Tafseer van De Gelovigen · Al-Muminoon · 23:19
Toen legden Wij daarmee voor jullie tuinen met palmen en druivenstruiken aan, met daaraan veel vruchten. En jullie eten daarvan.
Hij, verheven zij Zijn gedachtenis, zegt: door het water dat Wij uit de hemel neerdaalden, brachten Wij voor jullie tuinen voort van palmbomen en wijnstokken. لَكُمْ فِيهَا (voor jullie daarin) — Hij zegt: voor jullie zijn in de tuinen vele vruchten. وَمِنْهَا تَأْكُلُونَ (en daarvan eten jullie) — Hij zegt: en van de vruchten eten jullie; het is mogelijk dat het voornaamwoord "hā" verwijst naar "de tuinen", en het is mogelijk dat het verwijst naar "de palmbomen en de wijnstokken". Hij, verheven zij Zijn lof, specificeerde de tuinen die Hij in dit vers vermelde door ze te beschrijven als [samengesteld] uit palmbomen en wijnstokken — en niet door ze te beschrijven met de overige vruchten der aarde — omdat deze twee soorten vruchten de voornaamste vruchten waren van de Hidjāz en wat daarmee verbonden is; de palmbomen kwamen immers toe aan de mensen van Medina, en de wijnstokken aan de mensen van al-Ṭāʾif. Hij deed het volk denken aan wat zij kenden van Allahs weldaad jegens hen, door wat Hij hen schonk aan vruchten ervan.