Tafseer van Ta-Haa · Taa-Haa · 20:92
Hij (Môesa) zei: "O Hârôen, wat hield jou tegen toen jij jij zag dwalen?
De verheerlijkte zegt: de aanbidders van het kalf onder het volk van Moesa zeiden: لَنْ نَبْرَحَ عَلَيْهِ عَاكِفِينَ — "Wij zullen volstrekt niet ophouden erop toegewijd (in aanbidding) te verblijven totdat Moesa tot ons terugkeert."