Tafseer van De Profeten · Al-Anbiyaa · 21:30
Weten degenen die ongelovig zijn niet dat de hemelen en de aarde als een gemengde massa waren en dat Wij hen beide daarop splitsten en dat Wij alle levende dingen uit het water maakten? Geloven zij niet?
Allah, verheven zij Zijn lof, zegt: Hebben deze ongelovigen dan met de ogen van hun harten niet gezien en begrepen dat de hemelen en de aarde "ratq" waren — dat wil zeggen: geen opening bezaten maar samengesloten waren? Men zegt: "Fulan raṭaqa de scheur" wanneer hij hem dichthechtte; men spreekt dan van raṭaqa – yartiqu raṭqan wa-ruṭūqan. Vandaar wordt de vrouw wier schaamdelen samengesloten zijn "raṭqāʾ" genoemd. Het enkelvoud raṭq is hier gebruikt, hoewel het een eigenschap van hemel en aarde beide betreft, omdat het een infinitief is, zoals men zegt: al-zawr, al-ṣawm, al-fiṭr.
Zijn woorden فَفَتَقْنَاهُمَا — "En Wij splijtden ze." Hij zegt: Wij kliefden ze en openden ze.
Daarna verschilden de exegeten van mening over de betekenis van Allahs beschrijving van de hemelen en de aarde als ratq, en hoe die aaneensluiting was en in welke zin zij werden gespleten.
Sommigen zeiden: de bedoeling is dat de hemelen en de aarde samengesloten waren en dat Allah hen van elkaar scheidde door de lucht.
Vermelding van wie dit zeiden:
ʿAlī vertelde mij, hij zei: Abū Ṣāliḥ vertelde ons, hij zei: Muʿāwiya vertelde mij, op gezag van ʿAlī, op gezag van Ibn ʿAbbās, betreffende de woorden أَوَلَمْ يَرَ الَّذِينَ كَفَرُوا أَنَّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ كَانَتَا رَتْقًا : "Hij zegt: ze waren samengesloten."
Muḥammad ibn Saʿd vertelde mij, hij zei: mijn vader vertelde mij, hij zei: mijn oom vertelde mij, hij zei: mijn vader vertelde mij, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās, betreffende de woorden أَوَلَمْ يَرَ الَّذِينَ كَفَرُوا أَنَّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ كَانَتَا رَتْقًا فَفَتَقْنَاهُمَا — de gehele vers: "Hij zegt: ze waren samengesloten; toen verhief Hij de hemel en plaatste Hij de aarde."
Er werd mij bericht over al-Ḥusayn, hij zei: ik hoorde Abū Muʿādh zeggen: ʿUbayd ibn Sulaymān berichtte ons, hij zei: ik hoorde al-Ḍaḥḥāk zeggen betreffende de woorden أَنَّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ كَانَتَا رَتْقًا فَفَتَقْنَاهُمَا : "Ibn ʿAbbās zei: ze waren samengekleeft, en Allah spleet ze."
Bishr vertelde ons, hij zei: Yazīd vertelde ons, hij zei: Saʿīd vertelde ons, op gezag van Qatāda, betreffende de woorden أَنَّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ كَانَتَا رَتْقًا فَفَتَقْنَاهُمَا : "Al-Ḥasan en Qatāda zeiden: ze waren bijeen, en Allah scheidde hen door deze lucht."
Anderen zeiden: de betekenis is dat de hemelen één aaneengesloten laag waren en dat Allah hen spleet en er zeven hemelen van maakte; en zo was ook de aarde — aaneengesloten — en Hij spleet haar en maakte er zeven aardlagen van.
Vermelding van wie dit zeiden:
Muḥammad ibn ʿAmr vertelde mij, hij zei: Abū ʿĀṣim vertelde ons, hij zei: ʿĪsā vertelde ons; en al-Ḥārith vertelde mij, hij zei: al-Ḥasan vertelde ons, hij zei: Warqāʾ vertelde ons — beiden op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, betreffende de woorden رَتْقًا فَفَتَقْنَاهُمَا : "Van de aarde waren er zes met haar mee, zodat het zeven aardlagen zijn; en van de hemel waren er zes met haar mee, zodat het zeven hemelen zijn" — en hij zei: "De aarde en de hemel raakten elkaar niet."
Ibn ʿAbd al-Aʿlā vertelde ons, hij zei: Muḥammad ibn Thawr vertelde ons, op gezag van Maʿmar, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, betreffende de woorden رَتْقًا فَفَتَقْنَاهُمَا : "Hij spleet ze tot zeven hemelen de een boven de ander, en zeven aardlagen de een onder de ander."
