Tafseer van De Dichters · Ash-Shu'araa · 26:112
Hij (Nôeh) zei: "En ik heb geen kennis over wat zij deden.
( "Hij zei: En wat weet ik van wat zij plachten te doen?" ) — Noach zei tot zijn volk: wat weet ik van wat mijn volgelingen doen? Van hen zie ik slechts de buitenkant van hun zaak, niet het binnenste ervan. Ik ben niet belast met kennis van hun innerlijk; ik ben slechts belast met het uiterlijk. Wie uiterlijk het goede toont, denk ik goed over hem, en wie uiterlijk het kwade toont, denk ik slecht over hem. Hij zegt: de verantwoording over het innerlijke van hun zaak, dat voor mij verborgen bleef, berust slechts bij mijn Heer — als u dat maar wist — want Hij kent zowel het verborgene als het openbare van hun aangelegenheden.\n\nNaar wat wij hierover gezegd hebben, zeiden ook de mufassirūn.\n\n* Vermelding van wie dat zei: