedering waarmee Allah hen vernederde in het wereldse leven, en tevens een berouw van hen tot Allah dat Hij van hen aanvaardde. En het is niemand toegestaan om een bericht waarvan het Boek met zijn algemene strekking is gekomen, te beperken tot iets bijzonders van datgene wat de duidelijke betekenis algemeen omvat, zonder een bewijs uit een overgeleverd argument of uit het verstand. En wij kennen geen bericht dat is gekomen met de verplichting om de duidelijke betekenis van Zijn woord "Waarlijk, degenen die het kalf namen, hen zal de toorn van hun Heer treffen" over te brengen naar een verborgen, bijzondere betekenis = noch is er vanuit het verstand een aanwijzing daarvoor, zodat het verplicht zou zijn de duidelijke betekenis ervan om te zetten in zijn verborgen betekenis.

    * * *

    En met Zijn woord "en zo vergelden Wij de verzinners" bedoelt Hij: en zoals Ik dezen die het kalf tot god namen vergolden heb, door de toorn over hen te doen neerdalen en door de vernedering in het wereldse leven vanwege hun ongeloof in hun Heer en hun afvalligheid (ridda) van hun religie na hun geloof in Allah, zo vergelden Wij eenieder die tegen Allah verzint, dus over Hem liegt, en de goddelijkheid van een ander dan Hem erkent, en iets buiten Hem aanbidt van de afgodsbeelden, na zijn erkenning van de eenheid van Allah, en na zijn geloof in Hem en in Zijn profeten en boodschappers en de uitspraak daarvan, indien hij geen berouw toont voor zijn ongeloof vóórdat hij gedood wordt.

    * * *

    En overeenkomstig wat wij hierover gezegd hebben, sprak een groep van de geleerden van de uitleg.

    * Vermelding van wie dat zei:

    15148 - Muḥammad ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft ons verteld, hij zei: Muḥammad ibn Thawr heeft ons verteld, op gezag van Maʿmar, op gezag van Ayyūb, hij zei: Abū Qilāba reciteerde: "hen zal de toorn van hun Heer treffen en vernedering in het wereldse leven", de vers, en hij zei: dit is de vergelding voor elke verzinner die er zal zijn tot aan de Dag der Opstanding: dat Allah, machtig en verheven, hem vernedert.

    15149 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū al-Nuʿmān ʿĀrim heeft ons verteld, hij zei: Ḥammād ibn Zayd heeft ons verteld, op gezag van Ayyūb, hij zei: Abū Qilāba reciteerde op een dag deze vers: "Waarlijk, degenen die het kalf namen, hen zal de toorn van hun Heer treffen en vernedering in het wereldse leven; en zo vergelden Wij de verzinners", en hij zei: zij geldt, bij Allah, voor elke verzinner tot aan de Dag der Opstanding.

    15150 - ... Hij zei: Ḥajjāj heeft ons verteld, hij zei: Ḥammād heeft ons verteld, op gezag van Thābit en Ḥumayd: dat Qays ibn ʿUbād en Jāriya ibn Qudāma binnentraden bij ʿAlī ibn Abī Ṭālib – moge Allah tevreden over hem zijn – en zeiden: "Wat denkt gij van deze zaak waarin gij u bevindt en waartoe gij oproept: is het een opdracht die de Boodschapper van Allah – moge Allah hem zegenen en vrede schenken – u heeft toevertrouwd, of een mening die gij zelf gevormd hebt?" Hij zei: "Wat hebben jullie hiermee te maken? Wendt u hiervan af!" Zij zeiden: "Bij Allah, wij zullen ons hier niet van afwenden totdat gij het ons bericht!" Hij zei: "De Boodschapper van Allah – moge Allah hem zegenen en vrede schenken – heeft mij niets toevertrouwd dan een geschrift in de schede van dit zwaard van mij!" Toen trok hij het en haalde het geschrift uit de schede van zijn zwaard, en daarin stond: "Er is geen profeet geweest of hij had een gewijd gebied (ḥaram), en waarlijk, ik heb Medina tot gewijd gebied gemaakt zoals Ibrāhīm – vrede zij met hem – Mekka tot gewijd gebied maakte: er mag daarin geen wapen gedragen worden voor de strijd. Wie er een misdaad begaat of een misdadiger onderdak biedt, op hem rust de vloek van Allah, de engelen en alle mensen tezamen; van hem wordt geen losprijs noch vergoeding aanvaard." Toen zij naar buiten gingen, zei de een van hen tot zijn metgezel: "Zie je niet dit geschrift?" Daarop keerden zij terug en lieten het (hun aandringen) varen, en zeiden: "Wij hebben Allah horen zeggen: 'Waarlijk, degenen die het kalf namen, hen zal de toorn van hun Heer treffen', de vers, en waarlijk, deze lieden hebben een verzinsel verzonnen, en ik weet niet anders of er zal vernedering over hen neerdalen."

