Tafseer van De Profeten · Al-Anbiyaa · 21:102
Zij zullen er geen geluid van horen. En in wat hun zielen verlangen zullen zij eeuwig levenden zijn.
De verheerlijkte zegt: degenen voor wie van Ons het goede voorafging, horen het gesuis (ḥasīs) van het Vuur niet; en met ḥasīs wordt bedoeld: het geluid en het gevoel (al-ḥiss).
Mocht iemand zeggen: hoe horen zij haar gesuis dan niet, terwijl men toch weet wat is overgeleverd — dat de hel op de Dag der Opstanding wordt aangebracht en dan een diepe zucht slaakt waarna geen engelennaastgeplaatste (malak muqarrab) noch gezonden profeet (nabī mursāl) overblijft of hij valt op zijn knieën uit vrees ervoor? — dan is het antwoord: de toestand waarin zij haar gesuis niet horen, is een andere toestand dan díe. Het is veeleer de toestand die ons is verteld door Muḥammad ibn Saʿd, die zei: mijn vader heeft mij verteld, die zei: mijn oom heeft mij verteld, die zei: mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās, betreffende Zijn woord لا يَسْمَعُونَ حَسِيسَهَا وَهُمْ فِي مَا اشْتَهَتْ أَنْفُسُهُمْ خَالِدُونَ: hij zei: "De mensen van het paradijs (janna) horen het gesuis van het Vuur niet wanneer zij hun woonplaats in het paradijs innemen."
En Zijn woord وَهُمْ فِي مَا اشْتَهَتْ أَنْفُسُهُمْ خَالِدُونَ betekent: "En zij verblijven eeuwig in wat hun zielen begeren van haar genietingen en wellustigheden, zonder vrees voor het ophouden ervan of voor overgang naar iets anders."