Tabari
Terug naar surah 44, ayah 22

Tafseer van De Rook · Ad-Dukhaan · 44:22

فَدَعَا رَبَّهُۥٓ أَنَّ هَٰٓؤُلَآءِ قَوْمٌۭ مُّجْرِمُونَ

En hij bad toen tot zijn Heer: "Voorwaar, zij zijn een misdadig volk."

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    De uitleg van Zijn uitspraak, verheven is Hij: فَدَعَا رَبَّهُ أَنَّ هَؤُلاءِ قَوْمٌ مُجْرِمُونَ (Toen riep hij zijn Heer aan: deze lieden zijn een misdadig volk) (22)

    Hij, verheven is Zijn gedachtenis, zegt: toen riep Mūsā zijn Heer aan, toen zij hem voor leugenaar uitmaakten en niet in hem geloofden, en hem de dienaren van Allah niet uitleverden, en hem wilden doden, met de woorden dat dezen — Hij bedoelt Firʿawn en zijn volk — قَوْمٌ مُجْرِمُونَ (een misdadig volk) waren. Hij bedoelt: dat zij polytheïsten waren die deelgenoten aan Allah toekenden en ongelovig (kāfir) waren.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله تعالى : فَدَعَا رَبَّهُ أَنَّ هَؤُلاءِ قَوْمٌ مُجْرِمُونَ (22) يقول تعالى ذكره: فدعا موسى ربه إذ كذّبوه ولم يؤمنوا به, ولم يؤدّ إليه عباد الله, وهموا بقتله بأن هؤلاء, يعني فرعون وقومه ( قَوْمٌ مُجْرِمُونَ ) يعني: أنهم مشركون بالله كافرون.