Tabari
Terug naar surah 38, ayah 13

Tafseer van Saad · Saad · 38:13

وَثَمُودُ وَقَوْمُ لُوطٍۢ وَأَصْحَٰبُ لْـَٔيْكَةِ ۚ أُو۟لَٰٓئِكَ ٱلْأَحْزَابُ

En de Tsamôed, het volk van Lôeth en de bewoners van Aikah. Zij zijn de bondgenoten.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    De juistste van de uitspraken hierover is die van wie zei: hiermee worden de tentpinnen (al-awtād) bedoeld, hetzij om mensen te martelen, hetzij voor vermaak, waarmee men hem placht te vermaken; en dat komt doordat dit de bekende betekenis is van al-awtād (de pinnen). En ook Thamūd en het volk van Lūṭ — wij hebben de berichten over al dezen reeds eerder in dit boek van ons vermeld. وَأَصْحَابُ الأيْكَةِ (En de bewoners van al-Ayka) betekent: en de bewoners van het dichte struikgewas (al-ghayḍa).

    Abū ʿAmr ibn al-ʿAlāʾ placht — volgens wat mij is verteld op gezag van Maʿmar ibn al-Muthannā, op gezag van Abū ʿAmr — te zeggen: al-Ayka is het dichte bos van nabʿ-bomen en lotusbomen (sidr), namelijk het ineengestrengelde daarvan. De dichter zei:

    Is het soms vanwege het wenen van een duif in een struikgewas (ayka)

    dat jouw tranen neervloeien op de rug van het draagriem-gevest (al-maḥmil)? (9)

    Hiermee wordt de draagriem (maḥmil) van het zwaard bedoeld.

    En overeenkomstig wat wij hierover gezegd hebben, hebben de uitleggers (ahl al-taʾwīl) gesproken.

    * Wie dat gezegd heeft:

    Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda وَأَصْحَابُ الأيْكَةِ (En de bewoners van al-Ayka), hij zei: zij waren lieden van bomen, hij zei: en het merendeel van hun bomen waren doem-palmen.

    Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, over Zijn uitspraak وَأَصْحَابُ الأيْكَةِ (En de bewoners van al-Ayka), hij zei: de bewoners van het dichte struikgewas (al-ghayḍa).

    En Zijn uitspraak أُولَئِكَ الأحْزَابُ (Dat waren de bondgenoten) — de Verhevene, wiens gedachtenis verheven is, zegt: deze samengeschoolde groepen en de saamgespannen bondgenoten in ongehoorzaamheid aan Allah en ongeloof in Hem, tot wie, o Muḥammad, de polytheïsten van jouw volk behoren, en met wie men dezelfde weg bewandelt als met hen.

    ------------------

    De voetnoten:

    (9) Het vers is van ʿAntara al-ʿAbsī (Mukhtār al-shiʿr al-jāhilī, met commentaar van Muṣṭafā al-Saqqā, uitgave al-Ḥalabī, 387). Het is het vierde vers van een gedicht waarin hij Qays ibn Zuhayr, de aanvoerder van Tamīm in een van hun oorlogen met ʿAbs, hekelt. De commentator zei: al-Ayka is het talrijke, ineengestrengelde geboomte; en "jouw tranen vloeiden" betekent: zij stroomden; en al-maḥmil is de draagriem van het zwaard. Abū ʿUbayda voerde het aan als bewijs in Majāz al-Qurʾān (folio 213-1) en zei: al-Ayka is het dichte bos van nabʿ-bomen en lotusbomen, namelijk het ineengestrengelde daarvan; een man zei, leunend op ʿAntara: "Is het soms vanwege het wenen…" — het vers. Hiermee wordt de draagriem van het zwaard bedoeld; dat is al-ḥimāla en al-ḥamāʾil, en het meervoud van maḥmil is maḥāmil. Sommigen zeggen "Layka" (zonder de hamza af te knippen), en zij begrepen de betekenis ervan niet. Einde citaat.

    Toon originele Arabische tekst
    وأشبه الأقوال في ذلك بالصواب قول من قال: عني بذلك الأوتاد, إما لتعذيب الناس, وإما للعب, كان يُلْعَب له بها, وذلك أن ذلك هو المعروف من معنى الأوتاد, وثمود وقوم لوط، وقد ذكرنا أخبار كل هؤلاء فيما مضى قبل من كتابنا هذا.( وَأَصْحَابُ الأيْكَةِ ) يعني: وأصحاب الغَيْضَة. وكان أبو عمرو بن العلاء فِيما حُدثت عن معمر بن المثني, عن أبي عمرو يقول: الأيكة: الحَرَجَة من النبع والسدر, وهو الملتفّ منه, قال الشاعر: أفَمِــنْ بُكَــاءِ حَمَامَـةٍ فِـي أيْكَـةٍ يَـرْفَضُّ دَمْعُـكَ فَـوْقَ ظَهْـرِ المَحْمِلِ (9) يعني: مَحْمِل السيف. وبنحو الذي قلنا في ذلك قال أهل التأويل. * ذكر من قال ذلك: حدثنا بشر, قال: ثنا يزيد, قال: ثنا سعيد, عن قتادة ( وَأَصْحَابُ الأيْكَةِ ) قال: كانوا أصحاب شجر, قال: وكان عامَّة شجرهم الدوم. حدثنا محمد بن الحسين, قال: ثنا أحمد بن المفضل, قال: ثنا أسباط, عن السديّ, قوله ( وَأَصْحَابُ الأيْكَةِ ) قال: أصحاب الغَيْضَة. وقوله ( أُولَئِكَ الأحْزَابُ ) يقول تعالى ذكره: هؤلاء الجماعات المجتمعة, والأحزاب المتحزّبة على معاصي الله والكفر به, الذين منهم يا محمد مشركو قومك, وهم مسلوك بهم سبيلهم. ------------------ الهوامش : (9) البيت لعنترة العبسي (مختار الشعر الجاهلي ، بشرح مصطفى السقا طبعة الحلبي 387) وهو الرابع من قصيدة يهجو بها قيس بن زهير قائد تميم في بعض حروبها مع عبس . قال شارحه : الأيكة الشجر الكثير الملتف . وذرفت دموعك : سالت . والمحمل علاقة السيف . واستشهد به أبو عبيدة في مجاز القرآن (الورقة 213 - 1 ( وقال : الأيكة : الحرجة : من النبع والسدر . وهو الملتف قال رجل ، وهو يسند على عنترة :" أفمن بكاء ..." البيت . يعني محمل السيف . وهو الحمالة والحمائل . وجماع المحمل : محامل . وبعضهم يقول :" ليكة" . لا يقطعون الألف ، ولم يعرفوا معناها . أ هـ .