Tabari
Terug naar surah 32, ayah 18

Tafseer van De Knieling · As-Sajda · 32:18

أَفَمَن كَانَ مُؤْمِنًۭا كَمَن كَانَ فَاسِقًۭا ۚ لَّا يَسْتَوُۥنَ

Is wie gelovig is, gelijk aan een zwaar zondige? Zij zijn niet gelijk.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    De uitspraak over de uitleg van de woorden van de Verhevene: أَفَمَنْ كَانَ مُؤْمِنًا كَمَنْ كَانَ فَاسِقًا لا يَسْتَوُونَ ("Is dan hij die gelovig is gelijk aan hem die verdorven is? Zij zijn niet gelijk") (18).

    De Verhevene, wiens vermelding hoog is, zegt: is dan deze ongelovige (kāfir) die de belofte en de bedreiging van Allah loochent, die het gebod en het verbod van Allah tegenwerkt, gelijk aan deze gelovige in Allah, die Zijn belofte en Zijn bedreiging voor waar houdt, die Hem gehoorzaamt in Zijn gebod en Zijn verbod? Geenszins, zij zijn bij Allah niet gelijk. Hij zegt: de ongelovigen in Allah en de gelovigen in Hem zijn bij Hem niet gelijkwaardig in wat Hij met hen zal doen op de Dag der Opstanding. En Hij zei: لا يَسْتَوُونَ ("zij zijn niet gelijk") in het meervoud, terwijl Hij daarvoor slechts twee genoemd had: een gelovige en een verdorvene (fāsiq); omdat Hij met "de gelovige" niet één enkele gelovige bedoelde, noch met "de verdorvene" één enkele verdorvene, maar Hij bedoelde daarmee alle verdorvenen (fussāq) en alle gelovigen in Allah. En wanneer de twee niet specifiek bedoeld zijn, dan slaan de Arabieren met hen de richting van het meervoud in.

    En er werd vermeld dat dit vers werd geopenbaard betreffende ʿAlī ibn Abī Ṭālib — moge het welbehagen van Allah op hem rusten — en al-Walīd ibn ʿUqba.

    * Vermelding van wie dat gezegd heeft:

    Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama ibn al-Faḍl heeft ons verteld, hij zei: Ibn Isḥāq heeft mij verteld, op gezag van een van zijn metgezellen, op gezag van ʿAṭāʾ ibn Yasār, hij zei: het werd in Medina geopenbaard, betreffende ʿAlī ibn Abī Ṭālib en al-Walīd ibn ʿUqba ibn Abī Muʿayṭ. Er was tussen al-Walīd en ʿAlī een woordenwisseling, en al-Walīd ibn ʿUqba zei: "Ik ben welbespraakter van tong dan jij, en scherper van speerpunt dan jij, en standvastiger dan jij voor de slaglinie." Daarop zei ʿAlī: "Zwijg, want jij bent een verdorvene (fāsiq)." Toen openbaarde Allah betreffende hen beiden: أَفَمَنْ كَانَ مُؤْمِنًا كَمَنْ كَانَ فَاسِقًا لا يَسْتَوُونَ ("Is dan hij die gelovig is gelijk aan hem die verdorven is? Zij zijn niet gelijk"), tot aan Zijn uitspraak: بِهِ تُكَذِّبُونَ ("dat jullie loochenden").

    Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over zijn uitspraak: أَفَمَنْ كَانَ مُؤْمِنًا كَمَنْ كَانَ فَاسِقًا لا يَسْتَوُونَ ("Is dan hij die gelovig is gelijk aan hem die verdorven is? Zij zijn niet gelijk"), hij zei: nee, bij Allah, zij waren niet gelijk in het wereldse leven, noch bij de dood, noch in het Hiernamaals.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله تعالى : أَفَمَنْ كَانَ مُؤْمِنًا كَمَنْ كَانَ فَاسِقًا لا يَسْتَوُونَ (18) يقول تعالى ذكره: أفهذا الكافر المكذّب بوعد الله ووعيده، المخالف أمر الله ونهيه، كهذا المؤمن بالله، والمصدّق بوعده ووعيد، المطيع له في أمره ونهيه، كلا لا يستوون عند الله يقول: لا يعتدل الكفَّار بالله، والمؤمنون به عنده، فيما هو فاعل بهم يوم القيامة. وقال: ( لا يَسْتَوُونَ ) فجمع، وإنما ذكر قبل ذلك اثنين: مؤمنا وفاسقا؛ لأنه لم يرد بالمؤمن: مؤمنا واحدا، وبالفاسق: فاسقا واحدا، وإنما أريد به جميع الفسَّاق، وجميع المؤمنين بالله. فإذا كان الاثنان غير مصمود لهما ذهبت لهما العرب مذهب الجمع. وذُكر أن هذه الآية نـزلت في عليّ بن أبي طالب، رضوان الله عليه، والوليد بن عُقبة. * ذكر من قال ذلك: حدثنا ابن حميد، قال: ثنا سلمة بن الفضل، قال: ثني ابن إسحاق، عن بعض أصحابه، عن عطاء بن يسار، قال: نـزلت بالمدينة، في عليّ بن أبي طالب، والوليد &; 20-188 &; بن عقبة بن أبي معيط كان بين الوليد وبين عليّ كلام، فقال الوليد بن عقبة: أنا أبسط منك لسانا، وأحدّ منك سنانا، وأرد منك للكتيبة، فقال عليّ: اسكت، فإنك فاسق، فأنـزل الله فيهما: ( أَفَمَنْ كَانَ مُؤْمِنًا كَمَنْ كَانَ فَاسِقًا لا يَسْتَوُونَ ) إلى قوله: (بِهِ تُكَذّبُونَ). حدثنا بشر، قال: ثنا يزيد، قال: ثنا سعيد، عن قَتادة قوله: ( أَفَمَنْ كَانَ مُؤْمِنًا كَمَنْ كَانَ فَاسِقًا لا يَسْتَوُونَ ) قال: لا والله ما استووا في الدنيا، ولا عند الموت، ولا في الآخرة.