    15151 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd Allāh ibn al-Zubayr heeft ons verteld, op gezag van Ibn ʿUyayna, over Zijn woord: "en zo vergelden Wij de verzinners", hij zei: elke aanhanger van een verwerpelijke nieuwlichterij (bidʿa) is vernederd.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله : إِنَّ الَّذِينَ اتَّخَذُوا الْعِجْلَ سَيَنَالُهُمْ غَضَبٌ مِنْ رَبِّهِمْ وَذِلَّةٌ فِي الْحَيَاةِ الدُّنْيَا وَكَذَلِكَ نَجْزِي الْمُفْتَرِينَ (152) قال أبو جعفر: يقول تعالى ذكره: " إن الذين اتخذوا العجل " إلهًا= " سينالهم غضب من ربهم "، بتعجيل الله لهم ذلك (26) = " وذلة "، وهي الهوان, لعقوبة الله إياهم على كفرهم بربهم= (27) " في الحياة الدنيا "، في عاجل الدنيا قبل آجل الآخرة. * * * وكان ابن جريج يقول في ذلك بما: - 15147- حدثنا القاسم قال، حدثنا الحسين قال، حدثني حجاج, عن ابن جريج, قوله: " إن الذين اتخذوا العجل سينالهم غضب من ربهم وذلة في الحياة الدنيا وكذلك نجزي المفترين "، قال: هذا لمن مات ممن اتخذ العجل قبل أن يرجع موسى عليه السلام, ومن فرّ منهم حين أمرهم موسى أن يقتل بعضهم بعضًا. * * * قال أبو جعفر: وهذا الذي قاله ابن جريج, وإن كان قولا له وجه, فإن ظاهر كتاب الله، مع تأويل أكثر أهل التأويل، بخلافه. وذلك أن الله عم بالخبر عمن اتخذ العجل أنه سينالهم غضب من ربهم وذلة في الحياة الدنيا، وتظاهرت الأخبار عن أهل التأويل من الصحابة والتابعين بأن الله إذ رجع إلى بني إسرائيل موسى عليه السلام, تابَ على عبدة العجل من فعلهم بما أخبر به عن قيل موسى عليه السلام في كتابه, وذلك قوله: وَإِذْ قَالَ مُوسَى لِقَوْمِهِ يَا قَوْمِ إِنَّكُمْ ظَلَمْتُمْ أَنْفُسَكُمْ بِاتِّخَاذِكُمُ الْعِجْلَ فَتُوبُوا إِلَى بَارِئِكُمْ فَاقْتُلُوا أَنْفُسَكُمْ [سورة البقرة: 54]، ففعلوا ما أمرهم به نبيهم صلى الله عليه وسلم. فكان أمرُ الله إياهم بما أمرهم به من قتل بعضهم أنفُس بعض, عن غضب منه عليهم بعبادتهم العجل. فكان قتل بعضهم بعضًا هوانًا لهم وذلة أذلهم الله بها في الحياة الدنيا, وتوبة منهم إلى الله قبلها. وليس لأحد أن يجعل خبرًا جاء الكتاب بعمومه، في خاصٍّ مما عمه الظاهر، بغير برهان من حجة خبر أو عقل. ولا نعلم خبرًا جاء بوجوب نقل ظاهر قوله: " إن الذين اتخذوا العجل سينالهم غضب من ربهم "، إلى باطن خاصّ = ولا من العقل عليه دليل, فيجب إحالة ظاهره إلى باطنه. * * * ويعني بقوله: " وكذلك نجزي المفترين "، وكما جَزيت هؤلاء الذين اتخذوا العجل إلهًا، من إحلال الغضب بهم, والإذلال في الحياة الدنيا على كفرهم ربّهم, ورِدَّتهم عن دينهم بعد إيمانهم بالله, كذلك نجزي كل من افترى على الله، فكذب عليه، وأقر بألوهية غيره، وعبد شيئًا سواه من الأوثان، بعد إقراره بوحدانية الله, وبعد إيمانه به وبأنبيائه ورسله وقِيلَ ذلك, إذا لم يتب من كفره قبل قتله. (28) * * * وبنحو الذي قلنا في ذلك قال جماعةٌ من أهل التأويل. * ذكر من قال ذلك: 15148- حدثنا محمد بن عبد الأعلى قال، حدثنا محمد بن ثور, عن معمر, عن أيوب قال: تلا أبو قلابة: " سينالهم غضب من ربهم وذلة في الحياة الدنيا " الآية، قال: فهو جزاء كل مفترٍ يكون إلى يوم القيامة: أن يذله الله عز وجل. 15149- حدثني المثنى قال، حدثنا أبو النعمان عارم قال، حدثنا حماد بن زيد, عن أيوب قال: قرأ أبو قلابة يومًا هذه الآية: " إن الذين اتخذوا العجل سينالهم غضب من ربهم وذلة في الحياة الدنيا وكذلك نجزي المفترين "، قال: هي والله لكل مفترٍ إلى يوم القيامة. 