Tabari
Terug naar surah 37, ayah 130

Tafseer van De in Rijen Geschaarden · As-Saaffaat · 37:130

سَلَٰمٌ عَلَىٰٓ إِلْ يَاسِينَ

Vrede zij met Ilyâs.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    Het woord over de uitleg van de uitspraak van de Verhevene: سَلامٌ عَلَى إِلْ يَاسِينَ ("Vrede zij over Il-Yāsīn") (37:130).

    De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: een vrijwaring van Allah voor het geslacht van Yāsīn.

    De Qurʾān-reciteurs zijn van mening verschild over de lezing van Zijn uitspraak: سَلامٌ عَلَى إِلْ يَاسِينَ ("Vrede zij over Il-Yāsīn"). De meeste reciteurs van Mekka, Basra en Kūfa lazen het: ( سَلامُ عَلى إلْياسِينَ ) met een kasra op de alif van "Ilyāsīn". Sommigen van hen zeiden dan: het is de naam van Ilyās, en zij zeiden: hij werd met twee namen genoemd: Ilyās en Ilyāsīn, zoals Ibrāhīm en Ibrāhām. Zij voerden als bewijs daarvoor aan dat alles wat in deze soera staat aan Zijn woord سَلامٌ ("Vrede") een vrede is over de profeet die genoemd is, niet over diens geslacht, en zo is het ook met Ilyāsīn: het is slechts een vrede over Ilyās, niet over zijn geslacht.

    Sommige taalgeleerden van het Arabisch zeiden: Ilyās is een naam uit de Hebreeuwse namen, zoals hun woorden Ismāʿīl en Isḥāq, en de alif en de lām maken er deel van uit. En hij zei: als je het tot een Arabisch woord zou maken, afgeleid van al-ils, dan zou je het tot een ifʿāl-vorm maken, zoals al-ikhrāj ("het uitbrengen") en al-idkhāl ("het inbrengen"), en het zou dan [grammaticaal] verbogen worden (met tanwīn). En hij zei: Hij zei: "Vrede zij over Ilyāsīn", en maakte het met een nūn. En met het uitheemse onder de namen doen de Arabieren wel zoiets: zij zeggen Mīkāl, Mīkāʾīl en Mīkāʾīn. En bij de Banū Asad zeggen zij: "Deze Ismāʿīn is gekomen", terwijl de overige Arabieren het met een lām zeggen. Hij zei: En een van de Banū Numayr heeft mij [een vers] voorgedragen, over een woestijnhagedis die hij gevangen had:

    De heer van de markt zegt, toen wij kwamen: "Dit is, bij de Heer van het Huis, Isrāʾīn!" (1)

    Hij zei: Dit is dus zoals Zijn woord "Ilyāsīn". Hij zei: En als je wilt, kun je "Ilyāsīn" opvatten als een meervoud, zodat je zijn metgezellen in zijn naam laat meedelen, zoals je tot een volk waarvan het hoofd al-Muhallab is, zegt: "De Muhālaba en de Muhallabūn zijn tot jullie gekomen." Het zou dan op gelijke voet staan met hun woorden al-Ashʿarīn (met verlichting/zonder tashdīd) en al-Saʿdīn (met verlichting) en dergelijke. De dichter zei:

    Ik ben de zoon van Saʿd, de heer van de Saʿdīn (2)

    Hij zei: En bij twee [personen] geldt dat de een bij de ander gevoegd wordt wanneer deze als naam bekender is, zoals het woord van de dichter:

    De twee Zahdams hebben mij een slechte beloning gegeven, terwijl ik de man was die met eerbetoon beloond placht te worden. (3)

    En de naam van een van hen is Zahdam. En een ander zei:

    Moge Allah de twee eenogigen daarin met laakbaarheid vergelden, en Farwa, [die was als] de drek van de scheve, krombekkige koe. (4)

    En de naam van een van hen is Aʿwar ("de eenogige").

