Tafseer van De Hoogten · Al-A'raaf · 7:109
De vooraanstaanden van Fir'aun's volk zeiden: "Voorwaar, dit is een kundige tovenaar!
Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: قَالَ الْمَلأُ مِنْ قَوْمِ فِرْعَوْنَ إِنَّ هَذَا لَسَاحِرٌ عَلِيمٌ ("De vooraanstaanden uit het volk van Fir'awn zeiden: Voorwaar, dit is een kundige tovenaar") (109)
Abū Jaʿfar zei: Hij, verheven zij Zijn vermelding, zegt: De groep van de mannen van het volk van Fir'awn en de aanzienlijken onder hen zeiden — إِنَّ هَذَا ("Voorwaar, dit"), waarmee zij Mūsā bedoelden, de zegeningen van Allah zij met hem — لَسَاحِرٌ عَلِيمٌ ("is een kundige tovenaar"), waarmee zij bedoelden: dat hij met zijn bedrog de ogen van de mensen begoochelt, totdat het hun toeschijnt dat de staf een slang is, en de donkere mens wit, en dat een ding anders is dan het in werkelijkheid is. Daarvan is afgeleid de uitdrukking: "saḥara al-maṭaru al-arḍa" (de regen betoverde de aarde), wanneer hij overvloedig op haar valt en haar gewassen tot aan de wortels afsnijdt en de aarde binnenstebuiten keert: hij betovert haar met een betovering, en "de aarde is betoverd" (masḥūra) wanneer haar dat overkomt. Zo werd "de betovering van de tovenaar" daarmee vergeleken, vanwege zijn begoocheling waardoor het degene die hij betoverd heeft toeschijnt dat hij een ding ziet dat anders is dan het in werkelijkheid is. Daarvan is ook de uitspraak van Dhū al-Rumma in zijn beschrijving van de luchtspiegeling:
En de ogen-betoverende [woestijnen] van de wildernissen,
waarin de heuvels dansen tussen hun uitgestrektheden.
En Zijn uitspraak عَلِيمٌ ("kundig"), Hij zegt: een tovenaar die kundig is in de tovenarij.
--------------------
Voetnoten:
(14) Zie de uitleg van "al-malaʾ" in wat voorafging, blz. 12, aantekening 2, en de verwijzingen aldaar.
(15) Deze uiteenzetting over de betekenis van "saḥara al-maṭaru al-arḍa" is zeer voortreffelijk en verduidelijkt de betekenis van het woord, en zij is helderder dan wat in de taalboeken voorkomt; laat dit daar worden opgetekend.
(16) Zie de uitleg van "al-siḥr" (de tovenarij) in wat voorafging 2:436-442 / 11:265.
(17) Zijn dīwān: 591, en al-Lisān (a-r-m), met deze overlevering. Wat de overlevering van de dīwān betreft, die luidt: "En de luchtspiegeling-betoverende [woestijnen] van de wildernissen, waarin de luchtspiegelingen dansen in hun zandheuvels; de zandhoenders van de wildernis sterven daarin van dorst, en de bries vergaat aan hun randen; daarin zijn plassen, maar er is geen nattigheid, en gestalten die zich verplaatsen en niet stil blijven." En dit is uitnemende poëzie! De overlevering die hier staat is de overlevering van Abū ʿUbayda in Majāz al-Qurʾān. En de overlevering van Abū ʿAmr ibn al-ʿAlāʾ is: "nawāshirihā". In de gedrukte editie stond "nawāshizihā" met een zāʾ, en in het handschrift is het ongepunteerd. En "al-mawāmī" is het meervoud van "mawmāt", dat is de wijde, gladde woestijn waarin geen water en geen gezelschap is. En "al-ʿasāqil" is het meervoud van "ʿasqala", en "al-ʿasāqīl" is het meervoud van "ʿasqūl", dat zijn de stukken luchtspiegeling die glanzen en flikkeren voor het oog van de toeschouwer. En "al-urūm" is het meervoud van "iram", dat zijn de bakens, en men zegt: het zijn de graven van ʿĀd en Iram. En de overlevering van zijn dīwān is "wa-sājira" met een jīm, dat wil zeggen: gevuld met de luchtspiegeling. Hij beschrijft de luchtspiegeling terwijl deze trilt, zodat je de stenen en de bakens ziet die daarin oprijzen en neerdalen, terwijl hij met hen beweegt. Wat de overlevering van Abū Jaʿfar betreft, "tarqaṣu fī nawāshirihā" (zij danst in haar uitgespreidheden), daarvoor heb ik bij geen enkele commentator van de poëzie of in de taalboeken een verklaring gevonden. Mijn vermoeden is dat hij daarmee de luchtspiegeling bedoelt, zoals hij zei "fī ʿasāqilihā", en dat het afgeleid is van "nashr al-shayʾ", het uitspreiden en uitstrekken ervan, en dat hij daarmee bedoelt wat zich uit de luchtspiegeling uitstrekt en uitspreidt.
(18) Zie de uitleg van "ʿalīm" in wat voorafging in de taalkundige indexen (ʿ-l-m).