Tafseer van De Verspreidsters · Adh-Dhaariyat · 51:30
Zij zeiden: "Zo heeft jouw Heer gesproken: voorwaar, Hij is de Alwijze, de Alwetende."
De uitleg van de woorden van de Verhevene: قَالُوا كَذَلِكِ قَالَ رَبُّكِ إِنَّهُ هُوَ الْحَكِيمُ الْعَلِيمُ (51:30) (Zij zeiden: Aldus heeft jouw Heer gesproken; voorwaar, Hij is de Alwijze, de Alwetende.)
De Verhevene, wiens gedachtenis verheven is, zegt, terwijl Hij bericht over wat de gasten van Ibrāhīm tot zijn echtgenote zeiden, toen zij tot hen sprak — nadat zij haar een blijde tijding van een verstandige knaap hadden gebracht —: "Zal een onvruchtbare oude vrouw baren?" قَالُوا كَذَلِكِ قَالَ رَبُّكِ (Zij zeiden: Aldus heeft jouw Heer gesproken), dat wil zeggen: zó heeft jouw Heer gesproken, namelijk zoals wij je hebben bericht en tot je hebben gezegd. إِنَّهُ هُوَ الْحَكِيمُ الْعَلِيمُ (Voorwaar, Hij is de Alwijze, de Alwetende). En het voornaamwoord in Zijn woorden إِنَّهُ (voorwaar, Hij) verwijst naar de Heer: Hij is de Alwijze in Zijn bestuur over Zijn schepselen, de Alwetende omtrent hun belangen, omtrent wat geweest is en wat zijn zal.