Tafseer van Het Licht · An-Noor · 24:15
(En gedenkt) toen jullie de (laster) met jullie tongen overnamen en met jullie monden dat zeiden waarover jullie gew kennis hadden. En jullie dachten dat het iets kleins was, maar het is bij Allah geweldig.
Allah, verheven zij Zijn vermelding, zegt: U zou in wat u ondergedompeld was over ʿĀʾisha een zware bestraffing worden aangedaan, voor uw overnemen ervan met uw tongen. Het woord "idh" (إذ) is verbonden aan Zijn woorden "lakamassākum." En met "u overnam" (تَلَقَّوْنَهُ) bedoelt Hij: u neemt de laster over die de lastergroep bracht, en u aanvaardt het, en u vertelt het de een aan de ander door. Er wordt vermeld dat het in de lezing van Ubayy staat als "idh tatalaqqawnahu" met twee tāʾ-letters, en daarnaar lazen de mensen van de grote steden, behalve dat zij het lazen als تَلَقَّوْنَهُ met één tāʾ, omdat het zo in hun exemplaren van de Koran staat.
Er is overgeleverd van ʿĀʾisha over dit woord, wat Muhammad ibn ʿAbdullāh ibn ʿAbd al-Hakam mij heeft verteld, hij zei: Khālid ibn Nazār heeft ons verteld, op gezag van Nāfiʿ, op gezag van Ibn Abī Mulayka, op gezag van ʿĀʾisha, de echtgenote van de Profeet ﷺ, dat zij dit vers placht te lezen als: "idh taliqūnahu bi-alsinatikum" ("wanneer jullie er de leugen mee weg gooien"), en zij zei: "Het is slechts walq — het weggooien van de leugen," en zij zei: "Zij waren slechts de leugen aan het weggooien." Ibn Abī Mulayka zei: "En zij weet dat het beter dan wie ook, want over haar is het neergezonden." Nāfiʿ zei: "En ik hoorde sommige Arabieren zeggen: al-layq betekent: de leugen."
Ibn Humayd heeft ons verteld, hij zei: Yahyā ibn Wāḍih heeft ons verteld, hij zei: Nāfiʿ ibn ʿAmr ibn ʿAbdullāh ibn ʿAbd al-Rahmān ibn Maʿmar al-Jumaḥī heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Mulayka, op gezag van ʿĀʾisha, dat zij placht te lezen: "idh taliqūnahu bi-alsinatikum" — en zij weet dit het best, want over haar is het neergezonden. Ibn Abī Mulayka zei: "Het is van walq al-kadhib — het weggooien van de leugen."
Abū Jaʿfar zei: Het lijkt alsof ʿĀʾisha de betekenis stuurde met haar lezing "taliqūnahu" — met kasra onder de lām en verzwakking van de qāf — naar: "wanneer jullie doorgaan in jullie leugens over haar en jullie verzinsels met jullie tongen," zoals men zegt: "fulān walaqa fī al-sayr fa-huwa yaliq" — "die en die loopt door zonder op te houden" wanneer hij daarin doorging — en zoals de versificator zei:
Waarlijk al-Julayd is glibberig en al-Zumliq — hij bracht hem bij een paard uit de Shām, galopperend, met een hongerende buik, van kalbiyyische aard.
Er is ook overgeleverd van de Arabieren over al-walq (de leugen): al-alq en al-ilq, zowel met fatḥa als met kasra onder de hamza. Sommigen zeiden ook:
Wie helpt mij met de drager van de zilden jas, vriend van zalven en van hardnekkige leugens?
En de lezing die ik niet door een andere kan vervangen is: إِذْ تَلَقَّوْنَهُ — zoals ik beschreef van de lezing van de grote steden, omdat de gezaghebbende recitators het daarin eens zijn.
Naar hetgeen wij hierover hebben gezegd spraken ook de schriftgeleerden van de uitlegging.
*Vermelding van wie dit zeiden:
Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Husayn heeft ons verteld, hij zei: Hajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, op gezag van Mujāhid, betreffende إِذْ تَلَقَّوْنَهُ بِأَلْسِنَتِكُمْ : "U vertelt het de een aan de ander door."
Muhammad ibn ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld; en al-Hārith heeft mij verteld, hij zei: al-Hasan heeft ons verteld, hij zei: Warqāʾ heeft ons verteld — beiden, op gezag van Ibn Abī Najīh, op gezag van Mujāhid, betreffende إِذْ تَلَقَّوْنَهُ : "U vertelt het de een aan de ander door."
En Zijn woorden: وَتَقُولُونَ بِأَفْوَاهِكُمْ مَا لَيْسَ لَكُمْ بِهِ عِلْمٌ ("en u zegt met uw monden wat u geen kennis van hebt"): Allah, verheven zij Zijn vermelding, zegt: U zegt met uw monden wat u geen kennis van hebt betreffende de zaak die u doorvertelt. وَتَحْسَبُونَهُ هَيِّنًا ("en u acht het gering"): u denkt dat uw spreken en uw doorvertellen met uw tongen en uw overnemen de een van de ander een gering en licht iets is, zonder zonde of bezwaar voor u daarin. وَهُوَ عِنْدَ اللَّهِ عَظِيمٌ ("terwijl het bij Allah groot is"): en uw overnemen ervan en uw spreken ermee met uw monden is bij Allah een grote zaak, want u kwelde daarmee de Profeet ﷺ en zijn echtgenote.