Tafseer van De Dichters · Ash-Shu'araa · 26:8
Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen.
Hij, Wiens lof verheven is, zegt: Voorwaar, in het feit dat Wij in de aarde van elke edele soort laten groeien, ligt een teken. Hij zegt: een bewijs voor deze polytheïsten die de Opstanding loochenen, van de werkelijkheid ervan — en dat de macht waarmee Allah dat gewas in de aarde liet groeien nadat zij dor was geweest, Hem geenszins onmachtig maakt om daarmee de doden na hun sterven levend uit hun graven op te wekken.
En Zijn woord: وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُمْ مُؤْمِنِينَ (En de meesten van hen waren geen gelovigen) — Hij zegt: en de meesten van deze mensen die de Opstanding loochenen en jouw profeetschap verwerpen, o Muḥammad, geloven niet in wat jij hen brengt van bij Allah aan vermaning.
Hij, Wiens lof verheven is, zegt: In Mijn voorkennis stond reeds vast dat zij niet zullen geloven; de meesten van hen zullen dan ook niet in jou geloven, vanwege wat in Mijn voorkennis over hen vooraf is bepaald. En Zijn woord: وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ (En voorwaar, jouw Heer — Hij is de Almachtige, de Barmhartige) — Hij zegt: En voorwaar, jouw Heer, o Muḥammad, is de Almachtige in Zijn vergelding; niemand die Hij wil bestraffen kan zich aan Hem onttrekken. Hij, Wiens lof verheven is, zegt: En als Ik over deze mensen die jou loochenen, o Muḥammad, en die zich afwenden van de vermaning die hen van Mij bereikt, Mijn bestraffing laat neerdalen vanwege hun logenstraffing van jou, dan zal niets hen tegen Mij beschermen, want Ik ben de Almachtige, de Barmhartige — dat wil zeggen: Hij is de Bezitter van barmhartigheid jegens wie uit Zijn schepping van zijn ongeloof en ongehoorzaamheid terugkeert, zodat Hij hem niet straft voor wat er in het verleden van zijn misdaad verstreken is na zijn berouw.
Ibn Jurayj placht in de betekenis daarvan het volgende te zeggen, wat ons is overgeleverd: Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: Al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Al-Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, die zei: Alles wat in Sūrat al-Shuʿarāʾ voorkomt van Zijn woord الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ (de Almachtige, de Barmhartige) — dat slaat op wat Hij heeft vernietigd van de vroegere naties; Hij zegt: almachtig, toen Hij zich wreekte op Zijn vijanden; barmhartig jegens de gelovigen, toen Hij hen redde van wat Hij daarmee Zijn vijanden deed ondergaan.