Tafseer van De Profeten · Al-Anbiyaa · 21:78
En (gedenkt) Dâwôed en Soelaimân toen zij een oordeel gaven over het akkerland, waarop de schapen van het volk grazend rondgelopen hadden. En Wij waren getuigen van hun oordeel."'
Allah de Verhevene zegt tot Zijn profeet Muḥammad ﷺ: en gedenk, o Muḥammad, Dāwūd en Sulaymān wanneer zij oordelen over het gewas (al-ḥarth).
De uitleggers verschilden van mening over wat dat gewas was. Sommigen zeiden: het was een veld met jonge planten.
Wij vermelden wie dat zei:
Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van Ibn Isḥāq, op gezag van Murra, betreffende zijn woord (wanneer zij oordelen over het gewas): hij zei: het gewas waren jonge planten.
Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld op gezag van Qatāda, die zei: er is ons verteld dat de schapen van een volk des nachts in het gewas van anderen terechtkwamen.
Anderen zeiden: veeleer was dat gewas een wijngaard.
Wij vermelden wie dat zei:
Abū Kurayb heeft ons verteld, hij zei: al-Muḥāribī heeft ons verteld, op gezag van Ashjath, op gezag van Abū Isḥāq, op gezag van Murra, op gezag van Ibn Masʿūd, betreffende zijn woord (en Dāwūd en Sulaymān, wanneer zij oordelen over het gewas): hij zei: een wijngaard die zijn trossen had gevormd.
Tamīm ibn al-Muntaṣir heeft ons verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons bericht gegeven, op gezag van Sharīk, op gezag van Abū Isḥāq, op gezag van Masrūq, op gezag van Shurayḥ, die zei: het gewas was een wijngaard.
Abū Jaʿfar zei: het meest correcte van die uitspraken is wat Allah de Gezegende en Verhevene heeft gezegd: (wanneer zij oordelen over het gewas) — en het gewas is slechts het bewerken van de grond; en het is mogelijk dat het een graangewas was, en het is mogelijk dat het een aanplanting was; en het is niet schadelijk om niet te weten welk van beide het was.
En zijn woord (toen de schapen van het volk er des nachts in graasden (nafashat)): dat wil zeggen: toen de schapen van een ander volk dan de eigenaren van het gewas des nachts dat gewas binnengingen en het afgraasden of bedierven — (en Wij waren getuigen van hun oordeel): dat wil zeggen: Wij waren getuigen van het oordeel van Dāwūd en Sulaymān, en van het oordeel over het volk over wie zij oordeelden betreffende wat de schapen van de eigenaren der schapen aan het gewas van de eigenaren van het gewas hadden bedorven — getuigen waaraan niets van verborgen was en waarvan de kennis Ons niet ontging.