    De meeste reciteurs van Medina lazen dat: "Salāmun ʿalā āli Yāsīn" ("Vrede zij over het geslacht van Yāsīn"), met afscheiding van "āl" van "Yāsīn". Sommigen van hen legden dat uit in de betekenis van: vrede zij over het geslacht van Muḥammad. En er is van sommige reciteurs overgeleverd dat hij Zijn uitspraak وَإِنَّ إِلْيَاسَ ("En voorwaar, Ilyās") las met weglating van de hamza in "Ilyās", en dat hij de alif en de lām als bepalend lidwoord op "Yās" liet vallen, en hij zei: zijn naam was slechts "Yās", waarop een alif en een lām werden toegevoegd. Vervolgens las hij op grond daarvan: "Salāmun ʿalā Ilyāsīn".

    Het juiste van de lezing daarin is volgens ons de lezing van wie het las: سَلامٌ عَلَى إِلْ يَاسِينَ ("Vrede zij over Il-Yāsīn") met een kasra op de alif ervan, naar het model van "Idrāsīn". Want Allah, de Verhevene wiens vermelding verheven is, heeft op elke plaats waar Hij in deze soera een van Zijn profeten — Allahs zegeningen over hen — genoemd heeft, bericht dat over hém een vrede rust, niet over zijn geslacht. Zo behoort ook de vrede op deze plaats over Ilyās te zijn, zoals Zijn vrede over de overige van Zijn profeten, niet over zijn geslacht, op de wijze die wij van de betekenis daarvan hebben uiteengezet.

    En als iemand vermoedt dat Ilyāsīn iets anders is dan Ilyās, dan ligt in wat wij hebben weergegeven van de argumentatie van degene die betoogde dat Ilyāsīn [identiek is aan] Ilyās, voldoende [bewijs], zonder dat daar nog iets aan toegevoegd hoeft te worden.

    Bovendien is er datgene wat Muḥammad ibn al-Ḥusayn ons verteld heeft, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: سَلامٌ عَلَى إِلْ يَاسِينَ ("Vrede zij over Il-Yāsīn"), hij zei: [dat is] Ilyās.

    En in de lezing van ʿAbd Allāh ibn Masʿūd: "Salāmun ʿalā Idrāsīn" — daarin ligt een duidelijke aanwijzing voor de onjuistheid van het woord van wie zei: hiermee wordt bedoeld "vrede zij over het geslacht van Muḥammad", en voor de ondeugdelijkheid van de lezing van wie las: "Wa-inna Ilyāsa" met het verbinden van de nūn van "inna" met "al-Yās", en met het opvatten van de alif en de lām daarin als toegevoegd ter bepaling van de naam die "Yās" is. Dat is omdat ʿAbd Allāh placht te zeggen: Ilyās is Idrīs, en hij las: "Wa-inna Idrīsa la-mina l-mursalīn", en vervolgens las hij op grond daarvan: "Salāmun ʿalā Idrāsīn", zoals de anderen lazen: سَلامٌ عَلَى إِلْ يَاسِينَ ("Vrede zij over Il-Yāsīn") met afscheiding van "al-āl" van "Yāsīn". En vergelijkbaar met het benoemen van Ilyās met "Il-Yāsīn" is [het woord]: وَشَجَرَةً تَخْرُجُ مِنْ طُورِ سَيْنَاءَ ("En een boom die voortkomt uit de berg Sīnāʾ"), [waarna] Hij vervolgens op een andere plaats zei: وَطُورِ سِينِينَ ("En de berg Sīnīn"), terwijl het één en dezelfde plaats is die met die [twee namen] genoemd wordt.

    ------------------------

    Voetnoten:

    (1) Deze twee verzen behoren tot de bewijsplaatsen van al-Farrāʾ in Maʿānī al-Qurʾān (fotokopie van het universiteitsexemplaar, blz. 274). Hij zei: En Zijn woord "Wa-inna Ilyāsa la-mina l-mursalīn": er is vermeld dat hij een profeet was, en dat deze naam een naam is uit de Hebreeuwse namen, zoals hun woorden Ismāʿīl en Isḥāq, en de alif en de lām maken er deel van uit. En als je het tot een Arabisch woord zou maken, afgeleid van de alif, dan zou je het tot een ifʿāl-vorm maken, zoals al-ikhrāj en al-idkhāl, en het zou [grammaticaal] verbogen worden (d.w.z. met tanwīn). Vervolgens zei Hij: "Salāmun ʿalā Ilyāsīn", en maakte het met een nūn. En met het uitheemse onder de namen doen de Arabieren wel zoiets: zij zeggen Mīkāl, Mīkāʾīl en Mīkāʾīn, met een nūn. En dit is bij de Banū Asad, zij zeggen: "Deze Ismāʿīn is gekomen", met een nūn, terwijl de overige Arabieren het met een lām zeggen. Hij zei: En een van de Banū Numayr heeft mij voorgedragen, over een woestijnhagedis die een van hen gevangen had: "De heer van de markt zegt..." — de twee verzen. Dit is dus een vorm voor Zijn woord "Ilyāsīn". In Majāz al-Qurʾān (fotokopie van het universiteitsexemplaar, blad 210-1) zei Abū ʿUbayda: "Salāmun ʿalā Ilyāsīn": dat wil zeggen, vrede zij over Ilyās en zijn familie, en over de aanhangers van zijn religie tezamen, zonder toevoeging van de yāʾ op grond van het getal [meervoud]. De dichter zei:

    Mij volstaat van de overwinning van de twee geliefden — mij volstaat het!

    Zo maakte ʿAbd Allāh ibn al-Zubayr [van de naam] Abū Khubayb [een verkleinwoord] en [behandelde] wie zijn mening deelde als een getal [meervoud], en voegde hen niet samen met de yāʾ — dat wil zeggen, hij rekende hen niet tot hem met de nisba-yāʾ — zodat hij zou zeggen "Khubaybiyyūn". En Abū ʿAmr ibn al-ʿAlāʾ zei: een omroeper riep op de dag van al-Kilāb en zei: "De Yazīds zijn omgekomen", waarmee hij Yazīd ibn ʿAbd al-Madān, Yazīd ibn Hawbar en Yazīd ibn Makhrama, de Ḥārithieten, bedoelde. En men zegt: "De Ḥārithieten en de Ashʿarieten zijn tot je gekomen."

    (2) En ook dit behoort tot de bewijsplaatsen van al-Farrāʾ in Maʿānī al-Qurʾān; het komt na de bewijsplaats die eraan voorafgaat. Al-Farrāʾ zei, na zijn voorgaande woorden dat "Ilyāsīn" bij de Banū Asad een variant is van "Ilyās": En als je wilt, kun je "Ilyāsīn" opvatten als een meervoud, zodat je zijn metgezellen in zijn naam laat meedelen, zoals je tot het volk waarvan het hoofd al-Muhallab is, zegt: "De Muhālaba en de Muhallabūn zijn tot jullie gekomen", zodat het op gelijke voet staat met Zijn woord: al-Ashʿarīn en al-Saʿdīn en dergelijke. De dichter zei: "Ik ben de zoon van Saʿd..." — het vers. En dit lijkt op de woorden van Abū ʿUbayda in Majāz al-Qurʾān, die wij aan het einde van de voorgaande bewijsplaats hebben weergegeven.

    (3) Dit is de derde bewijsplaats voor de lezing van Zijn woord "Salāmun ʿalā Ilyāsīn". Al-Farrāʾ en Abū ʿUbayda hebben het in hun beider boeken overgeleverd. Al-Farrāʾ zei, na zijn voorgaande woorden: En bij twee [personen] is het gebruikelijker dat de een bij de ander gevoegd wordt, wanneer deze als naam bekender is, zoals het woord van de dichter: "De twee Zahdams hebben mij gegeven... het vers." En de naam van een van hen is Zahdam. En Abū ʿUbayda zei: En zo zegt men het ook bij twee [personen]. En hij droeg het vers voor en schreef het toe aan Qays ibn Zuhayr. Vervolgens zei hij erna: En het zijn slechts Zahdam en Kardam, de twee ʿAbsieten: twee broers. En tegen ʿAlī ibn Abī Ṭālib werd gezegd: "Wij vragen u om de sunna van de twee ʿUmars" — waarmee zij Abū Bakr en ʿUmar bedoelden, moge Allah met hen beiden tevreden zijn. Vervolgens vermeldde Abū ʿUbayda daarna nog een andere wijze en zei: De mensen van Medina zeggen: "Salāmun ʿalā āli Yāsīn", dat wil zeggen: over de familie van Yāsīn. Saʿd ibn Abī Waqqāṣ, Abū ʿAmr en de mensen van Sham zeiden: zij zijn zijn volk en wie met hem op zijn religie was. En de Shīʿa zeiden: het geslacht van Muḥammad, dat zijn de mensen van zijn huis. En zij voerden als bewijs aan dat je "al-āl" verkleint en er "uhayl" van maakt. Einde [citaat]. En na zijn voorgaande woorden over het onderwerp vermeldde hij nog een andere wijze en zei: En sommigen hebben gelezen: "Wa-inna Ilyāsa", waarbij men zijn naam "Yās" maakt, waarop de alif en de lām zijn toegevoegd. Vervolgens lezen zij: "Salāmun ʿalā āli Yāsīn". In de tafsīr van al-Kalbī kwam de uitleg: "over het geslacht van Yāsīn": over het geslacht van Muḥammad, vrede en zegeningen zij over hem. En de eerste [opvatting] is het meest in overeenstemming met het juiste, en Allah weet het beste, omdat in de lezing van ʿAbd Allāh (d.w.z. Ibn Masʿūd) staat: "Wa-inna Idrīsa la-mina l-mursalīn", "Salāmun ʿalā Idrāsīn". En getuige van de juistheid hiervan kan Zijn woord zijn: "Wa-shajaratan takhruju min ṭūri Sīnāʾ", waarna Hij vervolgens op een andere plaats zei: "Wa-ṭūri Sīnīn", terwijl het één en dezelfde betekenis is. En Allah weet het beste.