Al-Qāsim vertelde ons, hij zei: al-Ḥusayn vertelde ons, hij zei: Ḥajjāj vertelde mij, op gezag van Ibn Jurayj, op gezag van Mujāhid — gelijkluidend aan de overlevering van Muḥammad ibn ʿAmr op gezag van Abū ʿĀṣim.
ʿAbd al-Ḥamīd ibn Bayān vertelde ons, hij zei: Muḥammad ibn Yazīd berichtte ons, op gezag van Ismāʿīl, die zei: ik vroeg Abū Ṣāliḥ naar de woorden كَانَتَا رَتْقًا فَفَتَقْنَاهُمَا — hij zei: "De aarde was aaneengesloten (ratq) en de hemelen waren aaneengesloten; Allah spleet van de hemel zeven hemelen en van de aarde zeven aardlagen."
Mūsā vertelde ons, hij zei: ʿAmr vertelde ons, hij zei: Asbāṭ vertelde ons, op gezag van al-Suddī, die zei: "Er was één hemel, daarna spleet Hij haar en maakte er zeven hemelen van, in twee dagen: donderdag en vrijdag. En de vrijdag werd zo genoemd omdat op die dag de schepping van de hemelen en de aarde werd voltooid (jāmaʿa). Dat is hetgeen Allah bedoelt met: خَلَقَ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ فِي سِتَّةِ أَيَّامٍ en كَانَتَا رَتْقًا فَفَتَقْنَاهُمَا ."
Anderen zeiden: de bedoeling is dat de hemelen aaneengesloten waren en geen regen lieten vallen, en de aarde evenzo aaneengesloten was en niets liet groeien; en Allah spleet de hemel met regen en de aarde met plantengroei.
Vermelding van wie dit zeiden:
Hannād vertelde ons, hij zei: Abū al-Aḥwaṣ vertelde ons, op gezag van Simāk, op gezag van ʿIkrima, betreffende de woorden أَوَلَمْ يَرَ الَّذِينَ كَفَرُوا أَنَّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ كَانَتَا رَتْقًا فَفَتَقْنَاهُمَا : "Ze waren aaneengesloten, er kwam niets uit; Allah spleet de hemel met regen en spleet de aarde met plantengroei." En hij zei: "Dat is hetgeen Allah bedoelt met وَالسَّمَاءِ ذَاتِ الرَّجْعِ * وَالْأَرْضِ ذَاتِ الصَّدْعِ ."
Al-Ḥusayn ibn ʿAlī al-Ṣadāʾī vertelde mij, hij zei: mijn vader vertelde ons, op gezag van al-Fuḍayl ibn Marzūq, op gezag van ʿAṭiyya, betreffende de woorden أَوَلَمْ يَرَ الَّذِينَ كَفَرُوا أَنَّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ كَانَتَا رَتْقًا فَفَتَقْنَاهُمَا : "De hemel was aaneengesloten en liet geen regen vallen, de aarde was aaneengesloten en liet niets groeien. Allah spleet de hemel met regen en spleet de aarde met plantengroei, en maakte van het water alles levend. Geloven zij dan niet?"
Yūnus vertelde mij, hij zei: Ibn Wahb berichtte ons, hij zei: Ibn Zayd zei betreffende de woorden أَوَلَمْ يَرَ الَّذِينَ كَفَرُوا أَنَّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ كَانَتَا رَتْقًا فَفَتَقْنَاهُمَا : "De hemelen waren aaneengesloten en lieten geen regen neerdalen; de aarde was aaneengesloten en liet geen planten uitspruiten. Allah spleet ze: Hij liet de regen van de hemel neerdalen, kliefde de aarde en liet haar gewassen uitspruiten." En hij reciteerde فَفَتَقْنَاهُمَا وَجَعَلْنَا مِنَ الْمَاءِ كُلَّ شَيْءٍ حَيٍّ أَفَلَا يُؤْمِنُونَ .
Anderen zeiden: er staat فَفَتَقْنَاهُمَا omdat de nacht voor de dag was; Allah spleet de dag.
Vermelding van wie dit zeiden:
Al-Ḥasan vertelde ons, hij zei: ʿAbd al-Razzāq berichtte ons, hij zei: al-Thawrī berichtte ons, op gezag van zijn vader, op gezag van ʿIkrima, op gezag van Ibn ʿAbbās, die zei: "De nacht werd vóór de dag geschapen." Daarna zei hij: "Ze waren aaneengesloten, en Wij splijtden ze."
