Tabari
Terug naar surah 37, ayah 48

Tafseer van De in Rijen Geschaarden · As-Saaffaat · 37:48

وَعِندَهُمْ قَٰصِرَٰتُ ٱلطَّرْفِ عِينٌۭ

En bij hen zijn schonen met ingetogen blikken, met mooie ogen.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak, de Verhevene: wa-ʿindahum qāṣirātu al-ṭarfi ʿīnun (48) ("en bij hen zijn er die de blik neerslaan, met grote ogen")

    De Verhevene, wiens roem is verheven, zegt: en bij deze oprechte dienaren van Allah in het paradijs (janna) bevinden zich vrouwen die de blik neerslaan (qāṣirātu al-ṭarf); dat zijn de vrouwen die hun blikken beperkt houden tot hun echtgenoten, geen ander dan hen verlangen, en hun ogen niet naar een ander dan hen uitstrekken.

    En in overeenstemming met wat wij hierover gezegd hebben, hebben de mensen van de uitleg (tafsīr) gesproken.

    * Vermelding van wie dat zei:

    ʿAlī heeft mij verteld, hij zei: Abū Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī, op gezag van Ibn ʿAbbās, wa-ʿindahum qāṣirātu al-ṭarfi ʿīnun: hij zegt: weg van een ander dan hun echtgenoten.

    Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld; en al-Ḥārith heeft mij verteld, hij zei: al-Ḥasan heeft ons verteld, hij zei: Warqāʾ heeft ons verteld, beiden op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, wa-ʿindahum qāṣirātu al-ṭarfi ʿīnun: hij zei: tot hun echtgenoten; al-Ḥārith voegde in zijn overlevering toe: zij begeren geen ander dan hen.

    Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, over Zijn uitspraak wa-ʿindahum qāṣirātu al-ṭarfi: hij zei: zij beperkten hun blikken en hun harten tot hun echtgenoten, en verlangen geen ander dan hen.

    Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, hij zei: het is ook overgeleverd van Manṣūr, op gezag van Mujāhid, hetzelfde.

    Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, wa-ʿindahum qāṣirātu al-ṭarfi: hij zei: zij beperkten hun blik tot hun echtgenoten, en verlangen geen ander dan hen.

    Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei, over de uitspraak van Allah qāṣirātu al-ṭarfi: hij zei: zij kijken slechts naar hun echtgenoten; zij hebben hun blikken beperkt tot hun echtgenoten; zij zijn niet zoals de vrouwen van de mensen van deze wereld.

    En Zijn uitspraak ʿīnun: met "al-ʿīn" worden de wijdgeopende, grote ogen bedoeld; het is het meervoud van "ʿaynāʾ", en de "ʿaynāʾ" is de vrouw met wijde, grote ogen, en dat is het mooiste wat ogen kunnen zijn.

    En in overeenstemming met wat wij hierover gezegd hebben, hebben de mensen van de uitleg (tafsīr) gesproken.

    * Vermelding van wie dat zei:

    Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, over Zijn uitspraak ʿīnun: hij zei: grote ogen.

    Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei, over Zijn uitspraak ʿīnun: hij zei: de "ʿaynāʾ": die met het grote oog.

    Aḥmad ibn ʿAbd al-Raḥmān ibn Wahb heeft ons verteld, hij zei: Muḥammad ibn al-Faraj al-Ṣadafī al-Dimyāṭī heeft ons verteld, op gezag van ʿAmr ibn Hāshim, op gezag van Ibn Abī Karīma, op gezag van Hishām ibn Ḥassān, op gezag van zijn vader, op gezag van Umm Salama, de echtgenote van de Profeet ﷺ, dat zij zei: ik zei: o Boodschapper van Allah, vertel mij over de uitspraak van Allah ḥūrun ʿīnun. Hij zei: "Al-ʿīn: de zeer grote ogen; de ooglid-rand van de ḥawrāʾ is als de vleugel van de adelaar."

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله تعالى : وَعِنْدَهُمْ قَاصِرَاتُ الطَّرْفِ عِينٌ (48) يقول تعالى ذكره: وعند هؤلاء المخلصين من عباد الله في الجنة قاصرات الطرف، وهن النساء اللواتي قصرن أطرافهن على بعولتهن، لا يردن غيرهم، ولا يمددن أبصارهن إلى غيرهم. وبنحو الذي قلنا في ذلك قال أهل التأويل. * ذكر من قال ذلك: حدثني علي، قال: ثنا أبو صالح، قال: ثني معاوية، عن علي، عن ابن عباس ( وَعِنْدَهُمْ قَاصِرَاتُ الطَّرْفِ عِينٌ ) يقول: عن غير أزواجهن. حدثني محمد بن عمرو، قال: ثنا أبو عاصم، قال: ثنا عيسى; وحدثني الحارث، قال: ثنا الحسن، قال: ثنا ورقاء جميعا، عن ابن أبي نجيح، عن مجاهد ( وَعِنْدَهُمْ قَاصِرَاتُ الطَّرْفِ عِينٌ ) قال: على أزواجهن; زاد الحارث في حديثه: لا تبغي غيرهم. حدثنا محمد بن الحسين، قال: ثنا أحمد، قال: ثنا أسباط، عن السدي، في قوله ( وَعِنْدَهُمْ قَاصِرَاتُ الطَّرْفِ ) قال: قصرن أبصارهن وقلوبهن على أزواجهن، فلا يردن غيرهم. حدثنا محمد بن الحسين، قال: ثنا أحمد، قال: ثنا أسباط، عن السدي، قال: ذُكر أيضا عن منصور، عن مجاهد ، مثله. حدثنا بشر، قال: ثنا يزيد، قال: ثنا سعيد، عن قتادة ( وَعِنْدَهُمْ قَاصِرَاتُ الطَّرْفِ ) قال: قَصَرْن طرفهن على أزواجهن، فلا يُردن غيرهم. حدثني يونس، قال: أخبرنا ابن وهب، قال: قال ابن زيد، في قول الله (قاصرات الطرف) قال: لا ينظرن إلا إلى أزواجهن، قد قَصَرْن أطرافهن على أزواجهن، ليس كما يكون نساء أهل الدنيا. وقوله (عِينٌ) يعني بالعين: النُّجْلَ العيون عِظامها، وهي جمع عيناء، والعيناء: المرأة الواسعة العين عظيمتها، وهي أحسن ما تكون من العيون. ونحو الذي قلنا في ذلك قال أهل التأويل. * ذكر من قال ذلك: حدثنا محمد بن الحسين، قال: ثنا أحمد، قال: ثنا أسباط، عن السدي، في قوله (عِينٌ) قال: عظام الأعين. حدثني يونس، قال: أخبرنا ابن وهب، قال: قال ابن زيد، في قوله (عِينٌ) قال: العيناء: العظيمة العين. حدثنا أحمد بن عبد الرحمن بن وهب، قال: ثنا محمد بن الفرج الصَّدَفي الدِّمْياطي، عن عمرو بن هاشم، عن ابن أبي كريمة، عن هشام بن حسان، عن أبيه، عن أم سلمة زوج النبي صَلَّى الله عَلَيْهِ وَسَلَّمَ أنها قالت: قلت: يا رسول الله أخبرني عن قول الله: ( حُورٌ عِينٌ ) قال: " العِينُ: الضِّخَامُ العُيونِ; شُفْر الحُورَاء بمَنـزلَة جَناحِ النِّسْرِ" .