Tafseer van De Berg · At-Tur · 52:20
Leunend op rustbanken, tegenover elkaar. En Wij zullen hen huwen met schone maagden.
En Zijn woord: ( مُتَّكِئِينَ عَلَى سُرُرٍ مَصْفُوفَةٍ ) ("Achteroverleunend op gerangschikte rustbanken") — die in rijen geplaatst zijn. En Hij liet Zijn woord "op kussens" achterwege, zich tevredenstellend met de aanwijzing die het vermelde reeds daarop geeft.
En Zijn woord: ( وَزَوَّجْنَاهُمْ بِحُورٍ عِينٍ ) ("en Wij verbinden hen met grootogige hoeri's"). Hij, verheven is Zijn vermelding, zegt: en Wij verbinden de mannen onder deze godvrezenden met echtgenotes — grootogige hoeri's onder de vrouwen. Men zegt: "verbind (zawwij) deze ene schoen of deze ene sandaal met die andere", in de betekenis van: maak ze tot een paar. En wij hebben de betekenis van "zawj" (paar/echtgenoot) reeds eerder uiteengezet op een wijze die het overbodig maakt het hier te herhalen. En al-ḥūr is het meervoud van ḥawrāʾ, en dat is zij wier oogwit zeer wit is bij een zeer zwarte iris.
En ik heb reeds het meningsverschil van de exegeten daarover vermeld, en de juiste opvatting daarover volgens ons uiteengezet met haar bewijzen, op een wijze die het overbodig maakt die op deze plaats te herhalen. En al-ʿīn is het meervoud van ʿaynāʾ, en dat is zij die grote ogen heeft, in schoonheid en wijdte.