Tafseer van De Dichters · Ash-Shu'araa · 26:30
Hij (Môesa) zei: "Zelfs als ik jou iets duidelijks kan laten zien?"
De Verhevene in Zijn gedachtenis zegt: Mozes zei tot de Farao, nadat hij hem zijn Heer had doen kennen en had meegedeeld dat Hij de Heer van het oosten en het westen is, en hem had opgeroepen tot Zijn aanbidding en het oprecht toewijden van de godheid aan Hem, en nadat de Farao hem had geantwoord met zijn woord "Als jij een andere god naast mij aanneemt, zal ik jou zeker tot de gevangenen rekenen": Ga jij mij dan tot de gevangenen rekenen? أَوَلَوْ جِئْتُكَ بِشَيْءٍ مُبِينٍ (zelfs wanneer ik jou met een duidelijk bewijs kom) dat de waarheid bewijst van wat ik zeg, o Farao, en de werkelijkheid van datgene waartoe ik jou oproep? Hij zei dit tot hem, omdat het tot de gewoonten van de mensen behoort dat zij tot kalmte komen bij billijkheid en de waarheid aanvaarden na het bewijs is geleverd.