    (4) Dit is de vierde bewijsplaats in hetzelfde onderwerp; al-Farrāʾ heeft het in Maʿānī al-Qurʾān voorgedragen, na de voorgaande. En de auteur van al-Lisān heeft het voorgedragen onder [de wortel] ḍjm, en schreef het toe aan al-Akhṭal, met de lezing "malāma" ("blaam") op de plaats van "dhamāma" ("laakbaarheid"). Hij zei: al-ḍajam is de kromming in de neus, die naar een van zijn beide zijden neigt. En al-mutaḍājim is degene met een scheve mond. Al-Akhṭal zei: "Jazā llāhu... het vers." En Farwa is de naam van een man. Einde [citaat]. En de plaats van de bewijsvoering daarin is zijn woord "al-aʿwarayn" ("de twee eenogigen"), geheel zoals bij het voorgaande.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله تعالى : سَلامٌ عَلَى إِلْ يَاسِينَ (130) يقول تعالى ذكره: أمنة من الله لآل ياسين. واختلفت القرّاء في قراءة قوله ( سَلامٌ عَلَى إِلْ يَاسِينَ ) فقرأته عامة قرّاء مكة والبصرة والكوفة: ( سَلامُ عَلى إلْياسِينَ ) بكسر الألف من إلياسين ، فكان بعضهم يقول: هو اسم إلياس، ويقول: إنه كان يُسمى باسمين: إلياس، وإليا سين مثل إبراهيم، وإبراهام; يُستشهد على ذلك أن ذلك كذلك بأن جميع ما في السورة من قوله ( سَلامٌ ) فإنه سلام على النبي الذي ذكر دون آله، فكذلك إلياسين ، إنما هو سلام على إلياس دون آله. وكان بعض أهل العربية يقول: إلياس: اسم من أسماء العبرانية، كقولهم: إسماعيل وإسحاق، والألف واللام منه، ويقول: لو جعلته عربيا من الإلس، فتجعله إفعالا مثل الإخراج، والإدخال أجْري ; ويقول: قال: سلام على إلياسين، فتجعله بالنون، والعجمي من الأسماء قد تفعل به هذا العرب، تقول: ميكال وميكائيل وميكائيل، وهي في بني أسد تقول: هذا إسماعين قد جاء، وسائر العرب باللام; قال: وأنشدني بعض بني نمير لضب صاده: يَقُــولُ رَبُّ السُّــوقِ لَمَّــا جِيْنـا هَـــذَا وَرَبّ البَيْـــتِ إسْــرَائِينا (1) قال: فهذا كقوله إلياسين; قال: وإن شئت ذهبت بإلياسين إلى أن تجعله جمعا، فتجعل أصحابه داخلين في اسمه، كما تقول لقوم رئيسهم المهلب: قد جاءتكم المهالبة والمهلبون، فيكون بمنـزلة قولهم الأشعرين بالتخفيف، والسعدين بالتخفيف وشبهه، قال الشاعر : أنا ابْنُ سَعْدٍ سَيِّدِ السَّعْدِينَا (2) قال: وهو في الاثنين أن يضمّ أحدهما إلى صاحبه إذا كان أشهر منه اسما كقول الشاعر : جَــزَانِي الزَّهْدَمَــانِ جَـزاءَ سَـوْءٍ وكُــنتُ المَــرْءَ يُجْـزَى بالكَرَامَـةْ (3) واسم أحدهما: زهدم; وقال الآخر: جَـزَى اللـه فِيهـا الأعْـوَرَيْنِ ذَمَامَةً وَفَــرْوَةَ ثَفْــرَ الثَّـوْرَةِ المُتَضَـاجِمِ (4) واسم أحدهما أعور. وقرأ ذلك عامة قرّاء المدينة: " سَلام عَلى آل يَاسِينَ" بقطع آل من ياسين، فكان بعضهم يتأول ذلك بمعنى: سلام على آل محمد. وذُكر عن بعض القرّاء أنه كان يقرأ قوله وَإِنَّ إِلْيَاسَ بترك الهمز في إلياس ويجعل الألف واللام داخلتين على " ياس " للتعريف، ويقول: إنما كان اسمه " ياس " أدخلت عليه ألف ولام ثم يقرأ على ذلك: " سلام على إلياسين ". والصواب من القراءة في ذلك عندنا قراءة من قرأه: ( سَلامٌ عَلَى إِلْ يَاسِينَ ) بكسر ألفها على مثال إدراسين، لأن الله تعالى ذكره إنما أخبر عن كل موضع ذكر فيه نبيا من أنبيائه صلوات الله عليهم في هذه السورة بأن عليه سلاما لا على آله، فكذلك السلام في هذا الموضع ينبغي أن يكون على إلياس كسلامه على غيره من أنبيائه، لا على آله، على نحو ما بيَّنا من معنى ذلك. فإن ظنّ ظانّ أن إلياسين غير إلياس، فإن فيما حكينا من احتجاج من احتج بأن إلياسين هو إلياس غني عن الزيادة فيه. مع أن فيما حدثنا محمد بن الحسين، قال: ثنا أحمد بن المفضل، قال: ثنا أسباط، عن السديّ( سَلامٌ عَلَى إِلْ يَاسِينَ ) قال: إلياس. وفي قراءة عبد الله بن مسعود: " سَلامٌ عَلى إدْرَاسِينَ" دلالة واضحة على خطأ قول من قال: عنى بذلك سلام على آل محمد، وفساد قراءة من قرأ: " وإنَّ إلياسَ" بوصل &; 21-104 &; النون من " إن " بالياس، وتوجيه الألف واللام فيه إلى أنهما أدخلتا تعريفا للاسم الذي هو ياس، وذلك أن عبد الله كان يقول: إلياس هو إدريس، ويقرأ: " وَإِنَّ إدْرِيسَ لَمِنَ الْمُرْسَلِينَ"، ثم يقرأ على ذلك: " سَلامٌ عَلَى إدْرَاسِينَ"، كما قرأ الآخرون: ( سَلامٌ عَلَى إِلْ يَاسِينَ ) بقطع الآل من ياسين. ونظير تسمية إلياس بإل ياسين : وَشَجَرَةً تَخْرُجُ مِنْ طُورِ سَيْنَاءَ [ثم قال في موضع آخر: وَطُورِ سِينِينَ وهو موضع واحد سمي بذلك. ------------------------ الهوامش: (1) هذان البيتان من شواهد الفراء في معاني القرآن (مصورة الجامعة ص 274) قال : وقوله :" وإن إلياس لمن المرسلين" : ذكر أنه نبي ، وأن هذا الاسم اسم من أسماء العبرانية ، كقولهم : إسماعيل وإسحاق ، والألف واللام منه . ولو جعلته عربيا من الألف فتعجل إفعالا . مثل الإخراج والإدخال ، لجرى (أي صرف) . ثم قال :" سلام على إلياسين" ، فجعله بالنون ، والعجمي من الأسماء قد يفعل به هذا العرب ، تقول : ميكال وميكائيل وميكائين ، بالنون ، وهي في بني أسد ، يقولون : هذا إسماعين قد جاء ، بالنون ، وسائر العرب باللام . قال : وأنشدني بعض بني نمير لضب صاده بعضهم :"يقول أهل السوق .... البيتين . فهذا وجه لقوله" إلياسين" في (مجاز القرآن : مصورة الجامعة الورقة 210 - 1) قال أبو عبيدة :"سلام على إلياسين" : أي سلام على إلياس وأهله ، وعلى أهل دينه جميعهم ، بغير إضافة إلياء على العدد . قال الشاعر قـدني مـن نصـر الحـبيبين