Abū Jaʿfar zegt: De meest juiste van deze meningen is de opvatting van degene die zei: de betekenis is dat de hemelen en de aarde aaneengesloten waren wat betreft regen en plantengroei, en Wij splijtden de hemel met de regenbui en de aarde met de plantengroei.
Wij zeggen dit is de juiste mening omdat de woorden وَجَعَلْنَا مِنَ الْمَاءِ كُلَّ شَيْءٍ حَيٍّ daarop wijzen, en omdat Allah, verheven zij Zijn lof, dit niet opvolgde met de beschrijving van het water in deze hoedanigheid dan nadat Hij had gewezen op de oorzaken ervan.
Als iemand zou vragen: als dat zo is, waarom staat er dan "de hemelen en de aarde waren aaneengesloten" terwijl de regen slechts uit de dichtstbijzijnde hemel daalt? — dan zij geantwoord: hierover is meningsverschil. Sommigen zeiden: het daalt uit de zevende hemel; anderen zeiden: uit de vierde hemel. En zelfs als het uit de dichtstbijzijnde hemel daalde zoals je zegt, dan is er in de woorden أَنَّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ geen aanwijzing die ingaat tegen hetgeen wij zeiden, want het is niet verboden te zeggen "de hemelen" terwijl slechts één bedoeld is — ze worden dan in het meervoud gezet omdat elk deel ervan een hemel is, zoals men zegt: een versleten kledingstuk (thawb akhlāq) en een uitgerafeld hemd (qamīṣ asmāl).
Als iemand zou vragen: hoe kan er staan كَانَتَا — de tweevoudsvorm — terwijl "de hemelen" een meervoud is en de normale uitgang voor vrouwelijke meervouden bij weinig exemplaren "kunna" is en bij veel "kānat"? — dan zij geantwoord: er staat كَانَتَا omdat het om twee soorten gaat: de hemelen zijn één soort en de aarde een andere. Dat is vergelijkbaar met het vers van al-Aswad ibn Yaʿfur:
"Voorwaar, de dood en de verderfenissen (katastropen) — de twee van hen zoeken mijn donkere gestalte op de passen des wegs."
Hij zei "de twee van hen" (kilāhumā) terwijl hij zowel "de dood" als "de verderfenissen" noemde, omdat hij de twee soorten op het oog had. En er is mij overgeleverd over Abū ʿUbayda Maʿmar ibn al-Muthannā dat hij zei: Ghālib al-Nafīlī droeg mij ten behoeve van al-Qaṭāmī voor:
"Raakten de touwen van Qays en die van Taghlīb jou niet met droefheid, nu zij van elkander gescheiden zijn, geheel verbroken?"
Hij behandelde de "touwen van Qays" — een meervoud — en de "touwen van Taghlīb" — een meervoud — als twee eenheden samen.
Zijn woorden وَجَعَلْنَا مِنَ الْمَاءِ كُلَّ شَيْءٍ حَيٍّ — "En Wij maakten van het water elk levend ding." Allah, verheven zij Zijn lof, zegt: Wij deden door het water dat Wij uit de hemel neerzenden alles leven.
Zo vertelde ons Ibn ʿAbd al-Aʿlā, hij zei: Muḥammad ibn Thawr vertelde ons, op gezag van Maʿmar, op gezag van Qatāda, betreffende de woorden وَجَعَلْنَا مِنَ الْمَاءِ كُلَّ شَيْءٍ حَيٍّ : "Elk levend ding is geschapen uit water."
Als iemand zou vragen: waarom is elk levend ding in het bijzonder ervan uitgezonderd dat het van het water is gemaakt en niet de overige dingen? Immers men weet dat ook gewassen, planten en bomen door het water leven, terwijl men over hen niet zegt dat zij leven of dood zijn. — dan zij geantwoord: omdat er van al die dingen niets is dat niet leven en dood kent, ook al verschilt de betekenis daarvan bij hen van die bij de bezitters van zielen — bij de bezitters van zielen zijn namelijk zielen aanwezig terwijl die bij de eersten ontbreken. Daaom staat er وَجَعَلْنَا مِنَ الْمَاءِ كُلَّ شَيْءٍ حَيٍّ .
Zijn woorden أَفَلَا يُؤْمِنُونَ — "Geloven zij dan niet?" Hij zegt: bevestigen zij dit dan niet en erkennen zij de godheid van Degene die dit deed niet, en wijden zij Hem alleen de aanbidding toe?