Tafseer van De in Rijen Geschaarden · As-Saaffaat · 37:75
En voorzeker, Nôeh riep Ons aan, en Wij zijn zeker de beste verhorenden.
Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak, de Verhevene: وَلَقَدْ نَادَانَا نُوحٌ فَلَنِعْمَ الْمُجِيبُونَ — "En voorzeker, Nūḥ riep Ons aan, en hoe voortreffelijk waren Wij als Verhoorders" (37:75).
De Verhevene, wiens lof wordt vermeld, zegt: voorzeker, Nūḥ riep Ons aan met zijn verzoek aan Ons om de ondergang van zijn volk, en hij zei: رَبِّ إِنِّي دَعَوْتُ قَوْمِي لَيْلا وَنَهَارًا * فَلَمْ يَزِدْهُمْ دُعَائِي إِلا فِرَارًا — ("Mijn Heer, voorwaar, ik heb mijn volk nacht en dag opgeroepen, maar mijn oproep deed hen slechts in vlucht toenemen") ... tot aan Zijn uitspraak رَبِّ لا تَذَرْ عَلَى الأَرْضِ مِنَ الْكَافِرِينَ دَيَّارًا — ("Mijn Heer, laat op de aarde geen enkele bewoner van de ongelovigen (al-kāfirīn) over"). En Zijn uitspraak ( فَلَنِعْمَ الْمُجِيبُونَ ) zegt: hoe voortreffelijk waren Wij als Verhoorders voor hem toen hij Ons aanriep, want Wij verhoorden zijn smeekbede en deden zijn volk ten onder gaan.