Tafseer van De Vergevende · Ghafir · 40:48
Degenen die hoogmoedig waren zullen zeggen: "Voorwaar, wij bevinden ons er allen in. Voorwaar, Allah heeft geoordeeld tussen de dienaren."
Het juiste standpunt hierover is naar mijn mening dat het [woord atbāʿ] het meervoud is van zijn enkelvoud tābiʿ (volger). Het kan echter ook zijn dat het [enkelvoud] tabaʿ is, waarvan het meervoud dan atbāʿ luidt. Zo antwoordden de gevolgden hun met datgene waarover Allah over hen heeft bericht. De hovaardigen — en dat zijn de leiders die op de dwaalweg in het wereldse leven werden gevolgd — zeiden: voorwaar, wij, o volk, en jullie, wij allen verkeren in dit Vuur voor eeuwig; er is voor ons geen ontkoming daaraan. ( إِنَّ اللَّهَ قَدْ حَكَمَ بَيْنَ الْعِبَادِ ) (Voorwaar, Allah heeft reeds geoordeeld tussen de dienaren) met Zijn beslissend oordeel: Hij liet de mensen van het paradijs (janna) in het paradijs wonen en de mensen van het Vuur in het Vuur. Zo zijn wij niet uittredend uit de beproeving waarin wij verkeren, noch zijn zij overgaand uit de gelukzaligheid waarin zij verkeren.
Hij verhief Zijn woord ( كُلٌّ ) (allen) door Zijn woord ( فِيهَا ) (daarin), en plaatste het niet in de accusatief als bijstelling.
Men is van mening verschild over de toelaatbaarheid van de accusatief hierin in het taalgebruik. Sommige grammatici van Basra zeiden: indien "kull" niet in een genitiefverbinding (iḍāfa) wordt geplaatst, is de bijstelling (itbāʿ) niet toegestaan. Sommige grammatici van Koefa zeiden: dat is toegestaan zowel bij weglating [van het tweede lid van de iḍāfa] als zonder weglating, want wanneer hun zelfstandige naamwoorden worden weggelaten, volstaat men met [kull] in plaats daarvan. Wij hebben het juiste standpunt hierover reeds eerder uiteengezet, op een wijze die herhaling overbodig maakt.