Tafseer van De Profeten · Al-Anbiyaa · 21:34
En Wij hebben geen mens vóór jou onsterfelijkheid gegeven. Als jij zou sterven; zouden zij dan eeuwig leven?
Allah, verheven zij Zijn lof, zegt tot Zijn profeet Muḥammad ﷺ: Wij hebben niemand van de kinderen van Adam vóór jou, o Muḥammad, in de wereld doen voortleven, zodat Wij jou daarin zouden laten voortleven; en het is onvermijdelijk dat jij sterft zoals voor jou onze boodschappers zijn gestorven.
أَفَإِنْ مِتَّ فَهُمُ الْخَالِدُونَ — "Als jij dan sterft, zijn zij de eeuwig-bestaanden?" Hij zegt: zijn deze polytheïsten jegens hun Heer degenen die eeuwig in de wereld bestaan na jou? Dat is niet zo. Nee, zij zullen hoe dan ook sterven, of jij nu leeft of sterft.
De fāʾ is opgenomen in "in" terwijl het een voorwaardelijke uitdrukking is, en in het antwoord ervan, omdat de voorwaardezin verbonden is met de zin ervóór. De fāʾ trad ook op in de woorden "fa-hum" omdat dit het antwoord is op de voorwaardezin. En als er geen fāʾ in "fa-hum" zou staan, zou dat op twee manieren mogelijk zijn: ofwel is ze weggelaten maar wel bedoeld, ofwel is bedoeld dat ze naar voren is geplaatst bij de voorwaardezin — alsof men zei: "Zijn zij dan de eeuwig-bestaanden als jij sterft?"