Tabari
Terug naar surah 56, ayah 9

Tafseer van De Onafwendbare Gebeurtenis · Al-Waaqia · 56:9

وَأَصْحَٰبُ ٱلْمَشْـَٔمَةِ مَآ أَصْحَٰبُ ٱلْمَشْـَٔمَةِ

En de mensen van de linkerzijde, (wat een tegenspoed voor) de mensen van de linkerzijde!

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    En de mensen van de linkerzijde — wat zijn de mensen van de linkerzijde! (56:9) — de Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: en de mensen van de linkerzijde, die langs de linkerkant naar het Vuur worden geleid. De Arabieren noemen de linkerhand al-shuʾmā; en daartoe behoort de uitspraak van al-Aʿshā van de Banū Thaʿlaba:

    Toen leunde hij met de linker van zijn beide handen en weerde ze af met iets dorstiger dan de bovenste lok van de haartooi, gitzwart.

    [Voetnoot: Het vers is van al-Aʿshā van de Banū Qays ibn Thaʿlaba (in zijn dīwān, Caïro-druk, blz. 295), uit een gedicht waarin hij Iyās ibn Qabīṣa al-Ṭāʾī prijst. Het is ook overgeleverd als lofdicht op Qays ibn Maʿdīkarib. "Anḥā" betekent: hij leunde/steunde; men zegt: "de kameel anḥā", dat wil zeggen hij steunde in zijn gang op zijn linkerzijde. "De hand al-shuʾmā": de linker. "Aẓmaʾ": donkerbruin en dor. "Al-farʿ": het haar. "Al-dhuʾāba": het haar van de voorlok. "Asḥam": zwart. Hij beschrijft een stier waarop de jachthonden zich verzamelden en die hij van zich afweerde met zijn dorre, gepunte hoorn, die zwarter is dan een streng haar. Het bewijs ligt in zijn woord "shuʾmā van zijn beide handen", dat wil zeggen de linker daarvan. Abū ʿUbayda zei in Majāz al-Qurʾān bij Zijn woord, de Verhevene, En de mensen van de linkerzijde — wat zijn de mensen van de linkerzijde: de mensen van de linkerkant; en men noemt de linkerhand al-shuʾmā; en men zegt dat het de linkerkant is. Jemen (al-yaman) is zo genoemd omdat het ter rechterzijde (yamīn) van de Kaʿba ligt, en al-Shaʾm (Syrië) omdat het ter linkerzijde (shimāl) van de Kaʿba ligt. Einde.]

    Toon originele Arabische tekst
    (وَأَصْحَابُ الْمَشْأَمَةِ مَا أَصْحَابُ الْمَشْأَمَةِ ) يقول تعالى ذكره: وأصحاب الشمال الذين يؤخذ بهم ذات الشمال إلى النار، والعرب تسمي اليد اليسرى: الشؤمي؛ ومنه قول أعشى بني ثعلبة: فـأنْحَى عـلى شُّـؤْمَي يَدَيـه فَذادَهـا بأظْمــأَ مِـنْ فَـرْع الذُّوَابَـةِ أسْـحَما (3) ------------------------ الهوامش: (3) البيت لأعشى بني قيس بن ثعلبة ( ديوانه طبع القاهرة 295 ) من قصيدة يمدح بها إياس بن قبيصة الطائي. ورويت في مدح قيس ابن معد يكرب. وأنحى : اعتمد، يقال: أنحى البعير: اعتمد في سيره على أيسره. واليد الشؤمى: اليسرى . وأظمأ: أسمر ذابل. والفرع: الشعر. والذؤابة: شعر الناصية. وأسحم: أسود. يصف ثورا اجتمعت عليه كلاب الصيد، فذادها عنه بقرنه الذابل المحدد، وهو أشد سوادا من خصلة الشعر. والشاهد في قوله شؤمى يديه أي يسراهما. وقال أبو عبيدة في مجاز القرآن عند قوله تعالى ( وأصحاب المشأمة ما أصحاب المشأمة ) : أصحاب الميسرة، ويقال لليد اليسرى: الشؤمى؛ ويقال هو الجانب الأيسر. وسميت اليمن لأنها عن يمين الكعبة، والشأم أنها عن شمال الكعبة . ا هـ .