Tafseer van Het IJzer · Al-Hadid · 57:11
Wie is degene die aan Allah een goede lening geeft? Dan zal Hij deze verdubbelen voor hem en voor hem is er een rijke beloning.
De Verhevene, wiens gedachtenis verheven is, zegt: Wie is degene die op Allahs weg in dit aardse leven uitgeeft, daarbij beloning verwachtend voor zijn uitgave, strevend naar wat bij Allah is — en dat is de schone lening? Hij zegt: dan zal zijn Heer hem die lening, die hij geleend heeft door op Zijn weg uit te geven, veelvoudig vergoeden, zodat Hij hem voor de ene zevenhonderd geeft. En sommige grammatici van Basra zeiden over Zijn woord (Wie is degene die Allah een schone lening geeft): dat is als de zegswijze van de Arabieren: "ik heb bij jou een lening van het goede, of een lening van het kwade", wanneer men hem goeds of kwaads heeft aangedaan; en men reciteerde daarbij een vers van al-Shanfarā:
Wij zullen Salāmān, de zoon van Mufarrij, hun lening vergelden naar wat hun handen tevoren deden, en zo deden zij struikelen. (1)
(En voor hem is een edele beloning) — Hij zegt: en voor hem is een edele vergelding en beloning; met die beloning bedoelt Hij: het paradijs. En wij hebben de overlevering van de uitleggers daarover reeds eerder vermeld op een wijze die herhaling overbodig maakt.
------------------------
De voetnoten:
(1) De auteur schreef het vers toe aan al-Shanfarā. En Salāmān ibn Mufarrij is een Arabische stam. En "al-qarḍ" — zoals in (al-Lisān: qaraḍa) — met fatḥa op de qāf en met kasra: dat is wat mensen elkaar onderling vergelden en van elkaar vorderen, en het meervoud is qurūḍ, en het is wat men aan weldaad of aan kwaad voorschiet. Umayya ibn Abī al-Ṣalt zei:
Iedere man zal weldra zijn lening vergolden krijgen, goed of kwaad, en geoordeeld worden zoals hij geoordeeld heeft.
De auteur heeft dit vers van Umayya reeds eerder aangehaald in (2:592) van deze editie.