Tafseer van De Dichters · Ash-Shu'araa · 26:86
En vergeef mijn vader, waal bij behoorde tot de dwalenden.
وَاغْفِرْ لأبِي (En vergeef mijn vader) — hij zegt: en zie mijn vaders veelgodendom aan U voorbij, en straf hem daarvoor niet. إِنَّهُ كَانَ مِنَ الضَّالِّينَ (Voorwaar, hij behoorde tot de dwalenden) — hij zegt: hij behoorde tot degenen die van het pad der rechtleiding zijn afgedwaald en ongelovig tegenover U zijn geworden.
Wij hebben reeds eerder de reden uiteengezet waarom Ibrāhīm — moge de gebeden van Allah over hem zijn — voor zijn vader vergiffenis vroeg, evenals de meningsverschillen van de geleerden daarover, en wat naar ons inzicht de juiste opvatting is; die bespreking is voldoende en behoeft hier niet te worden herhaald.