Tafseer van De Versieringen · Az-Zukhruf · 43:26
En (gedenkt) toen Ibrâhîm tot zijn vader en zijn volk zei: "Voorwaar, Ik ben niet verantwoordelijk voor wat jullie aanbidden.
De uitleg van Zijn woord, de Verhevene: وَإِذْ قَالَ إِبْرَاهِيمُ لأَبِيهِ وَقَوْمِهِ إِنَّنِي بَرَاءٌ مِمَّا تَعْبُدُونَ (En toen Ibrāhīm tot zijn vader en zijn volk zei: voorwaar, ik distantieer mij van datgene wat jullie aanbidden) (26)
De Verhevene, wiens lof wordt vermeld, zegt: ( En toen Ibrāhīm tot zijn vader en zijn volk zei ) — degenen die aanbaden wat de polytheïsten van jouw volk aanbidden, o Mohammed — ( voorwaar, ik distantieer mij van datgene wat jullie aanbidden ) naast Allah. Toen loochenden zij hem, en Wij namen wraak op hen zoals Wij wraak namen op de gemeenschappen vóór hen die hun gezanten loochenden. En er is gezegd: ( إِنَّنِي بَرَاءٌ مِمَّا تَعْبُدُونَ ) (voorwaar, ik distantieer mij van datgene wat jullie aanbidden); hier is "al-barāʾ" — dat een verbaal zelfstandig naamwoord (maṣdar) is — geplaatst op de positie van een bijvoeglijke bepaling. De Arabieren gebruiken voor "al-barāʾ" geen dualis, geen meervoud en geen vrouwelijke vorm, en zo zeggen zij: "wij zijn al-barāʾ" en "al-khalāʾ" — om de reden die ik noemde, namelijk dat het een maṣdar is. Maar wanneer zij zeggen: "hij is vrij (barīʾ) van jou", dan gebruiken zij wel de dualis, het meervoud en de vrouwelijke vorm, en zeggen zij: "zij beiden zijn vrij (barīʾān) van jou" en "zij zijn vrij (barīʾūn) van jou". En er is vermeld dat het in de lezing van ʿAbd Allāh "innanī barīʾun" met de yāʾ is. En "barīʾ" kan in het meervoud "barāʾ" en "abrāʾ" worden.