Tafseer van Saad · Saad · 38:14
En er was niemand onder hen, of hij loochende de Boodschappers, zodat Mijn bestraffing bewaarheid word.
إِنْ كُلٌّ إِلا كَذَّبَ الرُّسُلَ ("Er was geen van hen of hij loochende de boodschappers") — Hij zegt: er was geen van al deze gemeenschappen of zij loochenden de boodschappers van Allah. In de lezing van ʿAbdullāh luidt het, zoals mij vermeld is: "Er was geen van hen of hij loochende de boodschappers, zodat Mijn bestraffing rechtmatig werd" (إنْ كُلٌّ لَمَّا كَذَّبَ الرُّسُل فَحَقَّ عِقَابِ) — Hij zegt: zodat de bestraffing van Allah over hen verschuldigd werd.
Zoals Bishr ons verteld heeft, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: إِنْ كُلٌّ إِلا كَذَّبَ الرُّسُلَ فَحَقَّ عِقَابِ ("Er was geen van hen of hij loochende de boodschappers, zodat Mijn bestraffing rechtmatig werd"), hij zei: dezen allen hadden de boodschappers geloochend, zodat de bestraffing (ʿadhāb) over hen rechtmatig werd.