Tafseer van Yaa-Sien · Yaseen · 36:78
En hij geeft Ons een voorbeeld, terwijl hij vergeet hoe hij zelf geschapen is. Hij zei: "Wie doet de beenderen tot leven komen, terwijl ze gruis zijn?"
En Zijn uitspraak ( وَضَرَبَ لَنَا مَثَلا وَنَسِيَ خَلْقَهُ ) ("en hij heeft Ons een vergelijking voorgehouden en zijn eigen schepping vergeten"): Hij zegt: en hij heeft Ons een gelijkenis voorgehouden met zijn woorden ( مَنْ يُحْيِي الْعِظَامَ وَهِيَ رَمِيمٌ ) ("wie doet de beenderen herleven wanneer zij vergaan zijn?"), aangezien niemand in staat is dat tot leven te wekken. Hij zegt: hij stelde Ons dus gelijk aan iemand die niet in staat is dat van de schepping tot leven te wekken. ( وَنَسِيَ خَلْقَهُ ) ("en hij heeft zijn eigen schepping vergeten"): Hij zegt: en hij vergat dat Wij hèm geschapen hebben, hoe Wij hem schiepen, en dat hij niets anders was dan een druppel zaad, waarna Wij die tot een welgevormd, sprekend schepsel maakten. Hij zegt: hij dacht dus niet na over Onze schepping van hem, zodat hij zou weten dat Hij die hem uit een druppel zaad heeft geschapen totdat hij een welgevormd, sprekend en handelend mens werd, niet onmachtig is de doden weer levend te maken en de vergane beenderen weer tot mensen te maken, in de gedaante die zij hadden vóór de vergankelijkheid.