15150-... قال حدثنا حجاج قال، حدثنا حماد, عن ثابت، وحميد: أن قيس بن عُبَاد، وجارية بن قدامة، دخلا على علي بن أبي طالب رضي الله عنه, فقالا أرأيت هذا الأمر الذي أنت فيه وتدعو إليه, أعهدٌ عهده إليك رسول الله صلى الله عليه وسلم، أم رأيٌ رأيته؟ قال: ما لكما ولهذا؟ أعرضا عن هذا! فقالا والله لا نعرضُ عنه حتى تخبرنا! فقال: ما عهد إليّ رسول الله صلى الله عليه وسلم إلا كتابًا في قراب سيفي هذا! فاستلَّه، فأخرج الكتاب من قراب سيفه, وإذا فيه: " إنه لم يكن نبيّ إلا له حرم, وأنّي حرمت المدينة كما حرّم إبراهيم عليه السلام مكة, لا يحمل فيها السلاحُ لقتال. من أحدث حدثًا أو آوى مُحدِثًا فعليه لعنة الله والملائكة والناس أجمعين, لا يقبل منه صرف ولا عَدْل ". فلما خرجا قال أحدهما لصاحبه: أما ترى هذا الكتاب؟ فرجعا وتركاه وقالا إنا سمعنا الله يقول " إن الذين اتخذوا العجل سينالهم غضب من ربهم "، الآية, وإن القوم قد افتروا فرية, ولا أدري إلا سينـزل بهم ذلة. (29) 15151- حدثني المثنى قال، حدثنا إسحاق قال، حدثنا عبد الله بن الزبير, عن ابن عيينة: في قوله: " وكذلك نجزي المفترين " قال: كل صاحب بدعة ذليلٌ. --------------------- الهوامش : (26) (3) انظر تفسير (( نال )) فيما سلف 12 : 408 ، تعليق : 3 ، والمراجع هناك . (27) (1) انظر تفسير (( الذلة )) فيما سلف 2 : 212 / 7 : 171 / 11 : 421 . (28) (1) انظر تفسير (( الافتراء )) فيما سلف 12 : 562 ، تعلق : 1 ، والمراجع هناك . (29) (1) الأثر : 15150 - كان إسناد هذا الخبر في المطبوعة هكذا : (( قال ، حدثنا حماد ، عن ثابت : أن حميد بن قيس بن عباد ، وحارثه بن قدامة )) ، وفي المخطوطة : (( قال حدثنا حماد عن ثابت وحميد بن قيس بن عباد ، وحارثه بن قدامة )). (( حارثة ))غير منقوطة . وهما جميعاً خطأ ، صوابه ما أثبت . و (( حماد )) هو : (( حماد بن سلمة )) ، ثقة مشهور ، مضى مرارًا . و (( ثابت )) هو (( ثابت بن أسلم البنانى )) ، مضى مرارًا . و (( حميد )) هو (( حميد الطويل )) ، وهو : (( حميد بن أبي حميد )) ، الإمام المشهور ، مضى مرارًا ، وهو خال (( حماد بن سلمة )) . وأما (( قيس بن عباد القيسى الضبعى )) ، فهو ثقة قليل الحديث ، روى عنه الحسن . قدم المدينة في خلافة عمر . وهو ممن قتلهم الحجاج في من خرج مع ابن الأشعث . مترجم في التهذيب ، وابن سعد 7 / 1 / 95 ، والكبير 4/1/145 ، وابن أبي حاتم 3/12/101 ، وفي الإصابة في القسم الثالث . وأما (( جارية بن قدامة بن زهير بن الحصين السعدي )) ، يقال هو بن عم الأحنف بن قيس ، ويقال هو : عمه . وقال الطبراني : (( ليس بعم الأحنف أخي أبيه ، ولكنه كان يدعوه عمه على سبيل الإعظام له )) . وجارية تميمى من أشراف تميم وكان شجاعاً فاتكاً ، وهو صحابي ثابت الصحبة . مترجم في التهذيب ، وابن سعد 7/1/38 ، والكبير 1/2/236 ، وابن أبي حاتم 1/1/520 ، وفي الإصابة ، وغيرها . وهذا الخبر لم أهتد إليه بهذا الإسناد ، وهذه السياقة ، في شيء من الكتب ، ولكن خبر الصحيفة ، عن (( قيس بن عباد )) ، رواه أحمد في مسنده رقم 993 ، من طريق يحيى ، عن سعيد بن أبي عروبة ، عن قتادة ، عن الحسن ، عن قيس بن عباد قال : انطلقت أنا والأشتر إلى على ، فقلنا : هل عهد إليك نبى الله صلى الله عليه وسلم شيئاً لم يعهده إلى الناس عامة ؟ )) ، وساق خبراً آخر . وروى أحمد خبر الصحيفة في مسند علي رضي الله عنه ، بأسانيد مختلفة ، وألفاظ مختصرة ومطولة ، ومؤتلفة ومختلفة . انظر رقم 615 ، 872 ، 874 ، 954 ، 962 ، 1037 ، 1297 ، 1306 ، وليس في شيء منها ذكر (( جارية بن قدامة )) . ومع ذلك فخبر أبي جعفر صحيح الإسناد ، فكأنهما حادثتان مختلفتان. وكان في المخطوطة : (( ولا أدرى إلا سينزل به ذلة )) والصواب ما صححه ناشر المطبوعة .