Tafseer van De Berg · At-Tur · 52:18
Zich verheugend over wat hun Heer hun heeft gegeven. En hun Heer heeft hen behoed voor de straf van de Hel.
Zijn uitspraak zich verheugend in vruchten (fākihīn) — Hij zegt: bij hen is er veel fruit. En dat is naar analogie van de uitspraak van de Arabieren over een man die veel dadels heeft: een dadelman (tāmir), of die veel melk heeft, waarvan gezegd wordt: hij is een melkman (lābin), zoals al-Ḥuṭayʾa zei:
Je hebt mij misleid en beweerd dat je
melkman (lābin) was in de zomer, een dadelman (tāmir) (1)
En Zijn uitspraak met wat hun Heer hun gegeven heeft — Hij zegt: bij hen is er veel fruit door de schenking van Allah aan hen daarvan. En hun Heer heeft hen behoed voor de bestraffing van het Hellevuur (al-jaḥīm) — Hij zegt: en hun Heer heeft van hen Zijn bestraffing afgewend waarmee Hij de bewoners van het Hellevuur (al-jaḥīm) bestraft heeft.
------------------------
De voetnoten:
(1) Het vers is van al-Ḥuṭayʾa (zijn dīwān 17). De auteur voert het aan als bewijs dat de betekenis van Zijn uitspraak, de Verhevene, zich verheugend in vruchten met wat hun Heer hun gegeven heeft is: bij hen is er veel fruit; en het is als de uitspraak van al-Ḥuṭayʾa "lābin" en "tāmir", dat wil zeggen: bezitter van melk en bezitter van dadels, dat wil zeggen: bij jou is er in de zomer veel van beide. Al-Sukkarī zei in de commentaar op de dīwān: hij bedoelt dat je mij misleid hebt en beweerd hebt dat je mij dadels en melk te eten zou geven, zodat ik mij met die twee tevreden stelde, maar je deed het niet. Aldus al-Sukkarī. Hij prijst Baghīḍ en hekelt al-Zibriqān. Het vers is reeds eerder als bewijs aangevoerd in het deel (23:19), waar wij het uitvoeriger toegelicht hebben dan hier, raadpleeg het dus daar.