Tafseer van De Hoogten · Al-A'raaf · 7:132
Zij zeiden: "Met wat voor Tekenen jij ook tot ons komt om ons daarmee te betoveren, wij zullen daardoor niet in jou zeloven."
De uitspraak over de uitleg van Zijn woord: وَقَالُوا مَهْمَا تَأْتِنَا بِهِ مِنْ آيَةٍ لِتَسْحَرَنَا بِهَا فَمَا نَحْنُ لَكَ بِمُؤْمِنِينَ ("En zij zeiden: Welk teken gij ons ook brengt om ons daarmee te betoveren, wij zullen u niet geloven") (7:132).
Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens lof is vermeld, zegt: En het volk van Farao zei tegen Mūsā: o Mūsā, welk teken of bewijs gij ons ook brengt = "om ons te betoveren", Hij zegt: om ons daarmee af te wenden van datgene waarop wij ons bevinden, namelijk de religie van Farao = "wij zullen u niet geloven", Hij zegt: wij zullen u daarin niet voor waarachtig houden, dat gij in het gelijk zoudt zijn met datgene waartoe gij ons oproept.
* * *
En wij hebben reeds eerder de betekenis van "al-siḥr" (de toverij) aangetoond op een wijze die het overbodig maakt dit te herhalen.
* * *
Ibn Zayd placht over de betekenis van "welk teken gij ons ook brengt" te zeggen wat hier volgt:
14988 - Yūnus heeft mij verteld, hij zei: [Ibn Wahb heeft ons bericht], hij zei: Ibn Zayd zei over Zijn woord: "welk teken gij ons ook brengt (mahmā taʾtinā bihi min āyatin)", hij zei: het betekent: welk teken gij ons ook brengt (in mā taʾtinā bihi min āyatin) = en hierin is "mā" een toegevoegd (overtollig) partikel.