Tafseer van De in Rijen Geschaarden · As-Saaffaat · 37:91
Toen ging hij heimelijk naar hun goden en zei: "Eten jullie (dit voedsel) niet?
Zijn uitspraak فَرَاغَ إِلَى آلِهَتِهِمْ ("Toen wendde hij zich heimelijk tot hun goden"): Hij, de Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: hij neigde naar hun goden nadat zij van hem waren weggegaan en zich hadden afgewend. Ik ben van mening dat de oorsprong hiervan ligt in hun uitspraak "rāgha fulān ʿan fulān", wanneer hij van iemand afwijkt; de betekenis ervan zou dan, indien dat zo is, zijn: hij week af van zijn volk en van het uittrekken met hen, naar hun goden toe. Zoals ʿAdī ibn Zayd zei:
"Wanneer het afwijken (al-rawāgh) niet baat, en niets baat behalve de waarachtige, scherpzinnige metgezel." (1)
Met zijn uitspraak "het afwijken baat niet" bedoelt hij: het ontwijken. Wat de uitleggers (ahl al-taʾwīl) betreft, zij hebben het uitgelegd in de betekenis van "hij neigde".
* Vermelding van wie dat heeft gezegd:
Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda فَرَاغَ إِلَى آلِهَتِهِمْ: dat wil zeggen, hij neigde naar hun goden; hij zei: hij ging.
Muḥammad heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, over zijn uitspraak فَرَاغَ إِلَى آلِهَتِهِمْ, hij zei: hij ging.
En Zijn uitspraak فَقَالَ أَلَا تَأْكُلُونَ مَا لَكُمْ لَا تَنْطِقُونَ ("Toen zei hij: 'Eten jullie niet? Wat is er met jullie dat jullie niet spreken?'"): dit is een mededeling van Allah over wat Ibrāhīm tot de goden zei. In de zin is iets weggelaten, omdat de aanduiding van de zin daarop voldoende is, namelijk: en hij bracht het voedsel naar hen toe, maar zag hen niet eten, dus zei hij tegen hen: أَلَا تَأْكُلُونَ ("Eten jullie niet?"). En toen hij hen niet zag eten, zei hij tegen hen: wat is er met jullie dat jullie niet eten.
------------------------
De voetnoten:
(1) De auteur schrijft dit vers toe aan ʿAdī ibn Zayd al-ʿIbādī, maar ik heb het niet aangetroffen in zijn biografie in de Aghānī, noch in zijn dichtwerk bij de dichters van het christendom. Wellicht behoort het tot zijn qaṣīda die begint met "Arwāḥu mudawwiʿin am bukūru". De auteur haalt het aan bij Zijn, de Verhevene, uitspraak: "Toen wendde hij zich tot hen, hen slaande met de rechterhand," om aan te tonen dat de betekenis van "rāgha" is: hij week af. Sommigen hebben het uitgelegd als "hij neigde". In al-Lisān, [lemma] "rawgh": "rāgha yarūghu rawghan wa rawaghānan" betekent: hij week af. En "rāgha ilā kadhā" betekent: hij neigde er heimelijk naartoe en week af.
En Zijn, de Verhevene, uitspraak "Toen wendde hij zich tot hen slaande" betekent: hij neigde en kwam op hen af. Einde. En in [al-Lisān, lemma] "naḥr": al-niḥr (met kasra op de nūn) en al-niḥrīr is de bekwame, deskundige, verstandige, ervaren persoon. Er is ook gezegd: al-niḥrīr is de schrandere, scherpzinnige, nauwgezette man met inzicht in alle zaken. Het meervoud ervan is al-naḥārīr. Einde.
En al-Farrāʾ zei in Maʿānī al-Qurʾān, 273: "Toen wendde hij zich tot hen, hen slaande met de rechterhand" betekent: hij neigde naar hen, hen slaande, en hij maakte gebruik van hun afzondering van de mensen van hun geloof. En in de lezing van ʿAbd Allāh (dat wil zeggen Ibn Masʿūd): "Toen wendde hij zich tot hen, [hen] slaande (ṣafqan) met de rechterhand."