Tafseer van De in Rijen Geschaarden · As-Saaffaat · 37:30
Ea wij hadden geen macht over jullie. Jullie waren zelfs een overtredend volk.
wa-mā kāna lanā ʿalaykum min sulṭānin ("en wij hadden geen macht over jullie"): Hij zegt: zij zeiden: en wij hadden geen bewijs (ḥujja) over jullie waarmee wij jullie van het geloof (īmān) konden afhouden en waarmee wij ons tussen jullie en het volgen van de waarheid konden plaatsen. bal kuntum qawman ṭāghīna ("nee, jullie waren een opstandig volk"): Hij zegt: zij zeiden tot hen: nee, jullie waren, o polytheïsten (mushrikīn), een tegen Allah opstandig volk, dat zich te buiten ging aan datgene waartoe jullie geen recht hadden je te buiten te gaan, namelijk ongehoorzaamheid aan Allah en het ingaan tegen Zijn gebod.
En in overeenstemming met wat wij hierover gezegd hebben, hebben de mensen van de uitleg (tafsīr) gesproken.
* Vermelding van wie dat zei:
Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, hij zei: de djinn (jinn) zeiden tot hen bal lam takūnū muʾminīna ("nee, jullie waren geen gelovigen") tot aan qawman ṭāghīna ("een opstandig volk").
Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, over Zijn uitspraak wa-mā kāna lanā ʿalaykum min sulṭānin: hij zei: het bewijs (ḥujja). En over Zijn uitspraak bal kuntum qawman ṭāghīna: hij zei: dwalende ongelovigen (kuffār).