قـدي فجعل عبدالله بن الزبير أبا خبيب" مصغرا" ومن كان على رأيه عددا ولم يضفهما بالياء" أي لم ينسبهم إليه بياء النسب" فيقول خبيبيون وقال أبو عمر وبن العلاء : نادى مناد يوم الكلاب فقال : هلك اليزيدون . يعني يزيد بن عبدالمدان ، ويزيد بن هوبر ، ويزيد بن مخرمة الحارثيون . ويقال : جاءك الحارثون والأشعرون . (2) وهذا أيضا من شواهد الفراء في معاني القرآن ، جاء بعد الشاهد الذي قبله . قال الفراء بعد كلامه السابق في أن إلياسين لغة في إلياس عند بني أسد : وإن شئت ذهبت" بإلياسين" على أن تجعله جمعا ، فتجعل أصحابه داخلين في اسمه ، كما تقول للقوم رئيسهم المهلب : قد جاءتكم المهالبة والمهلبون ، فيكون بمنزلة قوله : الأشعرين والسعدين وشبهه . قال الشاعر :" أنا ابن سعد ..." البيت . وهذا يشبه كلام أبي عبيدة في مجاز القرآن ، وقد نقلناه في آخر الشاهد السابق على هذا. (3) هذا الشاهد الثالث على قراءة قوله تعالى" سلام على إلياسين" . نقله الفراء وأبو عبيدة في كتابيهما . قال الفراء بعد كلامه السابق : وهو في الاثنين أكثر أن يضم أحدهما إلى صاحبه ، إذا كان أشهر منه اسما ، كقول الشاعر :" جزاني الزهدمان ... البيت" . واسم أحدهما زهدم . وقال أبو عبيدة : وكذلك يقال في الاثنين . وأنشد البيت ، ونسبه إلى قيس بن زهير . ثم قال بعده : وإنما هو زهدم وكردم العبسيان : أخوان . وقيل لعلي بن أبي طالب : نسألك سنة العمرين : يعنون أبا بكر وعمر رضي الله عنهما . ثم ذكر أبو عبيدة بعد ذلك وجها آخر فقال : إن أهل المدينة يقولون :" سلام على آل ياسن" أي على أهل ياسين . فقال سعد بن أبي وقاص وأبو عمرو وأهل الشام : هم قومه ومن كان معه على دينه . وقالت الشيعة : آل محمد : أهل بيته . واحتجوا بأنك تصغر الآل ، فتجعله أهيلا. ا هـ . وذكر بعد كلامه السابق في الموضوع وجها آخر فقال : وقد قرأ بعضهم :" وإن إلياس" يجعل اسمه" ياسا" أدخل عليه الألف واللام . ثم يقرءون :" سلام على آل ياسين" . جاء التفسير في تفسير الكلبي : على آل ياسين : على آل محمد صلى الله عليه وسلم والأول أشبه بالصواب والله أعلم ، لأن في قراءة عبدالله (يعني ابن مسعود) :" وإن إدريس لمن المرسلين"" سلام على إدراسين" . وقد يشهد على صواب هذا قوله :" وشجرة تخرج من طور سيناء" . ثم قال في موضع آخر :" وطور سينين" . وهو معنى واحد . والله أعلم . (4) هذا هو الشاهد الرابع في الموضوع نفسه ، أنشده الفراء في معاني القرآن بعد سابقه . وأنشده صاحب اللسان في ضجم ، ونسبه إلى الأخطل ، وروايته فيه" ملامة" في موضع" ذمامة" . وقال : الضجم : العوج في الأنف ، يميل إلى أحد شقيه . والمتضاجم : المعوج الفم قال الأخطل :" جزى الله ... البيت" . وفروة : اسم رجل . ا هـ . وموضع الشاهد فيه قوله" الأعورين" كالذي قبله تماما .